id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.984 Rolnummer: A. 75645/VII-15915 Zaak: Arrest 132984 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:27 Fiche Arrest nr 132.984 van 24 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.984 van 24 juni 2004 in de zaak A. 75.645/VII-15.
- In zake : de b.v.b.a. ITEGEMS AUTOPARK, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN RILLAER, kantoor houdende te BONHEIDEN, Putsesteenweg 8 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. ---------------------------------------------------------------------------------------------- -------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. ITEGEMS AUTO- PARK op 11 september 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 3 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij : "
- ingevolge het beroep ingediend door OVAM het besluit vernietigd werd van het College van Burgemeester en Schepenen van Heist-op-den-berg van 14 januari 1997 waarbij aan verzoekster de milieuvergunning verleend werd tot het exploiteren van een inrichting door de opslag en afbraak van autowrak- ken en schroot te 2222 Itegem, Isschotweg, 107;
- aan verzoekster de milieuvergunning geweigerd werd;
- beslist werd dat de bouwvergunning van verzoekster van rechtswege vervalt ingevolge de koppeling van de bouw- aan de milieuvergunning". Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 12 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-15.915-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Th. DE COSTER die, loco Advocaat P. VAN RILLAER, verschijnt voor de verzoekende partij en van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij baat aan de Isschotweg nr. 107 te Heist-op-den-Berg (Itegem) een inrichting uit voor de opslag en verwerking van voertuigwrakken. 1.
- Voor de inrichting werden in het verleden een aantal beslissingen genomen i.v.m. bouwaanvragen. Op 15 december 1964 werd aan Florent De Belder, medeoprich- ter van de verzoekende partij, een bouwvergunning verleend "voor het aanleggen van een opslagruimte voor ten minste 10 gebruikte voertuigen en/of ten minste 10 ton schroot", met betrekking tot een perceel gelegen te Itegem, Mechelse Steenweg, sectie C nr. 320/a en d. Op 8 juni 1971 werd aan Florent De Belder een bouwvergunning verleend voor "het bouwen van een toonplaats" aan de Mechelsesteenweg sectie C nr. 320/q en 321/a te Itegem. VII-15.915-2/9 Op 23 januari 1996 weigerde het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg een regularisatievergunning voor een magazijn en een betonnen scheidingsmuur voor een perceel gelegen te Itegem, Isschotweg 107, sectie C nr. 320/e-s-c²-d²-e². Een daartegen ingesteld administratief beroep werd op 3 juli 1997 door de bestendige deputatie niet ingewilligd. 1.
- In het verleden werden tevens een aantal beslissingen genomen i.v.m. exploitatievergunningsaanvragen. Op 22 oktober 1963 verleende het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Itegem aan Florent De Belder een exploitatievergunning voor een opslagplaats voor ten minste tien ton schroot en tien versleten voertuigen. Op 29 november 1990 verleende de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de b.v.b.a. Itegems Autopark een afvalstoffenver- gunning "voor de opslag van schroot en max. 75 autowrakken met bewerking voor recuperatie van onderdelen, te Heist-op-den-Berg, Isschotweg 107, op het deel van Sie C, nr. 320 e dat vergund is onder de bouwvergunning van 15 december 1964". Op 21 november 1995 verleende het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg aan de verzoekende partij een milieuvergunning voor de exploitatie van een inrichting voor de opslag en de verwerking van voertuigwrakken, doch in beroep weigerde de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen evenwel deze vergunning met een besluit van 25 april
- 1.
- Op 22 augustus 1996 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg een milieuver- gunningsaanvraag in voor het hernieuwen van de exploitatie van een inrichting voor de opslag en afbraak van autowrakken en schroot. Het is deze aanvraag die aanleiding zal geven tot de thans bestreden beslissing. 1.
- Met een besluit van 14 januari 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. 1.
- Tegen dit vergunningsbesluit stelt OVAM een administratief beroep in. 1.
- In het kader van de beroepsprocedure worden adviezen uitgebracht. Behoudens het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij, dat VII-15.915-3/9 voorwaardelijk gunstig is voor de lozing van het afvalwater, zijn alle adviezen ongunstig. 1.
- Nadat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 29 mei 1997 besloot de behandelingstermijn voor het beroep te verlengen met één maand, wordt op 3 juli 1997 de bestreden beslissing genomen. Het beroep van OVAM wordt gegrond bevonden en de vergunning wordt geweigerd onder meer op grond van volgende overwegingen : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Mechelen (Koninklijk Besluit dd. 5 augustus 1976), waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : agrarisch gebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het agrarisch gebied bestemd is voor volwaardige landbouwbedrijven; dat de gevraagde activiteiten niet verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied";
- De gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van "de bindende kracht van de bouwvergunning en het art. 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw", alsook van het rechtszekerheidsbeginsel; dat de verzoekende partij in essentie betoogt dat zij op 15 december 1964 een bouwvergunning verkreeg voor het aanleggen van een opslagruimte voor ten minste tien gebruikte voertuigen en/of ten minste tien ton schroot, dat ingevolge het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, het perceel werd omgevormd tot agrarisch gebied, dat het bestreden besluit ten onrechte de milieuvergunning weigerde omdat de exploitatie van de inrichting niet verenigbaar is met het gewestplan, vermits verzoeksters inrichting behoorlijk stedenbouwkundig vergund is, en dat de stedenbouwkundige voorschriften worden bepaald door de bouwver- gunning en niet door het gewestplan dat geen afbreuk kan doen aan regelmatig verleende bouwvergunningen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in essentie doet gelden dat de bouwvergunning van 15 december 1964 slechts betrekking heeft op een gedeelte van het perceel, dat reeds op 25 april 1996 de bestendige deputatie de milieuvergunning weigerde omwille van de stedenbouw- kundige onverenigbaarheid, dat bovendien de voorwaarden van de bouwvergunning VII-15.915-4/9 van 15 december 1964 door verzoekster niet werden gerespecteerd, dat de adviesverlenende overheidsorganen op de stedenbouwkundige onverenigbaarheid wezen en dat die onverenigbaarheid volstaat om de vergunningsaanvraag te weigeren; 2.1.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij repliceert dat de door de verwerende partij aangehaalde redenen waarom de voorwaarden van de bouwvergunning niet zouden zijn respecteerd niet opgaan, dat de bewering dat de opslagplaats voor schroot en autowrakken (tijdelijk) verwijderd zou zijn geweest in 1994 feitelijke grondslag mist en dat de omstandig- heid dat de bouwvergunning enkel betrekking heeft op één van de percelen niet belet dat haar inrichting behoorlijk stedenbouwkundig vergund werd, en dat er voor de andere perceelnummers wel degelijk regelmatige vergunningen bestaan; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog beklemtoont dat een milieuvergunningsaanvraag niet wettelijk kan geweigerd worden met als reden dat de activiteiten die het voorwerp van de aanvraag uitmaken onverenigbaar zijn met het gewestplan indien er reeds een bouwvergunning werd verleend; 2.1.5.
- Overwegende dat de overheid die moet uitspraak doen over een exploitatievergunningsaanvraag krachtens artikel 2, § 1, derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, thans artikel 2, § 1, derde lid, van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, gehouden is om de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen; dat dit onder meer inhoudt dat zij de exploitatievergunning moet weigeren indien de inrichting of een gedeelte ervan niet past in de bindende voorzieningen van het plan; dat het louter gegeven dat in het verleden voor het gebouw waarin de gevraagde activiteiten plaatsvinden een bouwvergunning werd verleend aan die verplichting geen afbreuk doet; 2.1.5.
- Overwegende dat niet wordt betwist dat de inrichting volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, is gelegen in agrarisch gebied; dat artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen bepaalt wat volgt : VII-15.915-5/9 "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuit- breidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenk- omstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; dat een inrichting voor de opslag en afbraak van autowrakken en schroot kennelijk niet verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied; dat in de bestreden beslissing dan ook terecht de stedenbouwkundige onverenigbaarheid als weigeringsmotief wordt opgegeven; dat dit motief een decisief weigeringsmotief uitmaakt; dat dienvolgens de vraag of de voorwaarden van de bouwvergunning van 15 december 1964 door de verzoekende partij correct werden nageleefd en of die vergunning slaat op de percelen waarop het thans bestreden weigeringsbesluit betrekking heeft in casu niet relevant is; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel; dat zij stelt dat bij beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 november 1990 haar een milieuvergunning werd verleend die expliciet steunt op de bouwvergunning van 15 december 1964 en dat ingevolge deze beslissing zij erop mocht vertrouwen dat de exploitatie van haar inrichting door de bestendige deputatie beschouwd wordt als verenigbaar met de stedenbouwkundige voorschrif- ten; 2.2.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij opwerpt dat de vergunning van 29 november 1990 slechts betrekking heeft op een gedeelte van een terrein waarop de thans bestreden weigeringsbeslissing betrekking heeft, dat het gegeven dat in het verleden een exploitatie- of milieuver- gunning werd verleend niet het rechtmatig vertrouwen kan wekken dat er ook één in de toekomst zal worden verleend, temeer daar de aanvraag niet meer dezelfde is, en dat zij zich voor de beoordeling van de stedenbouwkundige verenigbaarheid heeft gebaseerd op de ongunstige adviezen; VII-15.915-6/9 2.2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij betoogt dat het bedrijf dat het voorwerp is van de beslissing van 29 november 1990 en het bedrijf dat het voorwerp is van de bestreden beslissing, identiek hetzelfde is, dat bovendien het beweerd verschil in terrein niet werd ingeroepen om de milieuvergunning te weigeren, dat de enige wijzigingen t.o.v. vroeger die uit het bestreden besluit blijken technische ingrepen zijn waardoor eventuele hinder naar omgeving en milieu aanzienlijk beperkt werden; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog verwijst naar het feit dat het college van burgemeester en schepenen haar op 14 januari 1997 een milieuvergunning verleende tot het exploiteren van een inrichting voor de opslag en afbraak van autowrakken en schroot; 2.2.
- Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de in het geding zijnde milieuvergunningsaanvraag onverenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied, hetgeen een terecht decisief weigeringsmotief uitmaakt; dat door de regelgeving correct toe te passen de verwerende partij noch het zorgvuldigheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel heeft geschonden; dat de eventuele mogelijkheid dat in het verleden, bij het verlenen van milieuvergunningen die regelgeving zou zijn miskend, daaraan geen afbreuk doet; dat de verzoekende partij er aan voorbijgaat dat zoals uit de weergave van de feiten blijkt, in het verleden er voor wat betreft de betrokken inrichting reeds diverse negatieve beslissingen werden genomen wegens de onverenigbaarheid van de inrichting met de bestemming agrarisch gebied; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij als derde middel de schending aanvoert van artikel 5 van het decreet betreffende de milieuvergunning van 28 juni 1985 doordat het bestreden besluit ten onrechte de verleende bouwver- gunning "van rechtswege vervallen verklaart" ingevolge de koppeling aan de milieuvergunning, en deze bepaling ten onrechte retroactief werd toegepast; 2.3.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat het bestreden besluit de bouwvergunning van 15 december 1964 niet vervallen verklaart, dat artikel 5, § 1, van het milieuvergunningsdecreet de bouwvergunning betreft die werd aangevraagd met het oog op het onderbrengen van een nieuwe inrichting of de uitbreiding van een bestaande inrichting waarvoor VII-15.915-7/9 een milieuvergunning werd aangevraagd, dat deze bepaling niet slaat op de bouwvergunning die is afgegeven voor het gebouw waarin een reeds vergunde inrichting is ondergebracht, dat de koppelingsregeling niet slaat op situaties waarbij de bouw- en de milieuvergunning betrekking hebben op verschillende inrichtingen of verschillende onderdelen van inrichtingen, dat er dan ook geen sprake kan zijn van verval van de bouwvergunning van 15 december 1964, maar dat de koppelings- regeling zoals vermeld in artikel 2 van het bestreden besluit enkel betrekking heeft op de nieuwe bouwaanvraag die de verzoekende partij heeft ingediend voor de regularisatie van het magazijn en een betonnen scheidingsmuur; 2.3.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij vaststelt dat de verwerende partij "erkent dat de bouwvergunning van 15 december 1964 niet kan vervallen verklaard worden"; 2.3.4.
- Overwegende dat het geviseerd artikel 2 van de bestreden beslissing bepaalt wat volgt : "Ingevolge de koppeling van de bouw- aan de milieuvergunning vervalt de, krachtens de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, verleende bouwvergunning van rechtswege op de datum van onderhavige weigeringsbeslissing"; dat artikel 5, § 1 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt : "De vergunning als bedoeld in artikel 44 van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is of die onderworpen is aan de meldingsplicht, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet is verleend of de melding niet is gebeurd. In dit geval gaat de termijn bepaald in artikel 52 van genoemde Wet van 29 maart 1962 pas in op de dag dat de milieuvergunning wordt verleend. Wordt de milieuvergunning evenwel geweigerd dan vervalt de bouwvergun- ning van rechtswege op de dag van de weigering in laatste aanleg. Het verval van de bouwvergunning wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager en de overheid die de bouwvergunning heeft verleend"; 2.3.4.
- Overwegende dat, zoals de verwerende partij terecht stelt, deze bepaling betrekking heeft op het geval waarbij voor eenzelfde project zowel een bouw- als een milieuvergunning noodzakelijk zijn; dat wanneer voor de exploitatie van een inrichting enkel een milieuvergunning nodig is en geen bouwvergunning, bijvoorbeeld omdat deze laatste reeds in het verleden op een definitieve wijze werd verkregen, alsdan de weigering van de milieuvergunning niet kan meebrengen dat VII-15.915-8/9 die in het verleden verleende bouwvergunning vervalt; dat dit betekent dat de bouwvergunning van 15 december 1964 niet vervallen is ingevolge de bestreden beslissing; dat artikel 2 van het bestreden besluit niet de betekenis heeft die de verzoekende partij daaraan geeft, maar werd opgenomen als een algemene bepaling, zijnde de weergave van artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet, die betrekking heeft op het geval waarbij voor eenzelfde project zowel een bouw- als een milieuvergunning noodzakelijk zijn; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.915-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.984 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.