id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.985 Rolnummer: A. 73058/VII-15159 Zaak: Arrest 132985 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:27 Fiche Arrest nr 132.985 van 24 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.985 van 24 juni 2004 in de zaak A. 73.058/VII-15.159. In zake : Frans MERCELIS Rechtsgeding hervat door : Ludo MERCELIS, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te RUISBROEK, Kerkstraat 66 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN DE VYVER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Eglantierlaan 1. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans MERCELIS op 30 januari 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 27 november 1996 waarbij het beroep dat hij had ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen van 9 mei 1996 houdende weigering van de vergunning om zijn te Merksplas, Steenweg op Weelde 53, gelegen varkenshouderij uit te breiden met 684 mestvarkens en de opslag van 2000 l stookolie, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 67.208 van 30 juni 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-15.159-1/27 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de gedinghervattende partij, en van Advocaat K. LAUWEREYS die, loco Advocaat J. VAN DE VYVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat Ludo MERCELIS, die het in geding zijnde varkensbedrijf hangende de procedure heeft overgenomen van zijn vader Frans MERCELIS, met een op 21 februari 2002 ingediend verzoekschrift het geding rechtsgeldig heeft hervat; 2. De feiten Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-15.159-2/27 2.1. Frans MERCELIS is de voormalige exploitant van een varkensbe- drijf gelegen aan de Steenweg op Weelde 53 te Merksplas. Met betrekking tot de inrichting zijn een aantal exploitatievergunningen verleend waardoor in totaal 666 varkens, waarvan 165 zeugen, gehouden mogen worden. 2.2. Op 21 december 1995 dient de oorspronkelijke verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een aanvraag in tot uitbreiding van zijn inrichting met 684 vleesvarkens en 468 biggen jonger dan 10 weken, de opslag van 2 x 1.000 liter stookolie in bovengrondse houders en verschillende elektromotoren behorende tot de ventilatie- en de voederinstallatie. De aanvraag wordt op 9 januari 1996 vervolledigd en vervolgens op 18 januari 1996 ontvankelijk en volledig verklaard. 2.3. Bij besluit van 9 mei 1996 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning wegens "niet-verenigbaarheid van de gevraagde verandering met artikel 13 van het uitvoeringsbesluit nr. 3 van het gewijzigde mestdecreet". 2.4. Op 26 juni 1996 tekenen de raadslieden van Frans MERCELIS bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling beroep aan tegen de weigering van de gevraagde vergunning. In het beroepschrift wordt onder meer gesteld dat de weigering van de vergunning niet kan steunen op artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit) omdat de vergunningsaanvraag reeds op 21 december 1995 werd ingediend maar vervolgens op "onwettige" wijze werd teruggestuurd, zodat de ontvankelijk- en volledigverklaring na 31 december 1995 niet in aanmerking kan worden genomen. 2.5. Vervolgens wordt over het beroep het advies ingewonnen van verschillende overheidsadministraties en -instanties. De adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij, van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie zijn ongunstig omdat de aangevraagde verandering een stijging van de vergunde mestproductie van de inrichting tot gevolg heeft en derhalve niet verenigbaar is met artikel 13, 3/, van het vergunningenbesluit. VII-15.159-3/27 2.6. Met een besluit van 27 november 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt het beroep dat de oorspronkelijke verzoeker had ingesteld tegen het besluit van 9 mei 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de vergunning om zijn te Merksplas, Steenweg op Weelde 53, gelegen varkenshouderij uit te breiden met 684 mestvarkens en de opslag van 2.000 liter stookolie, ongegrond verklaard en wordt het beroepen besluit bevestigd. De reden van weigering komt in essentie overeen met de sub 2.5. vermelde ongunstige adviezen; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat het eerste middel wordt genomen uit "de schending van artikel 27 van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning (MVD), doordat, de minister in zijn bestreden besluit geen rekening houdt met de omstandigheid dat het voorwerp van de procedure een aanvraag betreft voor de verandering van een bestaande inrichting door de uitbreiding ervan, zonder dat die inrichting daardoor in een hogere klasse moet worden ingedeeld, terwijl, slechts een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van de inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en indien dat niet het geval is, moet de verande- ring slechts gemeld worden aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is; deze overheid kan de verandering dan bij wege van aktename vergunnen; enkel wanneer die overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting voor het leefmilieu inhoudt of dat de bestaande hinder vergroot, volstaat de melding niet en dient een vergunning te worden aangevraagd, zodat, de minister artikel 27 MVD schendt door, net zoals de bestendige deputatie, (...) zich niet uit te spreken over de akteneming, maar te handelen alsof een vergunningsaanvraag nodig is en door na te laten in voorkomend geval vast te stellen dat de voorgenomen verandering een bijkomend risico voor de mens of een aantasting voor het leefmilieu inhoudt of dat de bestaande hinder er door vergroot"; dat verzoeker het middel als volgt toelicht : "1. De bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen stelt in zijn besluit van 9 mei 1996, waartegen het beroep bij de minister is ingesteld, uitdrukkelijk (...) : strekkende tot het bekomen van een milieuvergunning om een varkensbe- drijf, ... te veranderen door uitbreiding ...' en verder : Aan de heer MERCELIS Frans, ... wordt vergunning geweigerd, om een varkensbedrijf, ... te veranderen door uitbreiding met ...' Ook in het bestreden besluit wordt in de eerste alinea reeds gesteld : VII-15.159-4/27 en in het beschikkend gedeelte : wordt ongegrond verklaard. Artikel 2. - De bestreden beslissing nr. 2/MLAV1/95-487/PAG van 9 mei 1996 ... houdende het weigeren van de vergunning ... om een varkensbe- drijf, ... te veranderen door uitbreiding ... wordt bevestigd'. 2. De overheid wist dus duidelijk dat de aanvraag de verandering van een inrichting betreft door uitbreiding, zonder dat de inrichting moet ingedeeld worden in een hogere klasse. De bestreden beslissing maakt er immers nergens melding van dat de uitbreiding de indeling van de inrichting in een hogere klasse tot gevolg zou hebben. De minister diende zich bijgevolg uit te spreken over de akteneming. 3. Overeenkomstig artikel 45 MVD en artikel 73 Vlarem I, worden bestaande inrichtingen, vergund vóór de inwerkingtreding van het MVD, overeenkomstig de indelingslijst in drie klassen ingedeeld. De bestaande, vergunde inrichting van verzoekende partij omvatte 666 varkens en 140 runderen (exploitatievergunning dd. 10 juni 1985) en de inrichting is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Bijgevolg maakt de inrichting van verzoekende partij een gemengd bedrijf uit, zoals bedoeld in artikel 9.5. van de indelingslijst als bijlage gevoegd bij Vlarem I, waarvoor overeenkomstig de formule in rubriek 9.5.
- a)Zelfs indien men van oordeel zou zijn dat rubriek 9.5.
- c)van toepassing zou zijn, zijnde de Daarbij dient opgemerkt dat de indelingslijst voor de aanduiding van de gebieden rekening houdt met de begrippen van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen en dat dit inrichtingsbesluit een onderscheid maakt tussen de agrarische gebieden en de agrarische gebieden met overdruk, zoals de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden. Ook de indelingslijst maakt een onderscheid tussen gebieden met eenzelfde basisbestemming, doch verschillende overdruk (zie bvb. onderscheid woongebied en woongebied met landelijk karakter). Nu de bestaande inrichting van verzoekende partij een klasse 1-inrichting uitmaakte, en dit ook blijft na de toekenning van de vergunningsaanvraag, bevindt verzoekende partij zich binnen de toepassingsvoorwaarden van artikel 27, § 2 MVD, nl. de meedeling aan de bestendige deputatie van de verandering van de inrichting door uitbreiding, zonder dat de verandering de indeling in een hogere klasse tot gevolg heeft. De vergunningverlening geschiedt dan bij aktename. 4. Desalniettemin heeft de minister het ingediende dossier beschouwd als een vergunningsaanvraag, zonder dat hijzelf of de bestendige deputatie ingevolge artikel 27, § 2, derde lid MVD of artikel 5, § 1,
- b)Vlarem heeft vastgesteld dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu zou inhouden of de bestaande hinder zou vergroten. Het is immers niet aan de exploitant om te beslissen dat hij een vergunnings- besluit wil, daar waar wettig een akteneming volstaat. De exploitant heeft niet alleen geen keuze, hij kan ook geen afstand doen van de mogelijkheid om akteneming te krijgen van de voorgenomen verandering. VII-15.159-5/27 Het komt de overheid die in beroep uitspraak doet, toe om, op haar beurt, de ontvankelijkheid te onderzoeken"; 3.1.2. Overwegende dat in haar memorie van antwoord de verwerende partij stelt dat de aanvraag terecht geweigerd is op grond van de in het bestreden besluit opgesomde motieven in verband met de verenigbaarheid van de aanvraag met de geldende bepalingen van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en dat het daarbij niet relevant is te weten of "de verandering al dan niet een verhoging van de klasse van de inrichting ingedeeld volgens bijlage I bij Vlarem I tot gevolg heeft"; 3.1.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker betoogt dat de repliek van de verwerende partij volledig naast de kwestie is; dat voorts hij nog volgende repliek geeft : "Verzoekende partij heeft immers opgeworpen dat de verwerende partij artikel 27 MVD geschonden heeft door zich niet uit te spreken over de akteneming, maar te handelen alsof een milieuvergunningsaanvraag nodig was en zonder daarbij vast te stellen dat de voorgenomen verandering een bijkomend risico voor de mens of een aantasting voor het leefmilieu inhoudt of dat de bestaande hinder daardoor vergroot. 2. De omstandigheid dat wegens het niet-voldaan zijn aan de voorwaarden, zoals vereist in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, geen vergunning zou kunnen afgeleverd worden, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord voorhoudt, doet geen afbreuk aan de toepasselijk- heid van artikel 27 MVD. Op grond van artikel 27, § 1 MVD dient een vergunning aangevraagd te worden telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft en bij toevoeging. In de andere gevallen moet de verandering gemeld worden aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. In casu is er noch sprake van een indeling in een hogere klasse noch van een toevoeging, hetgeen door de verwerende partij in haar memorie van antwoord ook niet betwist wordt. Niettemin heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in zijn besluit van 9 mei 1996 geweigerd om de verandering bij wege van akteneming te vergunnen, zoals bepaald in artikel 27, § 2, lid 2 MVD. In dat geval had zij bij gemotiveerde beslissing dienen vast te stellen dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. De bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen heeft nagelaten dit te doen en de aanvraag van een vergunning door verzoekende partij behandeld als ware het een verandering van een vergunde inrichting die de indeling ervan in hogere klasse tot gevolg heeft of als ware het een verandering bij toevoeging. 3. De beoordeling of een verandering door uitbreiding louter via melding dan wel via een vergunningsaanvraag dient vergund te worden, behoort tot de opdracht van de overheid en niet van de exploitant (BILLIET, C., VII-15.159-6/27 milieuvergunningsstelsel, normstelling en normhandhaving : het recente wetgevende werk', in Milieuvergunningen en milieumeldingen. Recht en praktijk, BILLIET, C. (ed.), Brugge, die Keure, 1994, 19). De exploitant heeft immers geen keuze. De overheid diende zelf de aanvraag te behandelen als een melding, nu ze zelf niet vastgesteld heeft dat het ging om een verandering met een indeling in een hogere klasse tot gevolg. Immers, de overheid heeft op grond van artikel 27 MVD de plicht om te onderzoeken of, gelet op het voorwerp van de aanvraag, het een werkelijke aanvraag in de zin van artikel 27 § 1 MVD betreft, dan wel kan worden volstaan met een melding in de zin van artikel 27 § 2 MVD. Bovendien heeft ze niet vastgesteld dat de voorgenomen verandering een bijkomend risico voor de mens of een aantasting voor het leefmilieu inhoudt of dat de bestaande hinder erdoor vergroot. Indien ze dit op gemotiveerde manier vastgesteld zou hebben, zou ze hiervan verzoekende partij op de hoogte dienen gebracht te hebben en medegedeeld hebben dat een aanvraag noodzakelijk was. De vaststelling dat op grond van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, geen vergunning zou kunnen verleend worden, hetgeen in de bestreden beslissing als weigeringsmotief wordt gehanteerd, doet aan deze verplichting geen afbreuk. Trouwens, de vraag of een melding in de zin van artikel 27, § 2 MVD volstaat, is een procedurele kwestie. De vraag naar de toepasselijkheid van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, voor zover dit besluit wettig zou zijn, stelt zich slechts bij de beoordeling van de grond van de aanvraag. De verwerende partij heeft nagelaten dergelijke beoordeling te maken. De omstandigheid dat de vergunning op grond van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, geweigerd werd, doet hieraan geen afbreuk. De overheid in beroep dient uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en dient bijgevolg ook de aanvraag en de te volgen procedure te beoordelen"; 3.1.4 Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie zich beperkt tot verwijzing naar zijn verzoekschrift en memorie van wederantwoord; 3.1.5. Overwegende dat artikel 27 van het decreet betreffende de milieuvergunning van 28 juni 1985 (milieuvergunningsdecreet) bepaalt : "§ 1. Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort. § 2. In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, §1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing. Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. VII-15.159-7/27 § 3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen in verband met de verandering van de vergunde inrichting"; Overwegende dat deze bepaling niet voorschrijft, noch inhoudt, dat de overheid, wanneer een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend, ambtshalve moet onderzoeken of een akteneming niet tot de mogelijkheden behoort; dat zij er daarentegen mag van uitgaan dat, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een verandering die niet de indeling van de inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft of op een toevoeging, de aanvrager zelf van oordeel is dat de gevraagde verandering van die aard is dat ze een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot en daarom een vergunning wenst te bekomen; dat de overheid dan ook over die aanvraag moet beslissen, hetgeen zij in casu heeft gedaan; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 11 en 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, van artikel 27 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, "doordat, de minister geen rekening houdt met de datum van indiening van de aanvraag tot verandering door uitbreiding, m.n. 21 december 1995, terwijl, voor een verandering door uitbreiding, zonder dat daardoor de inrichting in een hogere klasse wordt ingedeeld geen milieuvergunningsaanvraag nodig is, dan wanneer de overheid daartoe op grond van de in artikel 27 MVD opgesomde redenen beslist en er geen ontvankelijk en volledigverklaring is voor de in artikel 27 MVD en artikel 5 bedoelde melding. zodat, de bestendige deputatie door geen rekening te houden met de datum van indiening, maar uit te gaan van een overbodige ontvankelijk en volledig- verklaring ten onrechte het vergunningenbesluit heeft toegepast en derhalve de in het middel aangehaalde bepalingen schendt"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat te dezen voor de verandering van de inrichting een milieuvergunningsaanvraag vereist was en dat de afwikkeling van de daartoe wettelijk voorziene procedure onder meer behelst dat de aanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard overeenkomstig het bepaalde van artikel 35, 1/, van Vlarem I; VII-15.159-8/27 3.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert wat volgt : "1. De verwerende partij kan niet gevolgd worden. Verzoekende partij werpt in dit middel immers op dat de verwerende partij ten onrechte bij de beoordeling van de aanvraag uitgegaan is van de datum van volledig- en ontvankelijkverklaring van de aanvraag van verzoekende partij, nu er voor de in artikel 27, § 2 MVD, juncto artikel 5 Vlarem I bedoelde melding geen volledig- en ontvankelijkverklaring bestaat. Derhalve diende de minister bij de beoordeling van de aanvraag tot verandering door uitbreiding uit te gaan van de datum van aanvraag. 2. Ten onrechte stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat elke aanvraag tot verandering van een eerste klasse inrichting op zijn volledig- heid en ontvankelijkheid wordt onderzocht. De verwerende partij geeft trouwens niet aan op grond van welke bepaling dit zo zou zijn. De verwijzing door de verwerende partij naar artikel 35, 1/ Vlarem I gaat alleszins niet op. Dit artikel regelt immers de procedure van de milieuvergunningsaanvragen zoals bedoeld (
- in)artikel 6, 1, 2/ van Vlarem I. Meer bepaald betreft het hier de procedure van de milieuvergunningsaanvragen, zoals bedoeld in artikel 27, § 1 MVD, en niet de procedure voor de meldingen, zoals bedoeld in artikel 27, § 2 MVD. Welnu, in casu dient de aanvraag van verzoekende partij beschouwd te worden als een melding in de zin van artikel 27, § 2 MVD (cfr. supra eerste middel). 3. Ook het standpunt van verwerende partij dat er bij uitbreiding van eerste klasse inrichtingen alleen maar meldingen dienen gedaan te worden en geen vergunningsaanvragen doet niet terzake en gaat uit van een onvolledige lezing van artikel 27 § 2 MVD. De verwerende partij geeft niet aan waaruit zij afleidt dat dit niet de bedoeling van de decreetgever kan geweest zijn. Bij de lezing van artikel 27, § 2 MVD stelt men vast dat in de gevallen, andere dan deze opgesomd in artikel 27 § 1 MVD, de verandering moet meegedeeld worden aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. Op grond van artikel 27 § 1 MVD dient een vergunning enkel te worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft en bij toevoeging. Hieruit volgt dat bij de verandering van een vergunde klasse 1 inrichting die geen toevoeging tot gevolg heeft, een melding bestaat. Dit dient evenwel genuanceerd te worden, nu op grond van artikel 27, § 2, lid 3 MVD toch een vergunning dient aangevraagd te worden indien de overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. In dit laatste geval zal er uiteraard ook een volledig- en ontvankelijkheidsver- klaring dienen te gebeuren. Deze ontvankelijk- en volledigverklaring betreft niet de melding waarop de overheid besliste dat er een bijkomend risico is voor de mens, een bijkomende aantasting van het leefmilieu of een vergroting van de bestaande hinder, maar wel de daaropvolgende ingediende milieuvergunnings- aanvraag. 4. De verwijzing door de verwerende partij naar de appreciatiebevoegdheid van de overheid bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag doet eveneens niet terzake. VII-15.159-9/27 Verzoekende partij werpt in dit middel immers op dat bij de beoordeling dient uitgegaan te worden van de datum van indiening en niet van de datum van volledig- en ontvankelijkverklaring. Het valt niet te betwisten dat het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, niet toepasselijk is op aanvragen ingediend vóór 1 januari 1996, zijnde de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Welnu, de aanvraag werd ingediend voor de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, en wel op 21 december 1995. De weigering van de vergunning met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, schendt deze regeling. 5. De omstandigheid dat verzoekende partij een aanvraagformulier voor een milieuvergunning heeft ingediend en geen meldingsformulier doet niets af aan de verplichting van de overheid om na te gaan of kan worden volstaan met een melding in de zin van artikel 27, § 2 MVD of dat een vergunning overeenkom- stig artikel 27, § 1 dient aangevraagd te worden (cfr. supra eerste middel)"; 3.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie verwijst naar zijn verzoekschrift en memorie van wederantwoord; 3.2.5. Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel werd gewezen dat de verwerende partij terecht de aanvraag van verzoeker als een vergunningsaanvraag -en niet als een melding- heeft behandeld; dat daaruit volgt dat de ontvankelijk- en volledigverklaring van verzoekers aanvraag geenszins "overbo- dig" was aangezien zulks uitdrukkelijk wordt voorgeschreven door artikel 35, 1/, van Vlarem I dat voorziet in het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag en haar bijlagen in het licht van de in artikel 5 van hetzelfde besluit opgesomde gegevens die de aanvrager verplicht is mee te delen bij het indienen van zijn aanvraag; dat de verwerende partij dan ook correct heeft gehandeld door de datum van ontvankelijk- en volledigverklaring en niet de datum van indiening van de overigens onvolledige aanvraag in aanmerking te nemen voor het bepalen van de toepasselijke wetgeving; dat het middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker het derde middel neemt uit machtsoverschrijding en uit de schending van de artikelen 3, 20 en 27 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) en de eerste bijlage bij dat besluit en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II); dat hij betoogt dat de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van artikel 13 van VII-15.159-10/27 het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet (vergunningenbesluit), terwijl dat reglementair besluit om verschillende redenen onwettig is; dat hij die redenen toelicht als volgt : "1. Het artikel 13 waar het bestreden besluit naar refereert is artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (Belgisch Staatsraad 30 december 1995, blz. 36.164, i.h.b. blz. 36.171). Dit besluit wordt ingevolge een omzendbrief van de Vlaamse minister van Leefmilieu van 9 mei 1996 (Belgisch Staatsblad 11 juli 1996, blz. 19.016) het Het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 is om verschillen- de redenen onwettig, zodat het gelet op artikel 159 van de Grondwet geen toepassing kan vinden. Beroepster werpt hier dan ook uitdrukkelijk de onwettigheidsexceptie op t.a.v. dat besluit. 2. De aanhef van dit besluit is als volgt gesteld : december 1993 en 21 december 1994; Gelet op het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, inzonderheid op de artikelen 33 en 34, gewijzigd bij decreet van 30 december 1994; Gelet op het advies van de Stuurgroep Vlaamse mestproblematiek, gegeven op 14 december 1995; Overwegende dat het noodzakelijk is ter bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door dierlijke mest, uitvoering te geven aan de beheersing van de nutriëntenproduktie door de veestapel in het Vlaamse Gewest; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen in werking is getreden op 1 januari 1996; Overwegende dat door wijziging van voormeld decreet nieuwe bepalingen betreffende vergunningen en mestafzet en -verwerking worden opgelegd; dat met het oog op de kennis van de mestoverschotten en de vaststelling van de basisheffing de nodige gegevens ingewonnen dienen te worden vóór 15 maart; dat met het oog op het onder controle brengen van het verhandelen van dierlijke mest dringend nadere regels dienen te worden vastgesteld voor de erkenning van mestvoerders en voor de doelmatige afvoer van mestoverschotten'. 3. Dit besluit behelst milieuvoorwaarden die afwijken van de sectorale voorwaarden van Vlarem II (Hoofdstukken 5.9 en 5.28). Het gaat wel degelijk om afwijkingen, aangezien de bepalingen van Vlarem II van kracht blijven. Luidens artikel 20 MVD mag de Vlaamse regering van de sectorale voorwaarden wel afwijken, maar mag dit enkel wanneer dit nodig is om technische redenen en moet die afwijking gebeuren bij gemotiveerd besluit. Welnu, in het hoger aangehaalde besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 wordt geen enkele technische reden aangehaald die VII-15.159-11/27 noodzaakt dat afgeweken wordt van de sectorale voorwaarden van de hoofdstukken 5.9 en 5.28 van Vlarem II. 4. Het genoemde besluit van 20 december 1995 is ook aangetast door machtsafwending. Er wordt inderdaad klaar en duidelijk gesteld dat het besluit uitgevaardigd wordt ter uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. Inhoudelijk wordt echter het verlenen van milieuvergunningen geregeld, wat nochtans het voorwerp uitmaakt van een andere reglementering, m.n. het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Dat wordt bevestigd in de omzendbrief van de Vlaamse minister van Leefmilieu van 9 mei 1996 (Belgisch Staatsblad 11 juli 1996, blz. 19.016) waarin dit besluit betiteld wordt als het Het besluit van de Vlaamse regering is dan ook aangetast door machtsafwen- ding (zie MAST, A., DUJARDIN, J., VAN DAMME, M. en VANDE LANOTTE, J., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1996, nrs. 797-800). 5. Het besluit van de Vlaamse regering is ook om andere redenen nog onwettig. Het gaat immers om een reglementair besluit dat genomen is in strijd met artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aangezien het niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Daarvoor wordt formeel beroep gedaan op Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid moeten alle ontwerpen van reglementaire besluiten aan het met redenen omklede advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State worden onderworpen. Sinds 1 oktober 1980 dient het beroep op de hoogdringendheid met Het eerste besluit van 20 december 1995 doet wel beroep op de de Het komt de afdeling administratie toe het beroep op de dringende noodzake- lijkheid op zijn wettigheid te toetsen (zie MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Brussel, E. Story-Scientia, 1994, 681; COREMANS, H. en VAN DAMME, M., o.c., 30). Zo zal o.m. de pertinentie van de aangevoerde motieven moeten nagegaan worden (zie MAST, A., DUJARDIN, J., VAN DAMME, M. en VANDE LANOTTE, J., o.c., 724- 725 en de rechtspraak vermeld in noot 32). 6. Uit de aanhef van het besluit kan niet worden opgemaakt welke bijzondere redenen daartoe voorhanden zijn. In de aanhef kan men enkel lezen : Gelet op de. wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen in werking is getreden op 1 januari 1996; VII-15.159-12/27 Overwegende dat door wijziging van voormeld decreet nieuwe bepalingen betreffende vergunningen en mestafzet en -verwerking worden opgelegd; dat met het oog op de kennis van de mestoverschotten en de vaststelling van de basisheffing de nodige gegevens ingewonnen dienen te worden vóór 15 maart; dat: met het oog op het onder controle brengen van het verhandelen van dierlijke mest dringend nadere regels dienen te worden vastgesteld voor de erkenning van mestvoerders en voor de doelmatige afvoer van mestoverschotten'; 7. De aangehaalde consideransen zijn van dezelfde aard als deze waarmee voor het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 de hoogdringendheid werd omschreven. Daarover heeft de Raad van State geoordeeld dat het hoogdringend karakter van het besluit wordt verantwoord door de overweging dat het dringend noodzakelijk is de reglementering in kwestie tot stand te brengen, zonder dat dit motief concreet wordt gespecifieerd, zodat de considerans eerder een cliché dan een met substantiële gegevens omklede redengeving is (zie R.v.St., Van Loveren, nr. 49.457, 6 oktober 1994 en R.v.St., v.z.w. Koninklijk Verbond der Belgische Schuttersverenigingen, nr. 52.260, 16 maart 1995). 8. De consideransen stellen immers dat het decreet van 23 januari 1991 gewijzigd is en dat met het oog daarop dringend regels moeten vastgesteld worden voor de erkenning van mestvoerders en voor de doelmatige afvoer van mestoverschotten. Die consideransen zijn alleszins niet pertinent om bij hoogdringendheid het vergunnings- en exploitatiesysteem te wijzigen. 9. De Raad heeft terzake ook al geoordeeld dat een motivering die beperkt blijft tot het een beknopte omschrijving of herhaling van het voorwerp van de betrokken maatregel, niet voldoet (zie R.v.St., Debacker, nr. 23.479, 14 september 1983; R.v.St., v.z.w. Medisch Instituut E. Cavel, nr. 46.408, 4 maart 1994)"; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het middel als volgt beantwoordt : "1. Vooreerst beroept verzoeker zich voor de onwettigheidsexceptie op een beweerde machtsoverschrijding. Verzoeker verwijst naar het feit dat het besluit van 20 december 1995 afwijkingen van de sectorale voorwaarden van Vlarem II behelst, zonder dat verwerende partij voor deze afwijkingen, zoals vereist in artikel 20 van het Milieuvergunningsdecreet, een motivatie en technische reden opgeeft. Verwerende partij verwijst ter zake naar hetgeen reeds werd uiteengezet in het tweede middel. Verwerende partij dient bij de beoordeling van een aanvraag ongeacht het eventueel voorhanden zijn van bewijzen van voldoende mestafzet, mestopslag- capaciteit enz., eveneens rekening te houden met de bestaande toestand en het leefmilieu in het algemeen op de plaats van de aangevraagde inrichting. In het bestreden besluit van 27 november 1996 wordt de volgende overwe- ging weerhouden : ken 9.3 tot en met 9.8, behoudens wanneer het gaat om : VII-15.159-13/27 - de hernieuwing van een vergunning van een bestaande veeteeltinrich- ting; - een volledige verplaatsing van een inrichting; - de verandering van een vergunning van een bestaande veeteeltinrichting die voldoet aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijf, zonder dat daarbij een stijging van de mestproductie van de inrichting plaatsgrijpt; dat de inrichting hieraan niet voldoet'; In casu heeft verwerende partij rekening gehouden met de bestaande toestand en met het leefmilieu in het algemeen op de plaats van de inrichting : de maxima van difosforpentoxide en stikstof zijn reeds overschreden en dienen bijgevolg onder controle gehouden te worden. Het is evident dat bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag door verandering door uitbreiding verwerende partij de regelgeving opgenomen in het Milieuvergunningsdecreet, Vlarem I en Vlarem II in samenhang beschouwt met de regelgeving van het Mestdecreet. De bescherming van het leefmilieu kan immers niet op efficiënte wijze bewerkstelligd worden indien men de ene wetgeving onafhankelijk en onverbon- den met de andere beschouwt. 2. Vervolgens verwijst verzoeker naar een beweerde machtafwending in hoofde van verwerende partij. Hierbij houdt verzoeker voor dat het Besluit van 20 december 1995 aanvankelijk genomen werd tot wijziging van de artikelen 33 en 34 van het Mestdecreet, maar de facto voor andere doeleinden zou worden aangewend, met name voor het verlenen van vergunningen hetgeen nochtans geregeld wordt door het Milieuvergunningsbesluit en Vlarem I en II. Verwerende partij verwijst hiervoor naar hetgeen in het eerste punt besproken werd : zowel de bepalingen opgenomen in het Mestdecreet als deze opgenomen in het Milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten dienen door verwerende partij in aanmerking genomen te worden, wil men de vooropgestelde doeleinden voor de bescherming van het leefmilieu in het algemeen belang bereiken. Er is in casu geen sprake van enige machtsafwending. 3. Tenslotte wijst verzoeker op een laatste beweerde onwettigheid van het Besluit van 20 december 1995, wegens het niet raadplegen van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State, zonder dat er bijzondere redenen van hoogdringendheid voorhanden zouden zijn. Het Besluit van 20 december 1995 bepaalt in de aanhef het volgende (...) : Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § l, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het Decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen in werking is getreden op 1 januari 1996; Overwegende dat door die wijziging van voormeld Decreet nieuwe bepalingen inzake vergunningen en mestafzet en verwerking worden opgelegd, dat met het oog op de kennis van de mestoverschotten en de vaststelling van de basisheffing de nodige gegevens ingewonnen dienen te worden vóór 15 maart; dat met het oog op het onder controle brengen van het verhandelen van dierlijke mest dringend nadere reqels dienen te worden vastgesteld voor de erkenning van mestvoeders en voor een doelmatige afvoer van mestoverschotten'; VII-15.159-14/27 Deze motivering dient gezien in het licht van de doelstellingen van het door het Decreet van 20 december 1995 gewijzigde Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen : fen'. (Artikel 2 van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd door art. 2 van het Decreet van 20 december 1995) Het Decreet van 20 december 1995 trad in werking op 1 januari 1996, waardoor het dringend noodzakelijk was eveneens de uitvoeringsbesluiten van het gewijzigde Mestdecreet in werking te laten treden. De aanhef van het Besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikelen 33 en 34 van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen verwijst ook uitdrukkelijk naar de inwerkingtreding van het gewijzigde Mestdecreet. Aangezien de artikelen 33 en 34 van het Mestdecreet betrekking hebben op de regels betreffende de productie van dierlijke mest, en de doelstelling van het Mestdecreet zoals gewijzigd bij Decreet van 20 december 1995 de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen betreft, dienden deze artikelen dringend in uitvoering gebracht te worden in uitvoeringsbesluiten, ten einde de werking van het Mestdecreet te vrijwaren. De uitvaardiging van het Besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikelen 33 en 34 van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen was dus wel degelijk dringend noodzakelijk om de doelstellingen van het gewijzigde Mestdecreet te bewerkstelligen. Het voorgaande werd eveneens uitdrukkelijk vermeld in de aanhef van het Besluit van 20 december 1995"; 3.3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volgende bijkomende argumenten ontwikkelt : "1. De verwerende partij doet ten onrechte voorkomen alsof verzoekende partij zich voor een onwettigheidexceptie op machtsoverschrijding zou beroepen en zou verwijzen naar het feit dat het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, afwijkingen van de sectorale voorwaarden van Vlarem II behelst zonder dat verwerende partij voor deze afwijkingen een motivatie en technische reden opgeeft. De verwerende partij haalt hier twee zaken door elkaar. De opgeworpen machtsoverschrijding heeft geen uitstaans met de opgewor- pen onwettigheidsexcepties ten aanzien van het besluit van 20 december 1995, maar slaat juist op de bestreden beslissing zelf. Immers, de verwerende partij overschrijdt haar macht door de inrichting van verzoekende partij van de reglementering van Vlarem II uit te sluiten, terwijl deze bevoegdheid niet toekomt aan de verwerende partij. Op grond van artikel 20 MVD kan enkel de Vlaamse regering bij gemotiveerd besluit afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en dit wanneer een technische reden voorhanden is. Onder VII-15.159-15/27 De overwegingen van het besluit van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, vallen geenszins onder dit begrip Verder verwijst de aanhef van het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 30 december 1995) naar de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 en de overweging dat door deze inwerkingtreding nieuwe bepalingen betreffende vergunningen en mestafzet en -verwerking worden opgelegd. Ook de verweren- de partij verwijst naar de inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 33 en 34 van het Mestdecreet ter verantwoording van de hoogdringendheid. De aanhef van het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 30 december 1995) geeft aldus enkel de reden aan waarom het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 30 december 1995) genomen wordt, namelijk om mestafzet en -productie te regelen, niet op grond van welke technische reden eigen aan de inrichting moet worden afgeweken van Vlarem II. De argumentatie van de verwerende partij terzake gaat hier volledig aan voorbij en is bijgevolg niet dienend. 2. Ook de argumentatie van de verwerende partij met betrekking tot de opgeworpen machtsafwending ten aanzien van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, is niet dienend. De verwerende partij verwijst immers naar haar argumentatie met betrekking tot de machtsoverschrijding. Uit de argumentatie van de verwerende partij terzake blijkt dat zij er van uitgaat dat de opgeworpen machtsafwending betrekking heeft op de bestreden beslissing. De opgeworpen onwettigheidsexceptie slaat evenwel op het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, nu dit besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, aangetast is door machtsafwending. 3. Wat (het) hoogdringend karakter van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, betreft, stelt verwerende partij dat het dringend noodzakelijk was de uitvoeringsbesluiten van het gewijzigde mestdecreet in werking te laten treden gelet op de inwerkingtreding van dit gewijzigde mestdecreet op 1 januari 1996. De consideransen van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, zijn echter allesbehalve pertinent, nu met geen woord gerept wordt waarom bij hoogdringendheid het vergunnings- en exploitatiesysteem diende gewijzigd te worden. In de aanhef van het besluit wordt immers enkel vermeld
(1)dat het noodzakelijk is ter bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door dierlijke mest, de nutriëntenproduktie door de veestapel in het Vlaamse Gewest te beheersen,
(2)dat VII-15.159-16/27 verontreiniging door meststoffen in werking is getreden op 1 januari 1996' en
(3)dat Het feit dat de overheid kennis had genomen van het bestaan van mestover- schotten rechtvaardigt niet het uitvaardigen van het besluit bij hoogdringendheid. Het bestaan van mestoverschotten was immers geen nieuw gegeven. Dit is enkel een reden om op te treden, niet om 4. Hierbij dient opgemerkt te worden dat artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 gewijzigd werd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996. Ook in dit beslutit van 9 mei 1996 (B.S. 20 juli 1996) beroept de Vlaamse regering zich op de Welnu, ook uit de aanhef van het besluit van 9 mei 1996 kan niet worden opgemaakt welke bijzondere redenen voorhanden zijn om af te zien van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. In de aanhef van het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996 leest men (...) : Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het noodzakelijk is ter bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door dierlijke mest, de nutriëntenproduktie door de veestapel in het Vlaamse Gewest te beheersen; Overwegende dat het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen in werking is getreden op 1 januari 1996; Overwegende dat door de wijziging van voormeld decreet nieuwe bepalingen betreffende vergunningen en mestafzet en -verwerking worden opgesteld'; Uit de consideransen van beide besluiten blijkt het stereotiep karakter van de motivering van de dringende noodzakelijkheid van het besluit van 20 december 1995 en van 9 mei 1996. De consideransen in het besluit van 9 mei 1996 zijn immers identiek als deze van het besluit van 20 december 1995. Daarmee is het besluit van 9 mei 1996 in de aanhef nog minder afdoende gemotiveerd dan het besluit van 20 december 1995. Deze consideransen zijn in elk geval niet pertinent om bij hoogdringendheid het vergunnings- en exploitatiesysteem te wijzigen. Nu in casu in het besluit van 9 mei 1996 evenmin het beroep op de hoog- dringende noodzakelijkheid in concreto wordt gespecificeerd, dient de onwettigheidsexceptie ontvankelijk en gegrond te worden verklaard en kan gelet op artikel artikel 159 van de Grondwet ook geen toepassing worden gemaakt van het besluit van 9 mei 1996 5. Bovendien bestaat er in hoofde van de mestbank een ontvangstplicht voor mestoverschotten, zodat logischerwijze een ecologisch verantwoorde mestafzet eigenlijk hoe dan ook gewaarborgd is. Om die reden valt dan ook niet in te zien waarom de betrokken besluiten van respectievelijk 20 december 1995 en van 9 mei 1996 bij hoogdringendheid dienden te worden genomen. De doelstelling van het mestdecreet, met name, de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de produktie en het gebruik van meststoffen zoals bepaald in artikel 2 van het mestdecreet, was bijgevolg al gewaarborgd. Deze ontvangstverplichting volgt uit artikel 11, § l, 3/ van het Mestdecreet : VII-15.159-17/27 Artikel 32 van het Besluit van Vlaamse Executieve van 17 december 1992, opgeheven bij besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van sommige artikelen van het.decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, bepaalde onder het hoofdstuk "De mestbank dient binnen de dertig kalenderdagen volgend op de postdatum van de in artikel 31 bedoelde aanvraag de aangeboden dierlijke mest af te nemen. Hiertoe duidt de mestbank een erkende vervoerder aan die contact moet opnemen met de producent om deze de methode en de datum van afname mede te delen'. In het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescher- ming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 30 december 1995) werd in de artikelen 33 en volgende een nieuwe regeling voorzien van de afnameverplichting van de Mestbank. Ook dit besluit trad in werking op 1 januari 1996. Met betrekking tot dit besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 30 december 1995) kan ook geen hoogdringendheid aanvaard worden, nu de afnameplicht van de Mestbank reeds geregeld was bij besluit van de Vlaamse Executieve van 17 december 1992. De mestafzet was alleszins reeds op een ecologische wijze gewaarborgd. In een zaak bij uw Raad gekend onder A/A. 55.652/VII-12.398 was ook de Auditeur de mening toegedaan dat in hoofde van de Mestbank een ontvangstverplichting bestaat : vangstplicht bestaat ten aanzien van de afname van mest. Ook uit de voorbereidende werkzaamheden van het meststoffendecreet blijkt dat er sprake is van een werkelijke ontvangstplicht van de mestbank. In de schaarse rechtsleer waar de Mestbank ter sprake komt - en dan nog in beperkte mate - schijnt men ook aan te nemen dat er in hoofde van de Mestbank een ontvangstplicht bestaat'. (Auditoraatsverslag A/A 55.652/VII-12.398 dd. 5 maart 1994"; 3.3.5.1. Overwegende dat de bestreden vergunningsweigering steunt op de volgende motieven : "Overwegende dat de vergunningsaanvraag voor de eerste maal werd ingediend op 21 december 1995; dat bij schrijven van 3 januari 1996 van de Bestendige Deputatie aan de exploitant werd gemeld dat de aanvraag onvolledig werd bevonden omwille van de volgende tekortkomingen : (...); dat de vergunningsaanvraag op 9 januari 1996 vervolledigd terug aan het provinciebe- stuur werd overgemaakt; dat vervolgens de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig werd verklaard op 18 januari 1996; dat volgens artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering dd. 20 december 1995 tot uitvoering van art. 33 en 34 van het Mestdecreet er voor de vergunningsaanvragen die na 1 januari 1996 ontvankelijk en volledig werden verklaard nog een milieuvergunning kan worden verleend voor : - aanvragen die volledig en ontvankelijk verklaard zijn vóór 1 januari 1997 in geval van hernieuwing van de milieuvergunning; - in geval van volledige verplaatsing; VII-15.159-18/27 - een verandering van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf op voorwaarde dat de vergunde mestproductie op de bestaande veeteeltinrichting niet stijgt ten gevolge van de verandering; dat het hier een verandering van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf betreft, doch dat de totale mestproduktie na de uitbreiding met 684 varkens stijgt zodat de aanvraag niet voldoet aan art. 13 van hogerver- meld besluit; (...): Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de vergunningsaanvraag voldoet niet aan art. 13 van het besluit van de Vlaamse regering dd. 20 december 1995 tot uitvoering van art. 33 en 34 van het Mestdecreet; - overeenkomstig artikel 35 van titel I van het Vlarem wordt de vergunnings- aanvraag onderzocht op haar ontvankelijkheid en volledigheid; wordt de aanvraag onvolledig bevonden omwille van ontbrekende gegevens overeenk- omstig het bepaalde in artikel 5 dan dient de aanvrager hiervan binnen de veertien dagen in kennis te worden gesteld; deze procedure is nageleefd in huidig dossier; Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, van het mestdecreet vaststelt dat de maxima van 75 miljoen kg difosforpentoxide en 169 miljoen stikstof voor het Vlaamse Gewest overschreden zijn; dat hierdoor voor de vergunningsaanvragen na 1 januari 1996 overeenkomstig artikel 33 van het mestdecreet geen milieuvergunning meer kan worden verleend voor een inrichting als bedoeld in de VLAREM-indelingsrubrieken 9.3. tot en met 9.8., behoudens wanneer het gaat om : - de hernieuwing van een vergunning van een bestaande veeteeltinrichting; - een volledige verplaatsing van een inrichting; - de verandering van een vergunning van een bestaande veeteeltinrichting die voldoet aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijf, zonder dat daarbij een stijging van de mestproductie van de inrichting plaatsgrijpt; dat de inrichting hieraan niet voldoet"; dat uit bovenstaande motieven blijkt dat de gevraagde milieuvergunning geweigerd werd omdat deze niet voldeed aan artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; 3.3.4.2. Overwegende dat artikel 13 van het vergunningenbesluit van 20 december 1995 oorspronkelijk als volgt luidde : "Art. 13. In afwijking van artikel 12 treden de bepalingen van artikel 4 pas in werking op 1 januari 1997. Bij wijze van overgangsmaatregel kan in het jaar 1996 voor alle vergunningen die vervallen in 1996 en waarvoor een vergunningsaanvraag tot hernieuwing van een vergunning van een bestaande veeteeltinrichting wordt ingediend, uitsluitend een vergunning van één jaar toegekend worden. De bepalingen van artikel 3, § 2, 1/ blijven onverminderd geldig. Deze dossiers worden binnen het jaar na vergunning ambtshalve heronderzocht in het kader van dit besluit. Aanvragen tot verandering van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf kunnen in het jaar 1996 eveneens bij wijze van VII-15.159-19/27 overgangsmaatregel uitsluitend aanleiding geven tot een vergunning voor één jaar. De bepalingen van artikel 3, § 2, 3/ blijven onverminderd geldig. Daarenbo- ven mag de mestproduktie niet toenemen. Deze dossiers worden binnen het jaar na vergunning ambtshalve heronderzocht in het kader van dit besluit"; dat bij artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996 artikel 13 van het vergunningenbesluit van 20 december 1995 werd gewijzigd als volgt : "Art. 7. In art. 13 van hetzelfde besluit worden het tweede en derde lid vervangen door wat volgt : Bij wijze van overgangsmaatregel kan voor vergunningsaanvragen die volledig en ontvankelijk verklaard zijn voor 1 januari 1997, met betrekking tot de rubrieken 9.3 tot 9.8 van de indelingslijst alleen een vergunning verleend worden in de volgende gevallen en onder de bijbehorende voorwaarden : 1/ de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de hernieuwing van de vergunning van een bestaande veeteeltinrichting. De lopende vergunning dient te verstrijken tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1998. Bij de vergunnings- aanvraag dient voldaan te worden aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 3, § 2, 1/. De bevoegde overheid mag enkel een vergunning op proef verlenen overeenkomstig artikel 30, § 4, van het Vlarem met een maximale duur van één jaar. De einddatum van de vergunning op proef mag maximaal één jaar na de einddatum van de te hernieuwen vergunning liggen en mag niet na 31 december 1998 vallen. Voor het verstrijken van de termijn van de vergunning op proef wordt volgens de procedure vermeld in artikel 40 van het Vlarem, een defintitieve beslissing getroffen. Artikel 40, § 2, 1/, a, en artikel 40, § 2, 2/, a, van het Vlarem met betrekking tot de opmaak van een evaluatieverslag zijn hierop niet van toepassing; 2/ de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de volledige verplaatsing van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf. Bij de vergunningsaanvraag dient voldaan te worden aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 3, § 2, 2/; 3/ de vergunningsaanvraag heeft betrekking op het veranderen van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
- a)de vergunde productie op de veeteeltinrichting mag niet toenemen tengevolge van de aangevraagde verandering;
- b)het verlenen van de vergunning mag niet tot gevolg hebben dat het bedrijf waartoe de inrichting behoort, na de aangevraagde verandering niet langer als gezinsveeteeltbedrijf kan worden beschouwd;
- c)de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 2, 1/; dat aangezien voormeld besluit uitwerking heeft gekregen met ingang van 1 januari 1996 het dus van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit van 27 november 1996 genomen werd; 3.3.5.3.1. Overwegende, wat het eerste aangevoerd argument van onwettig- heid van voornoemd artikel 13 betreft, te weten dat evengenoemde bepaling een onwettige afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II VII-15.159-20/27 zou inhouden gelet op artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, dat het eerste lid van laatstgenoemd artikel luidt als volgt : "De Vlaamse regering wordt gemachtigd algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen, waarvan ze, indien om technische redenen noodzakelijk, bij gemotiveerd besluit kan afwijken"; dat, vooreerst, de grondslag van het vergunningenbesluit niet gelegen is in artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, maar dat het werd genomen ter uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet van 23 januari 1991; dat, daarenboven, en daargelaten de vraag of artikel 13 van het vergunningenbesluit wel milieuvoor- waarden bevat bedoeld bij evengeciteerd artikel 20, eerste lid, de Vlaamse regering krachtens dit artikel milieuvoorwaarden mag uitvaardigen die niet noodzakelijkerwij- ze en uitsluitend in Vlarem II moeten zijn opgenomen; dat deze ook kunnen worden opgenomen in een afzonderlijk besluit dat losstaat van Vlarem II; dat bovendien evengenoemd reglementair besluit zoals het gold op het ogenblik waarop het vergunningenbesluit werd genomen, geen milieuvoorwaarden bevat die betrekking hebben op de toegelaten mestproductie, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een nieuwe, te hernieuwen of te veranderen veehouderij; dat aangezien dergelijke voorwaarden niet worden opgelegd, er ook geen sprake kan zijn van een afwijking, laat staan van een onwettige afwijking van Vlarem II; 3.3.5.3.2. Overwegende, wat het tweede argument van onwettigheid betreft, namelijk dat het vergunningenbesluit is aangetast door machtsafwending daar dit besluit, uitgevaardigd ter uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffen- decreet van 23 januari 1991, een regeling inhoudt voor het verlenen van milieuver- gunningen terwijl die materie voorbehouden is aan het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, dat in artikel 2 van het meststoffendecreet wordt gesteld dat het decreet "de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de produktie en het gebruik van meststoffen" tot doel heeft; dat de artikelen 33 en 34 van dat decreet, gewijzigd door het decreet van 20 december 1995 en waarvan het vergunningenbesluit de uitvoering is, bepalingen bevatten die hoofdzakelijk betrekking hebben op het verlenen van milieuvergunningen; dat voor het bereiken van de doelstelling van het meststoffendecreet in dat decreet zelf dwingende regels worden opgelegd met betrekking tot de beoordeling van individuele milieuvergun- ningsaanvragen van inrichtingen die de productie van meststoffen met zich meebrengen; dat niet valt in te zien hoe het vergunningenbesluit, dat regels omvat met betrekking tot het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltbedrijven en een VII-15.159-21/27 verdere uitvoering is van het meststoffendecreet, dat eveneens dergelijke regels omvat, zou zijn aangetast door machtsafwending; 3.3.5.3.3.1. Overwegende, wat de derde grief betreft, te weten dat de dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd gemotiveerd en zelfs ten onrechte werd ingeroepen, dit om te ontsnappen aan de verplichting om advies te vragen aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat in casu toepassing werd gemaakt van artikel 13 van het vergunningenbesluit zoals het werd gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, waarvan de motivering van de dringende noodzakelijkheid verschillend is van die opgenomen in de aanhef van het besluit van 20 december 1995; dat de kritiek van verzoeker inzake de ingeroepen dringende noodzakelijkheid van het vergunningenbesluit van 20 december 1005, dan ook niet dienend is; dat in de aanhef van het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996 de dringende noodzakelijkheid als volgt werd gemotiveerd : "Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993 en 21 december 1994; Gelet op het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, inzonderheid op de artikelen 33 en 34, gewijzigd bij het decreet van 20 december 1995; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991, inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; Gelet op het advies van de Stuurgroep Vlaamse mestproblematiek, gegeven op 7 maart 1996; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het noodzakelijk is ter bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door dierlijke mest, de nutriëntenproductie door de veestapel in het Vlaamse Gewest te beheersen; Overwegende dat het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen in werking is getreden op 1 januari 1996; Overwegende dat door de wijziging van voormeld decreet nieuwe bepalingen betreffende vergunningen en mestafzet en -verwerking worden opgelegd"; 3.3.5.3.3.2. Overwegende dat de opgegeven motivering specifiek werd betrokken en werd toegespitst op de meststoffenreglementering waarvan het ontworpen besluit deel uitmaakt; dat zij niet als stereotiep kan worden bestempeld; dat, voorts, door artikel 7 van het besluit van 9 mei 1996 artikel 13 van het besluit van 20 december 1995 wordt gewijzigd dat de uitvoering vormt van bepalingen van het meststoffendecreet die op 1 januari 1996 in werking zijn getreden en dat het besluit van 9 mei 1996 terugwerkt tot voormelde datum; dat daarenboven door het VII-15.159-22/27 besluit van 9 mei 1996 wijzigingen worden aangebracht in een overgangsregeling voor het verlenen van milieuvergunningen in het lopende jaar 1996; dat dienvolgens de opgegeven motivering voor het inroepen van de dringende noodzakelijkheid pertinent is; dat het betoog van verzoeker dat reeds sinds 1992 er een regeling bestaat in verband met de verplichte afname van mestoverschotten door de Mestbank daaraan geen afbreuk doet; dat immers dergelijke regeling niet verhindert dat er voor de overheid dringende redenen kunnen bestaan om de ongelimiteerde productie van de meststoffen aan banden te leggen; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker het vierde middel neemt uit de afwezigheid van de rechtens vereiste juridische grondslag en uit de schending van "het decreet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurs- handelingen, artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 op de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering en het algemeen motiveringsbeginsel"; dat hij opwerpt dat de bestreden beslissing steunt op artikel 33 van het Meststoffendecreet, bepaling die echter ongrondwettig is omdat ze strijdt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat hij vraagt dat de Raad van State aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag zou stellen : "Strijdt artikel 33 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd bij Decreet van 20 december 1995, niet met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat dit artikel de verandering van een bestaande veeteeltinrichting afhankelijk maakt van de voorwaarde dat deze verandering geen stijging van de mestproductie inhoudt, zodat bepaalde bestaande veeteeltinrichtingen van de toepassing van de milieuvergunningsreglementering uitgesloten worden op grond van een niet pertinent criterium waarbij nl. geen rekening wordt gehouden met de werkelijke mestafzet en mestopslagcapaciteit van de inrichting in kwestie? "; 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord volgend verweer voert : "Verzoeker blijft in gebreke de beweerde strijdigheid van artikel 33 van het Mestdecreet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan te tonen. Bij het voeren van een beleid tot de verbetering van de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen is het immers noodzakelijk een grens te trekken aan de verdere toelating van de uitbreiding van de vervuiling door de productie van meststoffen. VII-15.159-23/27 In casu heeft artikel 1 van het Decreet van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, van het Mestdecreet het volgende vastgesteld : velijk 76.9 miljoen kg en 171.7 miljoen kg en overschrijden hierdoor de maxima zoals vastgesteld in artikel 33, § 1 van voormeld Decreet'. Indien verwerende partij conform zijn beleid en de doelstellingen van het Mestdecreet het leefmilieu aan de hand van nieuwe regelgeving tracht te beschermen, is het evident dat een limiet wordt gesteld om de mestproductie in te tomen en niet nog meer de maxima te laten overschrijden. In casu werd dan ook de volgende regeling genomen in artikel 13 in fine van het Besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikelen 33 en 34 van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen : Deze dossiers worden binnen het jaar na de vergunning ambtshalve onderzocht in het kader van dit besluit'. En aangezien de maxima overschreden zijn (zoals vastgesteld door artikel 1 van het Besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1 van het Meststoffendecreet), is niet artikel 3, § 2, 3/ van het vergunningenbesluit van 20 december 1995 van toepassing, doch wel artikel 4, § 2, 3/. Daarin wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verandering door uitbreiding geen stijging van de mestproductie tot gevolg mag hebben. Het wordt in casu niet betwist dat de door verzoeker aangevraagde verandering een stijging van de totale mestproductie tot gevolg zou hebben. Bijgevolg heeft verwerende partij terecht het beroep afgewezen en het besluit van de Bestendige Deputatie bevestigd. Er bestaat inderdaad een verschillende behandeling van de aanvragen indien de mestproductie door de uitbreiding toe- dan wel afneemt, hetgeen trouwens logisch is indien de regering tracht de mestproductie te verminderen, minstens op een zelfde peil te houden. Het is ondenkbaar dat de mestproductie teruggedrongen zou kunnen worden indien er geen onderscheid zou gemaakt worden tussen bestaande veeteeltbe- drijven die willen uitbreiden met of zonder stijging van de mestproductie tot gevolg. Logischerwijze wordt er een voorkeur gegeven aan deze uitbreidingen die niet gepaard gaan met een stijging van de vergunde mestproductie. Het onderscheidscriterium is bijgevolg pertinent, adequaat en evenredig met de vooropgestelde doelstellingen. Verwerende partij deed niets anders dan de toepasselijke regelgeving toepassen, regelgeving die strookt met de doelstellingen van de milieuwetgeving in het algemeen en het Mestdecreet in het bijzonder. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag dient afgewezen te worden"; 3.4.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat artikel 33 van het meststoffendecreet strijdig is met het gelijkheidsbe- VII-15.159-24/27 ginsel omdat het gehanteerde onderscheidingscriterium met betrekking tot het al dan niet stijgen van de mestproductie door de gevraagde verandering, noch pertinent, adequaat en evenredig is met de doelstellingen van het decreet; 3.4.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie verwijst naar zijn verzoekschrift en de memorie van wederantwoord; 3.4.5.1. Overwegende dat, na de wijziging door het decreet van 20 december 1995, artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet luidt als volgt : "De difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie in het Vlaamse Gewest, berekend op basis van de volledige veestapel vermenigvuldigd met de produktiehoeveelheden per dier en per jaar overeenkomstig artikel 5, mogen niet groter zijn of worden dan de difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie van de veestapel zoals deze gekend waren op basis van de gegevens van de land- en tuinbouwtelling van 15 mei 1992. Deze difosforpentoxideproduktie en stikstofproduktie worden respectievelijk vastgesteld op 75 miljoen kg difosfor- pentoxide en 169 miljoen kg stikstof. De Vlaamse regering stelt vast dat één van de twee van de hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden. Vergunningsaan- vragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunning en volledige verplaatsing zoals voorzien in art. 34, § 3, 1/ en 2/, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning na de datum van publikatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden. De Vlaamse regering kan in afwijking van de bepalingen van vorige alinea deze algemene beperking specifiek opheffen voor gezinsveeteeltbedrijven en bedrijven die louter en alleen omwille van de bepaling van artikel 2bis, § 2, 2/,
- a)van het decreet niet voldoen of niet kunnen voldoen aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijven, in zoverre de gemeentelijke produktiedruk dit kan toelaten en gekoppeld aan evenredige maatregelen zoals voorzien in de volgende alinea. (...)"; dat met voorgeciteerde bepaling de decreetgever in eerste instantie heeft willen bereiken dat de totale hoeveelheden meststoffen in het Vlaamse Gewest niet groter worden dan in 1992; dat de beoogde "stand-still" van de mestproductie in artikel 33, § 1, tweede lid van evengenoemd decreet wordt geconcretiseerd door het verbod tot inwilliging van nieuwe vergunningaanvragen behoudens de uitdrukkelijk voorziene uitzonderingen, nl. de hernieuwing van de vergunning en de volledige verplaatsing van de inrichting; dat het derde lid van artikel 33, § 1 bepaalt dat de Vlaamse regering onder bepaalde voorwaarden en louter ten voordele van gezinsveeteeltbedrijven en gelijkgestelde bedrijven afwijkingen kan voorzien op de in het tweede lid gestelde algemene beperkingen van het vergunningenbeleid; dat de Vlaamse regering van voormelde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt door in het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het nieuwe meststoffendecreet te voorzien in de opheffing van de principiële vergun- VII-15.159-25/27 ningsstop voor vergunningsaanvragen tot verandering van bestaande gezinsveeteelt- bedrijven op voorwaarde, onder andere, dat de vergunde mestproductie op de veeteeltinrichting niet toeneemt ten gevolge van de aangevraagde verandering; dat de beweerde ongelijke behandeling inzake de verandering van een bestaande veeteeltinrichting derhalve niet besloten ligt in het decreet zelf waarin niets wordt bepaald omtrent de voorwaarde dat de aangevraagde verandering van het bestaande gezinsveeteeltbedrijf geen stijging van de mestproductie mag inhouden; dat dienvolgens de door verzoeker gesuggereerde "prejudiciële" vraag niet gesteld moet worden; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-15.159-26/27 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.159-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.985 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.67.208 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div