← België

Arrest 132938 - - 23/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.938 Rolnummer: A. 152931/XIV-19910 Zaak: Arrest 132938 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:25 Fiche Arrest nr 132.938 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.938 van 23 juni 2004 in de zaak A. 152.931/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. DEMEYERE, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 21 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, alsook van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2004 tot het vasthouden in een welbepaalde plaats; Gelet op de beschikking van 22 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op het administratief dossier; Gelet op de beschikking van 22 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DEMEYERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.910-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoekster, van K. origine, verblijft sinds 1990 met haar ouders en familie in Duitsland. Blijkens de gegevens van het administratief dossier zou zij er tweemaal asiel hebben aangevraagd. 1.
  4. Op 6 januari 2004 begeeft verzoekster zich naar België en vraagt er op 13 januari 2004 asiel aan. 1.
  5. Op 16 februari 2004 wordt verzoekster in verband met haar asielaan- vraag door de Dienst Vreemdelingenzaken gehoord. 1.
  6. Op 12 maart 2004 verzoekt België Duitsland om verzoeksters asielaanvraag over te nemen overeenkomstig artikel 16, 1, (c), van de Europese Verordening 343/2003 van 18 februari
  7. Duitsland stemt toe op 11 mei
  8. 1.
  9. Op 16 juni 2004 wordt aan verzoekster een beslissing tot weigering van verblijf afgegeven, met bevel om het grondgebied te verlaten. De bestreden beslissing luidt als volgt: “België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Duitse autoriteiten toekomt, met toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 9.4 van de Europese Verordening (EG) 343/
  10. Betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning afgeleverd door de Duitse autoriteiten en de Duitse overheid heeft op datum van 12.05.2004 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemde persoon. Betrokkene verklaart naar België te zijn gekomen uit vrees voor uitzetting, maar heeft voorts geen specifieke elementen aangehaald waarom haar asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene heeft geen elementen aangehaald waaruit kan blijken dat een eventuele repatriëring door de Duitse autoriteiten zou ingaan tegen de bepalingen van art. 3 EVRM. Bijgevolg zal de bovengenoemde onder escorte worden overgedragen aan de bevoegde Duitse autoriteiten.”; XIV-19.910-2/4
  11. Over het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 2.
  12. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  13. Overwegende dat, wat de derde schorsingsvoorwaarde betreft, verzoekster het volgende doet gelden: “Betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de uiterst dringende noodzakelijk- heid De uitvoering van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken zou een moeilijk te herstellen ernstig nadeel toebrengen aan Verzoekster. Zoals verder onder het eerste middel uiteengezet, zou de repatriëring naar Duitsland (en vervolgens naar K.) een einde maken aan de relatie van Verzoekster en de heer V. Er zijn immers gegronde vermoedens dat een terugkeer naar Duitsland de facto een terugkeer naar K. inhoudt. De Belgische Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen, gaat voor het ogenblik niet meer over tot effectieve repatriëring naar K., aangezien de UNHCR (de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties) het advies heeft gegeven om geen Roma zigeuners meer terug te sturen naar K. (stuk 9). Uit telefonisch overleg met de Duitse Vluchtelingenorganisatie Pro Asyl en andere vluchtelingenorganisaties blijkt dat Duitsland deze mensen in principe wél nog steeds terugstuurt. Dit vermoeden wordt bewezen door het feit dat de ouders van Verzoekster in December 2003 na 13 jaar verblijf in Duitsland van de ene dag op de andere plots terug naar K. zijn gestuurd. De bestreden beslissing werd genomen op 16 juni
  14. Verzoekster heeft onmiddellijk om de aanstelling van een raadsman gevraagd. Deze aanstelling is pas op 18 juni gebeurd. Pas op 21 juni heeft de raadsman kennis kunnen nemen van de ernst van de feiten. De raadsman heeft ook onmiddellijk contact opgenomen met de heer XXX. Uit contactname met het Repatriëringscentrum 127bis en de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat een overdracht aan de Duitse autoriteiten voorzien was op 22 juni (om 9.00u). Uit een fax op 21 juni door het Repatriëringscentrum 127bis gericht aan de raadsman van Verzoekster, blijkt dat de grensleiding is uitgesteld tot 29 juni 2004 (om 11.00u.). Deze elementen tonen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de uiterst dringende noodzakelijkheid aan.”; 2.
  15. Overwegende dat de artikelen 48 en volgende van de Vreemdelingenwet de Minister van Binnenlandse Zaken niet toestaan om in het kader van een asielprocedure aan verzoekster een verblijfsrecht toe te kennen op grond van haar voornemen om te huwen met een Belg; dat de thans bestreden beslissing geenszins verhindert dat verzoekster alsnog een verblijfsrecht op grond van haar huwelijk aanvraagt; dat verzoekster geen enkel gegeven aanbrengt waaruit blijkt dat dit niet mogelijk is, noch dat zij niet in Duitsland of zelfs in K. zou kunnen huwen; dat verzoekster derhalve niet aantoont dat de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; XIV-19.910-3/4
  16. Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  17. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.910-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.