← België

Arrest 132939 - - 23/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.939 Rolnummer: A. 152920/XIV-19906 Zaak: Arrest 132939 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-28 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:25 Fiche Arrest nr 132.939 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.939 van 23 juni 2004 in de zaak A. 152.920/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. LUZOLO-KUMBU, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Jourdanstaat 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Roemeense nationaliteit, op 21 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juni 2004, houdende een beslissing tot terugdrijving met beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats; Gelet op de beschikking van 21 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaten G. LUZOLO-KUMBU en V. GUL, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-19.906-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak.
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Verzoeker komt op 18 juni 2004 op de luchthaven te Zaventem aan, met een vlucht komende vanuit Boekarest. 1.
  5. Naar aanleiding van de grenscontrole wordt er een beslissing tot terugdrijving aan grens genomen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Artikel 3, eerste lid, 5/: staat ter fine van weigering van toegang gesignaleerd in de Staten die partij zijn bij de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, ondertekend op 19 juni 1990, hetzij omdat zijn aanwezigheid een gevaar uitmaakt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, hetzij omdat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een verwijderingsmaatregel die noch ingetrokken noch opgeschort werd en die een verbod van toegang behelst wegens overtreding van de nationale bepalingen inzake de binnenkomst of het verblijf van de vreemdelingen; Betrokkene staat SIS- geseind onder het nr/ P011202793309";
  6. Over het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 2.
  7. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  8. Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij het volgende aanvoert: “Attendu que, au vu des risques encourus en cas de rapatriement forcé, l’exécution de la décision risquerait de provoquer un préjudice irréparable tant par rapport à sa liberté qu’à sa sûreté (voir arrêts de votre juridiction 121.794 du 18.07.2003 et 122.013 du 04.08.2003). Qu’elle sera immanquablement privée de passeport et perdra tout droit de circuler librement même en dehors de l’espace Schengen. Que si la requérante ne peut plus accéder au territoire Schengen cette décision, si elle n’était pas suspendue, l’obligerait à ne plus quitter la Roumanie pour une période de trois ans/ Qu’elle sera également condamnée au paiement d’amendes pénales non justifiées (Voir loi roumaine pièces). Que partant, le risque d’un préjudice difficilement réparable existe en son chef”; XIV-19.906-2/4 2.1.
  9. Overwegende dat, wat verzoekers vrijheid en veiligheid betreft, verzoeker nergens preciseert op welke wijze zijn persoonlijke veiligheid en vrijheid in het gedrang zou komen bij een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat wat betreft de sancties die verzoeker ingevolge de Roemeense wetgeving dreigt te ondergaan bij een gedwongen repatriëring naar Roemenië, meer bepaald het feit dat de Roemeense overheid hem gedurende een periode van drie jaar geen paspoort meer zal afleveren en het risico op geldboetes, verzoeker niet aantoont dat deze maatregelen hem dermate treffen dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt dat niet kan worden rechtgezet door een gebeurlijke latere nietigverklaring; dat een loutere verwijzing naar het bestaan van administratieve sancties naar Roemeens recht bij een verwijderingsmaatregel in het kader van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst, niet volstaat om een risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vast te stellen in hoofde van verzoeker; dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dan ook niet is aangetoond;
  10. Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.906-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.906-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.