id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.950 Rolnummer: A. 123618/XII-3590 Zaak: Arrest 132950 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-07 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:26 Fiche Arrest nr 132.950 van 24 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.950 van 24 juni 2004 in de zaak A. 123.618/XII-3590. In zake : An DEVOS, die woonplaats kiest bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein 34 tegen : de STAD ROESELARE, die woonplaats kiest bij advocaat S. Ronse, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat An Devos op 8 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1. De beslissing van 17.12.2001 van de gemeenteraad van de stad Roeselare waarbij aan verzoekster in haar functie van tijdelijk leraar deeltijds kunst- onderwijs aan de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord te Roeselare ontslag wordt toegekend 'rekening houdend met een opzeg- gingstermijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de 3de werkdag na de verzenddatum' 2. De beslissing van 29.04.2002 van de gemeenteraad van de stad Roeselare waarbij, na een niet-bindend negatief advies dd. 13.03.2002 met betrekking tot bovenvermeld ontslag uitgebracht door de Kamer van Beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs, wordt beslist als volgt : 'Enig artikel : Het gegeven ontslag wordt bevestigd overeenkomstig artikel 24, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding'”; Gelet op het arrest nr. 113.615 van 12 december 2002 waarbij de schorsing wordt bevolen van de tenuitvoerlegging van bovengenoemd besluit van 29 april 2002, de vordering tot schorsing voor het overige wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; XII-3590-1/12 Gezien het verzoek van de verwerende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van het beroep de volgende zijn : Verzoekster is tijdens het schooljaar 2000-2001 tijdelijk aangesteld als lerares deeltijds kunstonderwijs aan de stedelijke academie voor muziek en woord “A. Willaert” van de stad Roeselare. XII-3590-2/12 Op 29 juni 2001 redigeert de directeur van de academie een “verslag over de wijze waarop het tijdelijk aangesteld personeelslid zijn opdracht heeft vervuld”, zoals dit is voorgeschreven door een besluit van 6 juli 1992 van de gemeenteraad van Roeselare met betrekking tot de beoordelingsregeling voor het tijdelijk aangesteld personeel. Het advies van de directeur luidt: “De betrokkene heeft mij geen voldoening gegeven en ik stel voor het personeelslid te ontslaan”. Bij raadsbesluit van 10 september 2001 beslist de gemeenteraad van Roeselare dat het voorstel tot ontslag niet wordt aangenomen. Ondertussen heeft verzoekster zich kandidaat gesteld voor vaste benoeming op 1 januari 2002. Op 29 november 2001 redigeert de directeur van de academie het eveneens in de beoordelingsregeling van 6 juli 1992 voorgeschreven “verslag over de wijze van dienen”, dat moet worden opgesteld bij het voorstel tot vaste benoeming of weigering ervan. Hij schrijft vooreerst : “Wat betreft de criteria die verband houden met het pedagogische en didactische luik van het verslag verwijs ik naar mijn evaluatie d.d. 29.06.01.”. Het verdere verslag handelt dan over gedragingen van verzoekster die naar het oordeel van de directeur “zowel het reglement van inwendige orde, het Gemeente- raadsbesluit d.d. 4.7.2000, als het decreet rechtspositie op een zeer ernstige manier heeft overtreden”, “geen blijk geeft van enige loyauteit t.o.v. de directie en de Inrichtende Macht” en “zich schuldig maakt aan het verspreiden van laster en leugens”. De directeur stelt voor verzoekster te ontslaan. Bij raadsbesluit van 17 december 2001 wordt aan verzoekster “ontslag toegekend” met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen, op grond van de volgende overwegingen : “Mevr. An Devos vervult op heden de voorwaarden om vast benoemd te worden. [...] De gemeenteraad ging toen [op 10 september 2001] niet over tot het ontslag. In casu gaat het hier echter niet over een al dan niet verdere tijdelijke aanstelling maar wel over het al dan niet vast benoemen. Ook hier moet de directeur [...] een evaluatierapport opmaken. Dit rapport is voor betrokkene negatief en met voorstel het personeelslid te ontslaan. [...] XII-3590-3/12 Een objectieve analyse van enerzijds het evaluatierapport en anderzijds het bezwaarschrift leert het volgende: * [...] * In haar bezwaarschrift repliceert betrokkene op de e-mail dd. 14.10.2001, zoals ook aangehaald in het evaluatierapport. Zij stelt dat het 'duidelijk was dat de bijlage opgesteld was door gemeenteraadsleden en voor gemeenteraadsleden ...' en dat 'het ook duidelijk is dat het niet wenselijk was dat de gemeenteraadsleden op de hoogte werden gebracht van het bestaan en de inhoud van een dergelijk dossier.' Wat betrokkene daarmee bedoelt is onduidelijk en verrassend. Wat wel duidelijk is, is : - dat betreffende e-mail door haar verstuurd werd op 14.10.2001. - naar twintig gemeenteraadsleden - met volgende inhoud :
- a)'proefles', met vermelding van namen van bepaalde leerkrachten.
- b)'lestijdenbeheer' met weerom vermelding van namen van bepaalde leerkrachten en bepaalde aantijgingen ten aanzien van de directeur.
- c)'dossier An Devos' met weerom zware aantijgingen ten aanzien van de directeur en het college van burgemeester en schepenen en met vermelding van namen van leerkrachten en leerlingen.
- d)'V[...] (moeder van Jacob)' waarin betrokkene in extenso een gesprek weergeeft van mevr. V[...] en de directeur. Het is duidelijk dat, nog onafgezien van de correctheid van de inhoud, het onduldbaar is dat een ambtenaar (leerkracht) op dergelijke wijze ten aanzien van de directeur, een schepen en het college van burgemeester en schepenen bepaalde zware aantijgingen naar buiten brengt. Dit is een ernstige schending van de bepalingen, opgenomen in het decreet rechtspositie, het reglement van orde van de academie en de deontologische plichten van de ambtenaar. Het formuleren van bezwaar of opmerkingen moet gebeuren rechtstreeks naar de Inrichtende Macht waarbij de ambtenaar in kwestie de beroepsplicht van discretie, gereserveerdheid en terughoudendheid moet in acht nemen. In haar bezwaarschrift bevestigt betrokkene daarenboven zelf dat 'enkele leerkrachten inderdaad een dossier ontvangen hebben', zoals de directeur ook in het evaluatierapport stelt. Het spreekt voor zich dat dit op basis van de zojuist gestelde regelingen en plichtenleer ontoelaatbaar is. Uit dit alles moet besloten worden dat hetgeen door de directie gesteld wordt in zijn evaluatierapport klopt. In casu gaat het hier over het overtreden van fundamentele wettelijke regelingen terzake en van door de gemeenteraad goedgestemde beslissingen. Betrokkene overtrad essentiële deontologische regels als ambtenaar (leerkracht)”. Verzoekster tekent op 24 december 2001 bezwaar aan bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs. De kamer van beroep adviseert op 13 maart 2002 : “Overwegende dat in de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de pedagogisch-didactische motieven die worden aangehaald om het ontslag te verantwoorden, dezelfde zijn als degene die aanleiding hebben gegeven tot het voorstel van de directie d.d. 29 juni 2001 om mevrouw An Devos te ontslaan en dat door de gemeenteraad in zitting van 10 september 2001 niet werd aangeno- XII-3590-4/12 men; dat de Kamer van Beroep van oordeel is dat de aangehaalde minpunten onvoldoende zijn om het ontslag te rechtvaardigen; Overwegende dat vervolgens uit het dossier en de motivering van de ontslagbeslissing blijkt dat de beweerde inbreuken op een aantal reglementaire bepalingen en op de plichtenleer, een doorslaggevende rol hebben gespeeld om de ontslagbeslissing te verantwoorden; dat, alhoewel inbreuken op reglementen van inwendig bestuur en/of op de deontologie, voor een inrichtende macht een voldoende reden kunnen zijn om een einde te stellen aan de tijdelijke tewerkstel- ling van een personeelslid, in elk concreet geval moet worden onderzocht of de beweerde inbreuken voldoende ernstig zijn om een dergelijke zwaarwichtige beslissing te rechtvaardigen; Overwegende dat in het voorliggend geval sommige handelingen van mevrouw An Devos niet in overeenstemming zijn met hetgeen de inrichtende macht van een leerkracht mag verwachten; dat dit o.m. het geval is voor het verzenden van een e-mailbericht aan een aantal gemeenteraadsleden; dat de Kamer van Beroep hierbij echter rekening houdt met het feit dat de betrokkene sedert september 1997 in dienst was van de inrichtende macht en daardoor in januari 2002 in aanmerking kwam voor een benoeming in vast verband; dat door het ontslag in december 2001 een einde werd gesteld aan de normale verwach- ting van een vaste benoeming; dat de handelingen van de betrokkene vanuit die vrees moeten worden beoordeeld en een verschoningsgrond kunnen zijn voor haar gedragingen; dat om die redenen de Kamer van Beroep van oordeel is dat de aangehaalde inbreuken, afzonderlijk en in samenhang genomen, niet van die zwaarwichtige aard zijn dat zij een ontslag kunnen verantwoorden”; [...] Het ontslag met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen, dat mevrouw An DEVOS werd betekend met een ter post aangetekende brief d.d. 20 december 2001, voldoet niet aan de bepalingen van artikel 24 van het decreet van 27 maart 1991”. De gemeenteraad van Roeselare beslist op 29 april 2002 om het aan verzoekster gegeven ontslag te bevestigen op grond van de volgende motieven : “Met beslissing van 17 december 2001 kende de gemeenteraad ontslag toe aan mevrouw An Devos in haar functie van tijdelijk lerares deeltijds kunston- derwijs aan de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord te Roeselare. Zowel de gemeenteraadsbeslissing van 17 december 2001 als de ontslagbrief van 20 december 2001 maken expliciet melding van de beroepsmogelijkheid bij de kamer van beroep hetgeen aangeeft dat mevrouw Devos ten volle over haar rechten geïnformeerd wordt. Betrokkene tekende vervolgens op 24 december 2001 een beroep aan bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs. De kamer van beroep bracht op 13 maart 2002 een niet-bindend negatief advies uit overeenkomstig artikel 24 §1 van het decreet van 27 maart 1991 met betrekking tot het ontslag van betrokkene. In dit niet-bindend advies wordt geoordeeld dat de pedagogisch-didactische motieven en de aangehaalde deontologische inbreuken in de beslissing van de gemeenteraad van 17 december 2001 niet van die zwaarwichtige aard zijn om een ontslag te kunnen verantwoorden. In het advies van de kamer van beroep wordt echter enerzijds uitdrukkelijk erkend dat betrokkene bepaalde handelingen heeft gesteld die niet in overeen- stemming zijn met hetgeen een inrichtende macht van een leerkracht mag verwachten (onder meer het verzenden van een e-mailbericht aan een aantal gemeenteraadsleden) en anderzijds wordt expliciet bevestigd dat inbreuken op XII-3590-5/12 reglementaire bepalingen en op de plichtenleer perfect een ontslag kunnen verantwoorden. Wat deze deontologische inbreuken betreft, kan vastgesteld worden dat de Kamer van Beroep zich beperkt tot het versturen door betrokkene van een e- mailbericht aan een aantal gemeenteraadsleden, waarbij de Kamer van Beroep meent dat hiervoor een verschoningsgrond aanwezig is; Er kan vastgesteld worden dat de Kamer van Beroep deze verschoningsgrond slechts zeer kort en dan nog in voorwaardelijk wijze, toelicht en niet aangeeft op welke rechtsgrond zij zich daarvoor baseert; Ten andere kan vastgesteld worden dat de Kamer van Beroep voorbij gaat aan het feit dat het desbetreffende e-mailbericht ook aan anderen dan aan gemeenteraadsleden werd verstuurd (een ambtenaar van het O.C.M.W.); De Kamer van Beroep gaat tevens niet in op de andere overwegingen uit de gemeenteraadsbeslissing van 17 december 2001 die tot het ontslag van betrokkene hebben geleid, en die ook werden samengevat in het verweerschrift van de Stad Roeselare voor de Kamer van Beroep; Er kan in ieder geval niet gekeken worden naast het feit dat het ontslag van betrokkene ontegensprekelijk steunde op een vastgesteld gedrag of een fout in hoofde van betrokkene. Er kan dan onder meer verwezen worden naar : - het verzenden van een e-mailbericht door betrokkene op 14 oktober 2001 aan een aantal gemeenteraadsleden waarin zij zware aantijgingen uit ten aanzien van haar directeur; - het schrijven van betrokkene van 8 oktober 2001 aan de Inspectie-generaal in dezelfde zin; - de schendingen van artikel 26 van het reglement van orde van de academie en de deontologische verplichtingen opgenomen in het decreet van 27 maart 1991, hetgeen o.a. en schending van de discretieplicht inhoudt; - de schendingen van artikel 43 van het reglement van orde van de academie; - haar onaanvaardbare houding ten aanzien van haar directeur, de bevoegde schepen en het hele college van burgemeester en schepenen. Het gegeven dat de meeste van deze vastgestelde gedragingen gesteld zijn door betrokkene nadat de gemeenteraad op 10 september 2001 niet overging tot een ontslag, maakt deze feiten des te erger. Betrokkene had op dat ogenblik namelijk de plicht tot loyale samenwerking met o.m. haar hiërarchisch overste. Van enige vrees, waarvan sprake in het advies van de kamer van beroep, kon op dat ogenblik redelijkerwijs geen sprake zijn. Dergelijke vastgestelde gedragingen zijn om evidente redenen onduldbaar in om het even welke openbare dienst. Er kan bovendien geen sprake zijn van enig misbruik van ontslagrecht in hoofde van de inrichtende macht, gelet op het feit dat de rechten van verdediging van betrokkene op geen enkel ogenblik zijn geschonden én de beslissing van de gemeenteraad van 17 december 2001 meer dan afdoende was gemotiveerd. Om deze redenen wordt aan de gemeenteraad voorgesteld het niet-bindend advies van de kamer van beroep niet te volgen en daarentegen uitdrukkelijk haar beslissing van 17 december 2001 overeenkomstig artikel 24 §1 van het decreet van 27 maart 1991 te bevestigen”; Het voorwerp van het beroep Overwegende dat verzoekster met een 31 december 2002 gedateerd schrijven aan de Raad van State laat weten : zij “dringt niet aan op voortzetting van de vraag tot nietigverklaring met betrekking tot de aangevochten XII-3590-6/12 beslissing van 17/12/2001, waarvan de schorsing niet werd toegekend”; dat die brief als een afstand van het beroep tegen de eerste beslissing te begrijpen is, zoals verzoekster ter terechtzitting bevestigt; De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep laattijdig is omdat de bestreden beslissing aan verzoekster werd betekend met aangetekende brief van vrijdag 3 mei 2002, welke bij verzoekster “onbetwistbaar” is aangeboden op 6 mei 2002, zodat “de termijn om beroep in te dienen [...] verstreek op 5 juli 2002”; dat zij in de laatste memorie betoogt dat verzoekster zich “onmogelijk” kan beroepen op de bescherming van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “nu zij -bijgestaan door een gespecialiseerde raadsman die reeds enkele maanden in zake was- onmogelijk kan hard maken dat zij niet wist dat de termijn van zestig dagen tijd om beroep aan te tekenen bij Uw Raad was beginnen lopen”; Overwegende dat het precies die bescherming is waarop verzoekster zich beroept, en zulks met reden; dat verzoekster immers terecht opmerkt dat “geen melding wordt gemaakt van de annulatiemogelijkheid voor de Raad van State”; dat de aard van de juridische bijstand die verzoekster geniet niet relevant is, te meer nu verwerende partij niet alleen heeft nagelaten de bij de wet voorgeschreven vermeldingen te doen, maar zij bovendien ándere vermeldingen wél aan de kennisgeving heeft toegevoegd, met name - in de woorden van verzoekster - “de misleidende en onjuiste mededeling [...] dat de beslissing enkel kan worden aangevochten voor de arbeidsrechtbank”; dat de exceptie wordt verworpen; De grond van de zaak. Overwegende dat verzoekster in een enig middel onder meer de schending aanvoert van artikel 24 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en van “de daarin vervatte motiverings- plicht”; XII-3590-7/12 Overwegende dat verzoekster het middel nader ontwikkelt in twee middelonderdelen; dat de Raad vooraf vaststelt dat het door verzoekster aangevoerde middel in geen van beide onderdelen er toe strekt de haar verweten gedragingen te ontkennen, noch de kwalificatie ervan als deontologisch fout in vraag te stellen; Overwegende dat verzoekster in het eerste middelonderdeel betoogt dat de motieven die aan haar ontslag ten grondslag liggen niet deugdelijk en draagkrachtig zijn, in het licht van het door de kamer van beroep gegeven advies dat een dergelijke zwaarwichtige beslissing eerst te rechtvaardigen is zo zij in verhouding staat tot de ernst van de aangeklaagde inbreuken; dat zij de verwerende partij verwijt de duidelijke boodschap van de kamer van beroep helemaal niet te willen begrijpen en in de bestreden beslissing geen concreet antwoord te geven op de overwegingen die te lezen staan in het advies van de kamer van beroep, dat men inzonderheid nergens een antwoord leest op de door de kamer van beroep opgeworpen vraag omtrent context en verschoonbaarheid van de feiten en dat de motivering blind blijft voor het feit dat door de kamer van beroep werd onderkend dat de beslissing van 17 december 2001 moet worden gesitueerd in het kader van de in hoofde van verzoekster bestaande mogelijkheid om vast te worden benoemd; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat in de bestreden beslissing uitvoerig wordt ingegaan op de argumentatie terzake in het advies van de kamer van beroep, dat op de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de vrees om niet vast te worden benoemd en de daarmee verband houdende verschoningsgrond “in de tweede bestreden beslissing in de meeste heldere bewoordingen [wordt] geantwoord”: “De meeste van de laakbare handelingen van verzoekende partij werden vastgesteld 'nadat de gemeenteraad op 10 september 2001 niet overging tot een ontslag', zodat van enige vrees om niet vastbenoemd te worden 'op dat ogenblik redelijkerwijze geen sprake (kon) zijn'. Verzoekende partij had op dat ogenblik inderdaad de plicht tot loyale samenwerking met het bestuur en haar superieuren en had geenszins redenen om de vaststaande - en niet betwiste (!) - deontologische inbreuken te plegen. Van enige vrees om niet benoemd te worden kon op dat ogenblik dan ook ‘redelijkerwijze’ geen sprake zijn nu de gemeenteraad zonet beslist had om haar niet te ontslaan en haar benoeming aldus in het vooruitzicht lag gelet op het feit dat zij zich op 14 juni 2001 hiervoor kandidaat had gesteld. Verwerende partij wijst erop dat zij in de tweede bestreden beslissing de nadruk heeft gelegd op het feit dat verzoekende partij de vaststaande deontologische inbreuken heeft gepleegd kort nadat de gemeenteraad niet overging tot het ontslag van verzoekende partij. In de bestreden beslissing is eveneens te lezen dat dit haaks staat op hetgeen van een normaal leerkracht mag verwacht worden in zulke omstandigheid, met name het loyaal samenwerken met XII-3590-8/12 o.m. haar hiërarchische oversten. Verwerende partij ziet zodoende niet goed in hoe zij een ‘loutere stijlformule’ zou gehanteerd hebben bij het motiveren van de tweede bestreden beslissing. Het tijdstip van het stellen van de laakbare gedragingen door verzoekende partij wordt niet voor niets sterk in de verf gezet in de tweede bestreden beslissing, en juist dit maakt dat van enige vrees in haren hoofde op een niet-benoeming ‘redelijkerwijze’ geen sprake kon zijn, integendeel. Komt daarbij dat verwerende partij benadrukt dat de zogezegde verschoningsgrond slechts kort en voorwaardelijk wordt toegelicht door de Kamer van Beroep, buiten elke rechtsgrond. Bovendien wordt op een aantal deontologische fouten helemaal niet ingegaan door de Kamer.”; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie herhaalt dat er van stijlformules geen sprake is in de bestreden beslissing, die integendeel een overzicht geeft van alle feiten die aan het ontslag ten grondslag liggen, met inbegrip van de verzwarende temporele omstandigheid waarin de belangrijkste verweten handelingen zijn gebeurd, dat in de bestreden beslissing daaromtrent wordt gesteld dat de vastgestelde gedragingen des te meer onduldbaar zijn indien zij zich voordoen op het ogenblik waarop de inrichtende macht het vertrouwen heeft bevestigd in een leerkracht, dat plicht tot loyale samenwerking wel het minste is wat op dat tijdstip kan worden verwacht, dat het temporele argument door haar aldus niet als een verschoningsgrond werd erkend, doch integendeel als een verzwarende omstandigheid; Overwegende dat een tijdelijk aangesteld personeelslid zoals verzoekster overeenkomstig artikel 24, § 1, van het toepasselijke rechtspositiedecreet door het schoolbestuur mag worden ontslagen; dat evenwel luidens diezelfde decreetsbepaling, als het bestuur een in het kader van de bezwaarprocedure gegeven advies van de kamer van beroep niet volgt, “zij dit [doet] in een met redenen omklede beslissing”; Overwegende dat de verwerende partij in het advies van de kamer van beroep kon lezen dat “sommige handelingen van mevrouw An Devos niet in overeenstemming zijn met hetgeen de inrichtende macht van een leerkracht mag verwachten”; dat de kamer van beroep echter in essentie meent dat er gegevens zijn die voor verzoeksters handelingen “een verschoningsgrond kunnen zijn”; dat de kamer van beroep aldus rekening houdt met de proportionaliteit die moet bestaan tussen de feiten en de sanctie; dat noch de kamer van beroep, noch het bestuur, voor de toepassing van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur een formele rechtsgrond van node hebben; XII-3590-9/12 Overwegende dat, wil de verwerende partij van het advies van de kamer van beroep afwijken op de door het rechtspositiedecreet vereiste gemotiveerde wijze, zij tot uiting moet brengen waarom zij met de door de kamer van beroep in aanmerking genomen gegevens geen rekening kan houden, of waarom die gegevens te dezen toch geen verschoningsgrond zijn en het ontslag niet in wanverhouding staat tot de feiten; dat die gegevens volgens de kamer van beroep terug te brengen zijn tot “het feit dat de betrokkene sedert september 1997 in dienst was van de inrichtende macht en daardoor in januari 2002 in aanmerking kwam voor een benoeming in vast verband” en “dat door het ontslag in december 2001 een einde werd gesteld aan de normale verwachting van een vaste benoeming”; Overwegende dat, om het advies van de kamer van beroep niet te moeten volgen, niet volstaat in de bestreden beslissing op te merken dat een bepaald e-mailbericht ook aan een ambtenaar van het O.C.M.W. werd verstuurd en voorts een reeks andere gedragingen opnieuw op te sommen; dat immers de kamer van beroep, in tegenstelling tot wat het bestreden besluit stelt, haar advies niet enkel steunt op het verzenden van het bedoelde e-mailbericht aan sommige gemeenteraadsleden als deontologische inbreuk; dat, getuige het gebruik in het advies van “o.m.” en de referenties aan, in het meervoud, “de beweerde inbreuken” en “de aangehaalde inbreuken, afzonderlijk en in samenhang genomen”, integendeel dit feit slechts als meest markante voorbeeld wordt aangehaald; Overwegende dat de opsomming van de gelaakte gedragingen in het licht van het advies om een andere reden wél dienstig kan zijn, met name om de proportionaliteit van het ontslagbesluit met die feiten te verantwoorden; dat de bestreden beslissing inderdaad tot die opsomming niet beperkt is, maar de opgesomde feiten “des te erger” noemt omdat “de meeste van deze vastgestelde gedragingen gesteld zijn door betrokkene nadat de gemeenteraad niet overging tot een ontslag”; dat bijgevolg de verwerende partij het ontslag in verhouding ziet staan tot de verweten handelingen omwille van het ogenblik waarop die handelingen zijn gesteld door verzoekster; dat de vraag dus is of met dit motief adequaat is geantwoord op het advies van de kamer van beroep; Overwegende dat de gemeenteraad weliswaar het eerste voorstel tot ontslag op 10 september 2001 verwierp; dat verzoekster zich ondertussen kandidaat had gesteld voor de vaste benoeming die zij ambieerde op 1 januari 2002 en waarvan zij wist dat hieraan andermaal een verslag van de directeur moest XII-3590-10/12 voorafgaan en dat een beslissing van de gemeenteraad moest worden genomen; dat die procedure nog hangende was toen verzoekster de kwestieuze handelingen stelde; dat de kamer van beroep in het advies vaststelt dat verzoekster een “normale verwachting van een vaste benoeming” mocht hebben waaraan een einde werd gesteld “door het ontslag in december 2001”; dat volgens de kamer van beroep het bestaan van enige vrees dus nog wél aannemelijk was, ook na het raadsbesluit van 10 september 2001; dat de verwerende partij die appreciatie niet hoeft bij te treden, maar ze in het bestreden besluit wel degelijk zonder concrete elementen enkel met loutere stijlformules tegenspreekt, door te stellen zonder meer dat van die vrees “op dat ogenblik redelijkerwijs geen sprake [kon] zijn” en dat verzoeksters gedragingen “om evidente redenen onduldbaar [zijn]”; dat zulks niet volstaat om, naar de eis van artikel 24 van het rechtspositiedecreet, op met redenen omklede wijze van het advies van de kamer van beroep af te wijken; dat het middelonderdeel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 29 april 2002 van de gemeenteraad van de stad Roeselare waarbij het ontslag van An Devos als leraar deeltijds kunstonderwijs aan de stedelijke academie voor muziek en woord wordt bevestigd. Artikel 2. De afstand van het beroep voor het overige wordt vastgesteld. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3590-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3590-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.950 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.113.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div