← België

Arrest 132951 - - 24/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.951 Rolnummer: Zaak: Arrest 132951 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:26 Fiche Arrest nr 132.951 van 24 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.951 van 24 juni 2004 in de zaken A. 66.288/XII-

  1. (I) A. 66.289/XII-
  2. (II) In zake : I. Marie-Christine LAUREYS, wonende te Okselaar, Turnhoutsebaan 119 I I . Frank LAUREYS, wonende te Okselaar, Turnhoutsebaan 119 tegen : de STAD SCHERPENHEUVEL-ZICHEM. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Christine Laureys op 2 november 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissingen waarbij Carla Corens en Ilse Lemmens werden aangesteld als onderwij- zeressen aan de stedelijke basisschool te Scherpenheuvel terwijl werd geweigerd ondergetekende een volledige lesopdracht aan het stedelijk onderwijs te Scherpen- heuvel toe te wijzen” (zaak A. 66.288/XII-517); Gezien het verzoekschrift dat Frank Laureys op 2 november 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissingen waarbij Carla Corens en Ilse Lemmens werden aangesteld als onderwijzeressen aan de stedelijke basisschool te Scherpenheuvel terwijl werd geweigerd ondergetekende een volledige lesopdracht aan het stedelijk onderwijs te Scherpenheuvel toe te wijzen” (zaak A. 66.289/XII-518); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur H. Verhulst; XII-517-1\8 Gelet op de beschikking van 14 april 1997 waarbij de zaken nrs. A.66.288/XII-517 en A.66.289/XII-518 worden gevoegd; Gelet op de beschikking van 14 april 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie en de “aanvullende memorie” van verzoekster, de “aanvullende memorie” van verzoeker, en de laatste memorie van verwerende partij in de beide zaken; Gelet op de beschikking van 26 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Bogaerts, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de procedure. Overwegende dat verzoekster na haar laatste memorie te hebben ingediend en buiten iedere termijn, en verzoeker buiten iedere termijn, ieder nog een “aanvullende” memorie aan de Raad van State hebben bezorgd ten einde de Raad een afschrift voor te leggen van een ministerieel besluit van 4 augustus 1998 dat beslissingen van verwerende partij betreffende de aanwending van het lestijdenpakket voor het schooljaar 1996-1997 en aanstellingen in het onderwijs voor datzelfde schooljaar vernietigt; dat dergelijke memories, welke niet gekend zijn in het algemeen procedurereglement, uit de debatten worden geweerd; dat het partijen evenwel in beginsel niet verboden is aan de Raad in de loop van de procedure de feitelijke inlichtingen te verschaffen welke hen nog niet bekend konden zijn ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift; dat verwerende partij in de laatste XII-517-2\8 memorie heeft gerepliceerd op de inhoud van dit ministerieel besluit; dat louter procedureel het ministerieel besluit in die mate en zonder schending van de rechten van de verdediging beschouwd mag worden als een document ter feitelijke actualisering van het dossier, daargelaten de eventuele inhoudelijke weerslag ervan op de beoordeling van de beroepen; Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : Op 4 juni 1995 solliciteert verzoekster naar een betrekking als onderwijzer aan de stedelijke basisschool. Zij vermeldt daarbij: “Het afgelopen schooljaar (1994-1995) heb ik 10 maanden gewerkt in de Stedelijke Basisschool te Scherpenheuvel-Zichem en 2 maanden in de Stedelijke Basisschool te Tienen”. Op 7 juni 1995 solliciteert verzoeker eveneens naar een betrekking als onderwijzer aan de stedelijke basisschool. Hij vermeldt daarbij: “Het afgelopen schooljaar was ik tewerkgesteld als onderwijzer in de Stedelijke Basisschool te Scherpenheuvel-Zichem, als leerkracht in de 2e graadsklas”. Bij besluit van 10 oktober 1995 van het college van burgemeester en schepenen, bekrachtigd bij raadsbesluit van 27 oktober 1995, wordt Carla Corens gedurende het schooljaar 1995-1996 in een vacante betrekking aan de basisschool te Messelbroek als voorlopig onderwijzeres aangesteld. Artikel 2 van het besluit bepaalt dat haar opdracht een voltijdse prestatie van 24/24 bedraagt ten laste van de gemeente. Dit is de eerste bestreden beslissing in de beide zaken. Bij besluit van 12 september 1995 van het college van burgemeester en schepenen, bekrachtigd bij raadsbesluit van 27 oktober 1995, wordt Ilse Lemmens met ingang van 4 september 1995 als waarnemend onderwijzeres in een niet-vacante betrekking aan de basisschool te Messelbroek aangesteld. Bepaald wordt dat haar prestatie 16/24 bedraagt en dat zij “zal in dienst blijven tot bij de terugkeer uit arbeidsongeval van Geyskens Heidi”. Dit is de tweede bestreden beslissing in de beide zaken. XII-517-3\8 Over de bestreden aanstelling van Ilse Lemmens. Overwegende dat verzoekster in één enkel annulatieberoep de nietigverklaring vordert van twee onderscheiden aanstellingen; dat ook verzoeker dit doet; dat in het auditoraatsverslag in de beide zaken wordt opgemerkt dat de verzoekers niet aantonen dat de vereiste samenhang tussen beide voorwerpen van hun beroep aanwezig is, dat de aanstellingen op een verschillend tijdstip geschied zijn en ook niet dezelfde oorzaak hebben; Overwegende dat verzoeker deze vaststellingen niet ontkracht, nu hij zelfs geen laatste memorie meer heeft ingediend; Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie erkent dat haar beroep “wel degelijk twee voorwerpen” heeft, dat de twee aanstellingen weliswaar op een verschillend tijdstip “doch met slechts een tijdsverschil van 4 dagen” gedaan zijn, dat de “oorzaak van de aanstellingen [...] inderdaad niet dezelfde [is], zoals door de Heer Eerste Auditeur terecht wordt gesteld in zijn verslag”, doch dat dit niets afdoet aan de verplichtingen die de verwerende partij moet naleven, dat indien een van de betrekkingen diende toegewezen te worden aan Frank Laureys, de andere betrekking toegewezen moest worden aan haarzelf, dat zij een aanstelling verkreeg in Tienen wat aanleiding gaf tot verre en dure verplaatsingen en dat de nagestreefde aanstelling haar quasi zekerheid op werk gaf “voor de aanstellingen per 1 september 1996”; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie repliceert dat door verzoekster samenhang dient te worden bewezen teneinde verscheidene voorwerpen in één verzoekschrift aan te brengen, dat geen samenhang wordt bewezen en dat verzoekster destijds in de mogelijkheid was om een afzonderlijk verzoekschrift in te dienen met betrekking tot de aanstelling van Ilse Lemmens; Overwegende dat verzoekster met haar uiteenzetting enkel herinnert aan de door haar aangevoerde onwettigheid en aan het belang dat zij heeft bij haar beroep tegen de tweede bestreden beslissing; dat zij evenwel de vaststelling niet tegenspreekt dat de beide bestreden beslissingen niet dezelfde oorzaak hebben, maar zulks integendeel erkent; dat daarmee nog steeds niet de samenhang tussen beide voorwerpen bewezen wordt die is vereist opdat ze op ontvankelijke wijze met XII-517-4\8 een enkel verzoekschrift bestreden mogen worden; dat de Raad van State, ambtshalve, zich aansluit bij de besproken exceptie; dat de beroepen onontvankelijk zijn wat betreft de bestreden aanstelling van Ilse Lemmens; Over de bestreden aanstelling van Carla Corens. Overwegende dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van “het bepaalde in het protocol afgesloten in het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd onderwijs van 15.2.1993 en dus negatie van het beginsel van de zelfbinding”; dat zij onder meer toelicht dat de gemeente zich luidens artikel 3 van dit protocol er toe moest houden de voorkeur te geven aan de kandidaten met de meeste dienstanciënniteit in het stedelijk onderwijs van Scherpenheuvel-Zichem, dat Carla Corens maximum zes maanden presteerde tijdens het schooljaar 1994-1995 en dat zijzelf “het volledige schooljaar 1994-1995 ten minste een halftime opdracht [had] : in toepassing van artikel 6b van het decreet op de rechtspositie van de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs vermochten deze dagen volledig geteld te worden”; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat het protocol waarop verzoekster steunt tot stand komt op grond van de onderhandelingen tussen de inrichtende macht en de representatieve vakorganisaties, dat het protocol op zichzelf echter geen rechtscheppende functie heeft “met als gevolg dat een in een protocol opgenomen akkoord als dusdanig geen contractuele verbintenis kan inhouden waarvan de naleving zou kunnen worden afgedwongen”, dat de inrichtende macht “bijgevolg ten allen tijde een beslissing kan nemen die niet conform het bestaande protocol gebeurt” en dat het middel “dan ook iedere grond mis[t]”; dat zij in de laatste memorie het protocol niet meer ter sprake brengt maar nog argumenteert dat de aanstelling van Carla Corens “zeker geschraagd is door een juridisch voldoende draagbaar motief” omdat deze kandidaat door haar onderwijsprestaties achtereenvolgens in de oefenschool Leuven PNL, de lagere school Aarschot en de stedelijke basisschool Scherpenheuvel-Zichem over een ruimere ervaring beschikte in de derde graad dan verzoekster; XII-517-5\8 Overwegende dat het bedoelde protocol van 15 februari 1993, ondertekend namens de verwerende partij in het “afzonderlijk bijzonder onderhandelingskomitee van het gesubsidieerd onderwijs”, luidt : “Naast de door de wet vastgestelde reglementering inzake aanwervings- voorwaarden, benoemingsvoorwaarden en afvloeiïngsvoorwaarden van het onderwijzend personeel zal de gemeente zich houden aan de volgende bijkomende voorwaarden : Aanwervingsvoorwaarden [...] Art. 3 : Voorkeur wordt gegeven aan kandidaten met de meeste dienst- anciënniteit in het stedelijk onderwijs van Scherpenheuvel-Zichem. [...]”; Overwegende dat het aangehaalde protocol een “eenparig [...] akkoord [...] betreffende de aanwervingsvoorwaarden, [...]” blijkt te zijn, gesloten tussen de verwerende partij en de representatieve vakorganisaties van het personeel van het onderwijs; dat verwerende partij beweert noch aantoont dat het protocol in de praktijk dode letter is gebleven; dat bij gebreke van dergelijk bewijs met verzoekster moet worden aangenomen dat de verwerende partij zich tot richtsnoer heeft genomen de tekst van het protocol bij haar aanwervingen toe te passen; dat bijgevolg ook moet worden aangenomen dat, bijaldien verwerende partij overgaat tot een aanstelling als de bestredene, zij de vaste praktijk heeft om de voorkeur te geven aan de kandidaten met de meeste dienstanciënniteit in het stedelijk onderwijs van Scherpenheuvel-Zichem; dat die zienswijze overigens spoort met het in de aanhef van de bestreden aanstelling vermeld gemeenteraadsbesluit van 30 juni 1987 houdende bijkomende aanwervings-, benoemings- en afvloeiingsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel; dat immers artikel 3, tweede lid, van dit besluit zoals het is gewijzigd bij het raadsbesluit van 26 maart 1993 het aangehaalde artikel 3 van het protocol woordelijk overneemt; Overwegende dat de vraag dan rijst of het middel niet begrepen moet worden als verwijzend naar dit artikel 3 van het gemeenteraadsbesluit; dat hoe dan ook de Raad van State ook in deze zaak aanneemt, zoals hij reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 25.945, Goole, van 10 december 1985, dat weliswaar het in het middel formeel aangevoerde akkoord, zo het al enige juridische gelding bezit, er geen bezit waar verzoekster zich kan op beroepen, maar dat krachtens het vertrouwensbeginsel en de grondwettelijke gelijkheidsregel, zij zich wel kan beroepen - en beroept - op een vaste toepassing van dat akkoord in de door haar beschreven zin; dat verwerende partij van haar vaste praktijk maar zal kunnen afwijken als daar ernstige redenen voor aanwezig zijn; dat die redenen dan moeten blijken uit de motieven van het bestuur bij het beslissen tot de bestreden aanstelling; dat dit volgens XII-517-6\8 verzoekster geenszins het geval is aangezien, volgens haar, “alleszins niet [blijkt] waarom [aan haar] voorbij diende gegaan te worden”, reden waarom zij als tweede middel de onwettigheid naar de motieven aanvoert; Overwegende, wat de beide middelen samen betreft, dat verwerende partij niet ontkent dat bij toepassing van artikel 3 van het protocolakkoord verzoekster op Carla Corens de voorkeur mocht krijgen; dat zij zich thans -in de laatste memorie- wel beroept als motief voor haar keuze op de vermeend ruimere ervaring van Carla Corens in het onderwijs van de derde graad; dat in het aanstellingsbesluit van Carla Corens dit motief niet uitdrukkelijk is opgenomen; dat in de aanhef van dit besluit enkel wordt aangehaald “het feit dat de door mevrouw Corens Carla geleverde prestaties als onderwijzer aan de Stedelijke Basisschool Scherpenheuvel-Zichem steeds voldoening gaven, dit tot grote tevredenheid van het gemeentebestuur”; dat bijgevolg aangenomen moet worden dat verwerende partij ten tijde van de bestreden beslissing -in de lijn overigens met het protocolakkoord- enkel acht sloeg op de onderwijsprestaties in het eigen gemeentelijk onderwijs en het meervermelde raadsbesluit van 30 juni 1987-, terwijl verwerende partij thans refereert aan onderwijsprestaties die ten dele niet zijn verricht in haar gemeentelijk onderwijs en daarenboven een onderscheid maakt naar de graad hetwelk niet wordt gemaakt in voormeld protocol of besluit; dat zij dan ook niet zonder meer de ernstige redenen kunnen zijn die toestaan om over de meervermelde voorrangsregeling heen te stappen, wil die regeling niet van elke betekenis ontdaan worden; Overwegende dat de beide middelen gegrond zijn ; dat ambtshalve dient vastgesteld dat de in het dictum hierna uit te spreken nietigverklaring van de aanstelling van Carla Corens die hieruit volgt, meebrengt dat het beroep van verzoeker tegen diezelfde aanstelling zonder voorwerp wordt; dat het evenwel past, gelet op wat voorafgaat, de kosten van zijn beroep ten laste te leggen van de verwerende partij, XII-517-7\8 BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt het besluit van 10 oktober 1995 van het college van burgemeester en schepenen, bekrachtigd bij raadsbesluit van 27 oktober 1995, waarbij Carla Corens gedurende het schooljaar 1995-1996 in een vacante betrekking aan de basisschool te Messelbroek als voorlopig onderwijzeres wordt aangesteld. Artikel
  4. Het beroep in de zaak A.66.288/XII-517 wordt voor het overige verworpen. Artikel
  5. Het beroep in de zaak A.66.289/XII-518 wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de beroepen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-517-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.951 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.