← België

Arrest 132949 - - 24/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.949 Rolnummer: A. 130391/XII-3714 Zaak: Arrest 132949 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-07 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:26 Fiche Arrest nr 132.949 van 24 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.949 van 24 juni 2004 in de zaak A. 130.391/XII-

  1. In zake : Frans ALLARD, wonende te Tienen, Breisemstraat 82 tegen : SCHOLENGROEP 10, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3 Bus
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans Allard op 11 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Raad van Bestuur van Scholengroep 10 om zijn kandidatuur voor de toelating tot de proeftijd in het ambt van Directeur CVO Mechelen-Vilvoorde-Zaventem niet te weerhouden”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3714-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories en het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 24 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker zich naar aanleiding van een oproep van 9 september 2002 voor toelating tot de proeftijd in het ambt van directeur en in dat van adjunct-directeur aan het C.V.O. Mechelen-Vilvoorde- Zaventem kandidaat stelt voor beide betrekkingen; dat hij de enige kandidaat is voor het ambt van directeur; Overwegende dat uit het op 21 maart 2000 door de raad van bestuur goedgekeurde schema van de toetsingscriteria voor het ambt van directeur blijkt dat de “beoordeling op basis van ingediend dossier” en het interview door de beoordelingscommissie beide op 50 punten worden gequoteerd; dat de beoordelingscommissie blijkens de “toetsingsfiche” aan verzoeker 21/50 punten XII-3714-2/9 toekent voor “quotering ingediende dossier” en 15/50 punten voor het “door de commissie afgenomen interview”; Overwegende dat de raad van bestuur op 9 oktober 2002 “op voorstel van de commissie” en “onder voorbehoud van het advies van de schoolraad” beslist om verzoeker niet toe te laten tot de proeftijd in het ambt van directeur CVO MEVIZA; dat de schoolraad zich op 26 oktober 2002 bij het advies van de commissie aansluit; Overwegende dat de algemeen directeur van Scholengroep 10 verzoeker bij aangetekende brief van 11 oktober 2002 de bestreden beslissing meedeelt in de volgende bewoordingen : “Op basis van uw ingediend dossier en het van u afgenomen interview op 07.10.02 heeft de commissie samengesteld volgens beslissing SGR10/2001/033 u een quotatie gegeven van minder dan 60%. Volgens de toetsingscriteria met het oog op de rangschikking, dient u om aan het profiel te beantwoorden minimum 60% van het maximaal aantal te behalen punten te behalen (zie punt
  3. Algemeen - 4de alinea). De RVB heeft in vergadering van 08.10.02 in beslissing SGR10/021007/099 het advies van de commissie gevolgd”; Over de gegrondheid. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel een schending aanvoert van artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; dat hij stelt dat ingevolge deze bepaling een representatieve vakorganisatie onder meer het recht heeft om zich door een afgevaardigde te laten vertegenwoordigen in de examencommissie van elk vergelijkend examen, van elke proef of van elk examen georganiseerd voor de personeelsleden die ze vertegenwoordigt, dat voornoemd artikel van toepassing is op het interview dat door de commissie van hem werd afgenomen en dat verwerende partij zich systematisch verzet om de representatieve vakorganisaties XII-3714-3/9 als waarnemer bij deze interviews toe te laten; dat verzoeker de schending van de aangevoerde bepaling situeert als volgt : “Door de weigering van syndicale waarnemers kwam verzoekers waarborg op een eerlijk verloop van de selectieproef te vervallen en werd hij in zijn belangen geschaad. In dit verband is het nuttig op te merken dat verzoeker voor het ambt van directeur de enige kandidaat was en voldeed aan alle decretale voorwaarden, dus ook in het bezit was van de vereiste akte van bekwaamheid die op zich reeds een bewijs inhoudt voor verzoekers geschiktheid voor het ambt van directeur. De thans bestreden beslissing is dus zeker niet voor de hand liggend! Hierbij komt nog dat de commissie blijk geeft van een zekere vooringenomenheid en een compleet gebrek aan respect voor verzoeker zoals moge blijken uit volgende passage uit de notulen : 'Alhoewel er bij de toekenning van de quoteringen hiermee geen rekening gehouden werd wenst de commissie de RVB toch te melden dat in vergelijking met het reeds desastreuze optreden bij een vorige gelegenheid voor dezelfde commissie (F. Allard was kandidaat directeur KTA Vilvoorde in juni jongstleden) F. Allard daar niets uit geleerd heeft. Integendeel zijn optreden was nog veel zieliger en zoals reeds aangegeven een (kandidaat) directeur onwaardig.' Verzoeker had dus alle belang bij de aanwezigheid van syndicale waarnemers. Nu deze niet werden toegelaten dient de selectieproef als zijnde onwettig, want in strijd met artikel 14 van het KB van 28 september 1984, te worden beschouwd.”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de in het middel aangevoerde bepaling betrekking heeft op vergelijkende examens, dat het door verzoeker aangehaalde artikel niet van toepassing is op het interview en dat de bewering dat er in hoofde van de commissie sprake is van vooringenomenheid en een gebrek aan respect nergens wordt gestaafd; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord uitvoerig argumenteert dat het interview wel degelijk een examen is in de zin van de aangevoerde bepaling; dat hij voorts aanvoert dat het gebrek aan respect en bijgevolg de vooringenomenheid blijkt uit de bewoordingen van de reeds in het inleidend verzoekschrift geciteerde passage van de toetsingsfiche; XII-3714-4/9 Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie uiteenzet dat hij “wel degelijk belang heeft bij de inroeping van het eerste middel” aangezien, niettegenstaande artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 een prerogatief toekent aan de representatieve vakorganisatie, een kandidaat benadeeld zal zijn indien een afgevaardigde wordt geweigerd een examen bij te wonen aangezien het uitoefenen van de prerogatieven van de vakbonden ook dient om de werknemers te beschermen, dat naar analogie een persoon waaraan een tuchtsanctie wordt opgelegd het recht heeft zich te laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde, dat dit recht eveneens een prerogatief van de vakbond is, dat hem het recht op een eerlijk verloop van de selectieproef werd ontnomen waaruit “automatisch” volgt dat hij schade heeft geleden, dat niemand kan bevestigen dat er tijdens de selectieproef zaken zijn fout gelopen, dat een afgevaardigde van de vakorganisatie toezicht had kunnen uitoefenen op het verloop van het examen en ter zake opmerkingen had kunnen maken; Overwegende dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel luidt : “Iedere representatieve vakorganisatie heeft het recht om zich door een afgevaardigde te laten vertegenwoordigen in de examencommissie van elk examen of vergelijkend examen voor werving van personeelsleden, alsook in de examencommissie van elk vergelijkend examen, van elke proef of van elk examen georganiseerd voor de personeelsleden dat ze vertegenwoordigt. De afgevaardigde moet zich onthouden van iedere bemoeiing met het normaal verloop van het vergelijkend examen, van de proef of van het examen, en mag niet deelnemen aan de beraadslaging van de examen-commissie. Hij mag geen kennis nemen van de notulen van de verrichtingen, noch een afschrift ervan ontvangen. Hij mag evenwel zijn opmerkingen over het verloop van het vergelijkend examen, van het examen of de proef doen aantekenen in een bijlage bij de notulen”; Overwegende dat de door verzoeker in zijn eerste middel aangevoerde bepaling een prerogatief verleent aan iedere representatieve vakorganisatie en niet rechtstreeks aan de deelnemers van een proef of examen; dat de in de laatste memorie gemaakte vergelijking met het recht van een XII-3714-5/9 personeelslid om zich door een vakbondsafgevaardigde te laten bijstaan tijdens een tuchtprocedure niet opgaat; dat immers laatstgenoemd recht op bijstand uitdrukkelijk wordt toegekend aan het personeelslid in zijn rechtspositieregeling; dat een afgevaardigde van een vakorganisatie niet op eigen initiatief doch slechts wanneer het betrokken personeelslid er zelf om verzoekt bedoelde bijstand mag verlenen; dat te dezen geen bepaling wordt aangevoerd of zelfs maar bekend is welke aan een personeelslid het recht op bijstand van een afgevaardigde van een vakorganisatie verleent ter gelegenheid van examens waaraan hij deelneemt; dat luidens artikel 14 van het meervermelde koninklijk besluit van 28 september 1984 voorts een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie bij een examen of proef louter aanwezig mag zijn; dat zijn inbreng zich beperkt tot het laten opnemen van eventuele opmerkingen over het verloop van de proef of het examen in een bijlage bij de notulen; dat de afgevaardigde aan de eigenlijke beraadslaging van de commissie niet mag deelnemen en zelfs geen kennis mag nemen van de notulen; dat hieruit volgt dat hij geen opmerkingen kan maken met betrekking tot het verloop van de beraadslaging en de notulering ervan; dat verzoekers enige kritiek op het interview juist betrekking heeft op de door hem geciteerde passage van de toetsingsfiche, nu hij voor het overige het verloop ervan en hetgeen daarover is genoteerd niet aanvecht; dat een waarnemer door zijn aanwezigheid het vermelden van die passage niet had kunnen verhinderen noch er een opmerking over had kunnen doen aantekenen; dat verzoeker daarnaast geen concrete redenen aanvoert op grond waarvan, door de afwezigheid van de vakbondsafgevaardigde, zou kunnen worden getwijfeld aan het regelmatige verloop van het interview en de onpartijdigheid van de jury; dat aldus het bijwonen van het interview door een vakbondsafgevaardigde niet op zijn grieven kan worden betrokken, gesteld dat bedoeld artikel 14 op het interview van toepassing is; dat het middel niet wordt aangenomen; XII-3714-6/9 Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de schending van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheids-beginsel; dat hij stelt dat het advies van de commissie niet deugdelijk is gemotiveerd aangezien geen afzonderlijke proeven werden afgenomen voor de twee ambten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld, dat, hoewel aparte notulen werden opgesteld, de passage ervan die betrekking heeft op zijn antwoorden in beide documenten dezelfde is, dat de toetsingsfiche geldt voor beide betrekkingen, dat een dergelijke handelwijze niet getuigt van zorgvuldigheid aangezien het twee specifieke, duidelijk onderscheiden ambten betreft en dat de bestreden beslissing, door te steunen op het advies van de commissie, eveneens de materiële motiveringsplicht schendt; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat de raad van bestuur van oordeel is dat het profiel van adjunct-directeur hetzelfde is als dat van directeur aangezien de adjunct-directeur de facto directeur is in één van de vestigingsplaatsen van het CVO en hij bij delegatie alle taken van directeur uitoefent, dat bijgevolg voor beide betrekkingen dezelfde proef en hetzelfde interview werden georganiseerd zodat de aparte notulen dezelfde inhoud hebben, dat het verslag van de commissie en de toetsingsfiches duidelijk en in detail aantonen op welke motieven de commissie zich heeft gebaseerd om tot haar beslissing te komen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat het ambt van adjunct-directeur te onderscheiden is van dat van directeur vermits eerstgenoemd ambt een selectieambt is en laatstgenoemd ambt een bevorderingsambt, de weddeschalen van beide ambten verschillend zijn en het loon niet hetzelfde is, dat het bijgevolg om twee verschillende functies met een onderscheiden functieprofiel gaat zodat afzonderlijke proeven dienden te worden georganiseerd; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie geen nieuwe elementen aanvoert; XII-3714-7/9 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie aan de hand van een voorbeeld uiteenzet dat verschillende weddeschalen niet altijd wijzen op een andere functie; Overwegende dat verzoeker in voorliggend beroep enkel de weigering hem toe te laten tot de proeftijd in het ambt van directeur bestrijdt; dat derhalve zijn kritiek op de motivering zich dient te beperken tot de over hem gegeven beoordeling voor het ambt van directeur; dat de aangevoerde onwettig- heid volgens hem enkel schuilt in het feit dat er, niettegenstaande hij zich voor twee ambten kandidaat stelde, slechts één interview werd afgenomen; dat hij niet aantoont waarom het rechtens niet aanvaardbaar is dat voor het ambt van directeur niet dezelfde vragen zouden kunnen worden gesteld als voor het ambt van adjunct-directeur en hij er daarenboven als enige kandidaat geen belang bij heeft aan te voeren dat de vragen die werden gesteld aan de kandidaat-directeur mogelijk te eenvoudig waren; dat verzoeker met betrekking tot de door hem bestreden beslissing niet wordt geschaad door het feit dat hem voor de toelating tot de proeftijd in het ambt van directeur geen andere vragen werden gesteld dan voor de toelating tot de proeftijd in het ambt van adjunct-directeur; dat het middel, zoals het is aangevoerd, niet tot nietigverklaring kan leiden, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. XII-3714-8/9 Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3714-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.