id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.928 Rolnummer: A. 118206/X-10871 Zaak: Arrest 132928 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-14 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.928 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.928 van 23 juni 2004 in de zaak A. 118.206/X-10.
- In zake : de n.v. BUSINESS PANEL, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VANDEN BRANDE, kantoor houdende te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55, bus 10 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BUSINESS PANEL op 15 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 januari 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van 1 oktober 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het plaatsen van een reclamebord te Sint-Niklaas, Koningin Astridlaan, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 1560m2; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; X-10.871-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Bestuurssecretaris A. GLABEKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 30 augustus 2001 de regularisatievergunning aanvraagt voor het plaatsen van een reclamebord te Sint-Niklaas, Koningin Astridlaan, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 1560m2; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas op 1 oktober 2001 de regularisatievergunning weigert; dat de verzoekende partij op 20 november 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 17 januari 2002 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie opwerpt dat de vordering onontvankelijk is wegens gebrek aan belang, dat immers krachtens artikel 159 D.R.O. een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na het opstellen van een certificaat, dat dit wordt verleend door de stedenbouwkundige inspecteur nadat deze met de vergunningaanvrager een vergelijk heeft getroffen, dat in casu dit vergelijk niet voorligt, dat de bestendige deputatie derhalve onmogelijk een vergunning kan verlenen; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de X-10.871-2/7 gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; Overwegende evenwel dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 158 en 159 D.R.O. "(d)oordat het beroep bij de bestendige deputatie, strekkend tot het bekomen van een regularisatievergunning, volgde op een weigeringsbeslissing op gemeentelijk niveau zonder dat een vergelijkprocedure werd doorlopen zodat de bestendige deputatie het dossier had moeten doorverwijzen naar de stedenbouwkundig inspecteur omwille van het ontbreken van een certificaat, (t)erwijl de bestendige deputatie als in beroep vergunningverlenende overheid heeft beslist de regularisatieaanvraag inhoudelijk te mogen beoordelen (en weigeren) zonder de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur aangaande het al dan niet verlenen van een certificaat af te wachten, hetgeen een procedurefout uitmaakt"; dat zij dit middel als volgt toelicht : "In casu had het college van burgemeester en schepenen een negatieve beslissing genomen over de regularisatieaanvraag zonder dat de vergelijkprocedure met de stedenbouwkundige inspecteur werd doorlopen. De Stad Sint-Niklaas heeft geen stappen ondernomen in de richting van de stedenbouwkundig inspecteur. De bestendige deputatie diende dan ook over te gaan tot de doorverwijzing van het regularisatiedossier naar de stedenbouwkundig inspecteur, die vooreerst diende na te gaan of een vergelijk al dan niet mogelijk is. Indien de stedenbouwkundige inspecteur een vergelijk mogelijk acht, dient de bestendige deputatie hem te verzoeken om haar een afschrift van het certificaat te bezorgen. Pas daarna kan de Deputatie oordelen over het regularisatiedossier en de vergunning verlenen of weigeren. Indien de stedenbouwkundige inspecteur een vergelijk niet mogelijk acht, dient de bestendige deputatie te besluiten tot weigering van de afgifte van een regularisatievergunning op basis van de weigering van vergelijk door de stedenbouwkundige inspecteur. In geen geval mocht de bestendige deputatie dus over de regularisatieaanvraag inhoudelijk beslissen zonder het oordeel van de stedenbouwkundige inspecteur (voorstel tot vergelijk of weigering van vergelijk) af te wachten. Dat de Deputatie uiteindelijk beslist en de aanvraag alsnog om inhoudelijke redenen mag weigeren (ook al oordeelde de inspecteur dat een vergelijk mogelijk is) is juist, maar enkel in het geval de stedenbouwkundige inspecteur voordien oordeelde over het al dan niet mogelijk zijn van een vergelijk. In casu ligt noch een voorstel tot vergelijk, noch een weigering van vergelijk voor. De Deputatie kon dan ook niet wettelijk oordelen dat het 'wederrechtelijk reklamebord ( ... ) op basis van artikel 158 § 1 van het vermelde decreet van 18 mei 1999 tot de niet-regulariseerbare bouwmisdrijven behoort' en het 'bijgevolg niet voor een regularisatievergunning in aanmerking komt'. Het decreet dd. 18.5.1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd door de decreten van 28 september 1999, 26 april 2000, 8 december X-10.871-3/7 2000 en 13 juli 2001 voorziet nergens dat van de procedure mag afgeweken worden naargelang de aard van de motivering die aan de basis ligt van de weigeringsbeslissing. Het besluit dd. 17 januari 2002 van de bestendige deputatie schendt dan ook artikelen 158 en 159 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening."; Overwegende dat de verwerende partij hier in essentie op antwoordt wat volgt : "Artikel 158 en 159 DORO, inmiddels gewijzigd bij decreet van 8 maart 2002 (BS 23 maart 2002), behandelt de mogelijkheid tot regularisatie van bouwmisdrijven. Deze regeling kenmerkte zich vóór voormelde decreetswijziging, door een koppeling tussen de vergelijkprocedure enerzijds en de vergunningprocedure anderzijds. Dit impliceerde dat geen regularisatievergunning kon worden afgegeven vooraleer de stedenbouwkundige inspecteur met de overtreder een vergelijk had getroffen. Artikelen 158 en 159 DORO bevatten echter geen uitdrukkelijke bepaling waardoor de vergunningverlenende overheid verplicht werd het dossier eerst door te sturen naar de stedenbouwkundige inspecteur, wanneer zij van oordeel was dat de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking kwam. Artikel 158 DORO bepaalde wel dat de stedenbouwkundige inspecteur slechts een vergelijk kon treffen met toestemming van de vergunningverlenende overheid. Dit betekende dat indien de overheid haar toestemming niet verleende om een vergelijk te treffen -omdat de vergunning zou geweigerd worden, zoals hier in casu-, de stedenbouwkundige inspecteur geen vergelijk kon treffen. Het lijkt dan ook een contradictio in terminis om in geval van vergunningsweigering, de stedenbouwkundige inspecteur toch nog aan te spreken met het oog op het bekomen van een vergelijk waardoor de strafvordering en het recht van de overheid om enig herstel te vorderen, zou komen te vervallen. Bovendien vermeldde artikel 159 § 1 DORO dat in geval van regularisatie de vergunning werd verleend 'volgens de vergunningsprocedure van dit decreet'. Er kon dan ook nergens sprake zijn van een afzonderlijke procedure voor een regularisatievergunning. De bestreden beslissing kon de artikelen 158 en 159 DORO, zoals die in voege waren vóór de decreetswijziging van 8 maart 2002, dan ook niet hebben geschonden. (...)"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert als volgt : "De procedure door de tegenpartij gevolgd is in strijd met de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18.5.1999 en met de terzake geldende richtlijnen die door alle deputaties worden nageleefd (bijlage : 'Informatie betreffende de procedure bij negatieve beslissingen van het college van burgemeester en schepenen inzake regularisatieaanvragen en de hierop betrekking hebbende beroepen bij de bestendige deputatie'). X-10.871-4/7 Indien de vergelijkprocedure met de stedenbouwkundig inspecteur nog niet werd doorlopen op gemeentelijk niveau, diende de Deputatie te handelen conform richtlijn B : 'De bestendige deputatie gaat over tot doorverwijzing van het regularisatiedossier naar de stedenbouwkundig inspecteur en licht de aanvrager hierover in. De stedenbouwkundig inspecteur, die het dossier krijgt toegezonden, gaat na of een vergelijk mogelijk is.' Pas na deze tussenkomst van de stedenbouwkundig inspecteur kan de deputatie : - ingeval de inspecteur oordeelt dat een vergelijk mogelijk is, de vergunning weigeren (B. 1.1) of verlenen (B. 1.2). - ingeval de inspecteur oordeelt dat geen vergelijk mogelijk is, de vergunning weigeren (B.2.) Telkens is evenwel de voorafgaande tussenkomst van de stedenbouwkundig inspecteur vereist"; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie enkel verwijst naar haar uiteenzetting in de memorie van antwoord; Overwegende dat artikel 158 D.R.O., zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van het thans bestreden besluit, bepaalde wat volgt : "§
- Bestaat het in artikel 146 bedoelde misdrijf niet in het uitvoeren van werken of het verrichten of voortzetten van handelingen of wijzigingen die een inbreuk plegen op de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg of op de uitvoering van de krachtens dit decreet vastgestelde verordeningen of op de voorschriften van een verkavelingsvergunning, en komen die werken, handelingen en wijzigingen in aanmerking voor de afgifte van de vereiste vergunning, dan kan de stedenbouwkundige inspecteur, met toestemming van de vergunningverlenende overheid, een vergelijk treffen met de overtreder op voorwaarde dat hij een geldsom betaalt, hierna transactiesom te noemen, en een regularisatievergunning aanvraagt. De regularisatievergunning moet worden aangevraagd binnen een termijn van zes maanden na het voorstel van vergelijk. Het vergelijk wordt slechts definitief indien de overtreder de regularisatievergunning, bedoeld in artikel 159, heeft verkregen en de transactiesom heeft betaald. Door het definitief geworden vergelijk vervallen de strafvordering en het recht van de overheid om herstel te vorderen. §
- De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de transactiesom, alsook de wijze en de modaliteiten van betaling van de transactiesom. De rekenplichtige van het grondfonds geeft van de betaling onmiddellijk kennis aan de stedenbouwkundige inspecteur. Deze ambtenaar stelt vervolgens, op voorwaarde dat de regularisatievergunning werd aangevraagd en kan worden verleend zoals bepaald in § 1, een certificaat op waarin de betaling van de transactiesom en de aanvraag van de regularisatievergunning bevestigd worden en bezorgt dit certificaat aan de overtreder, de vergunningverlenende overheid en de procureur des Konings. De stedenbouwkundige inspecteur licht hen ook onmiddellijke in over de weigering van het vergelijk of het verstrijken van de in § 1 bedoelde termijn. Een afschrift van het certificaat wordt eveneens bezorgd aan de hypotheekbewaarder, bedoeld in artikel 160"; X-10.871-5/7 Overwegende dat artikel 159 D.R.O., zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van het thans bestreden besluit, luidde als volgt : "In de gevallen bedoeld in artikel 158, § 1, kan een vergunning worden verleend volgens de vergunningsprocedure van dit decreet. Deze regularisatievergunning kan echter slechts worden verleend na de opstelling van het certificaat, bedoeld in artikel 158, §
- Indien de vergunning niet wordt verleend, wordt de transactiesom onmiddellijk terugbetaald. De lasten en voorwaarden die kunnen opgelegd worden in het kader van de vergunning zijn ook hier van toepassing."; Overwegende dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. niet bepalen dat de bestendige deputatie de procedure tot vergelijk moet doorlopen en derhalve de beslissing ter zake van de stedenbouwkundige inspecteur moet afwachten alvorens in beroep te beslissen een aanvraag tot regularisatievergunning niet in te willigen; dat het middel in rechte faalt; dat wat de in de memorie van wederantwoord aangevoerde schending van de ter zake geldende "richtlijn" betreft, de verzoekende partij deze schending niet voor de eerste maal op ontvankelijke wijze in haar memorie van wederantwoord kan aanvoeren, ongeacht de vraag of deze "richtlijn" wel verordenende kracht heeft en vermag in te gaan tegen de hiervoor aangehaalde decretale bepalingen; dat het enig middel niet gegrond is; dat de verwerende partij terecht opwerpt dat de verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoekende partij reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.871-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.871-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.928 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.