← België

Arrest 132986 - - 24/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.986 Rolnummer: A. 55450/VII-12405 Zaak: Arrest 132986 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 07:27 Fiche Arrest nr 132.986 van 24 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.986 van 24 juni 2004 in de zaak A. 55.450/VII-12.

  1. In zake : Marcel VISSERS, die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN DE VIJVER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Eglantierlaan
  2. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel VISSERS op 24 december 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van leefmilieu en huisvesting van 25 oktober 1993 waarbij zijn beroep, aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 maart 1993, houdende weigering van de vergunning aan verzoeker om een bestaand veebedrijf gelegen te 2920 Kalmthout, Roosendaalsebaan 107, te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 84.773 van 20 januari 2000 waarbij het eerste middel ongegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-12.405-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN WYNSBERGE die, loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat K. LAUWEREYS die, loco Advocaat J. VAN DE VYVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert wat volgt : "Machtsoverschrijding door het ongemotiveerd afwijken van vroegere adviezen en vergunningen, waardoor schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel : Doordat vanaf 1974 zowel bouw- als uitbatingsvergunningen voor het bedrijf van verzoekende partij werden bekomen van de bevoegde overheden, laatst nog in 1992, terwijl er op geen enkele wijze door de minister wordt gemotiveerd waarom thans, en rekening gehouden met alle voorgaande vergunningen, het bedrijf, dat nochtans reeds op de betreffende plaats aanwezig is van voor de gewestplanning, niet meer verenigbaar zou zijn met de omgeving die nochtans een landelijke omgeving is. Toelichting Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat er diverse bouw- en uitbatingsver- gunningen afgeleverd zijn sedert
  4. De laatste bouwvergunning, nl. deze voor de stal waarvoor de uitbatingsvergunning, bij wijze van uitbreiding, in het gewraakte besluit werd geweigerd, werd door de bevoegde overheden nog vergund in 1987 en werd in 1988 opgericht en onmiddellijk in gebruik genomen. Van de vergunningen in het woongebied werd nog akte genomen op 25 juni 1992 (...). Het is belangrijk vast te stellen dat er, sedert de aanvang van de uitbating, geen enkele klacht wegens hinder is van omwonenden, hoewel in het bestreden besluit wordt aangehaald dat er een niet-onbelangrijke bewoning in de onmiddellijke omgeving aanwezig is. Het tweede middel is gegrond."; VII-12.405-2/7 1.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie betoogt dat het gaat om een uitbreiding van 25 zeugen met biggen naar 970 varkens en dat dit op zich volstaat om de schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel af te wijzen; dat zij in ondergeschikte orde aanstipt dat geenszins voldaan is aan de voorwaarden om tot een schending van het vertrouwens- of het rechtszekerheidsbeginsel te kunnen besluiten; 1.
  6. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog doet gelden dat alles er op wijst dat hij er op rekende dat de gevraagde vergunning hem verleend zou worden, dat hij in zijn beroepschrift hiervoor verschillende redenen aanhaalde, dat de minister niet aanduidt waarom het bedrijf plots niet meer vergunbaar is, dat de verwerende partij nergens aantoont waar de breuk in het beleid ligt, dat door het verlenen op 7 september 1987 van de bouwver- gunning voor de stal een rechtmatig vertrouwen werd gewekt; dat verzoeker zich afvraagt waar de rechtszekerheid is indien men een in 1989 volgens alle regels van de kunst opgestart bedrijfsgedeelte reeds in 1992 niet meer verder mag uitbaten; 1.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt dat de decisieve motieven van het weigeringsbesluit zijn te vinden in de hinder die voor de omgeving zou ontstaan ingevolge de exploitatie van zijn landbouwbedrijf, maar dat het bestreden besluit nergens hard maakt op welke wijze de hinder voor omwonenden zou ontstaan, dat de overheid haar beslissingen zorgvuldig moet voorbereiden wat onder meer kan inhouden dat zij het advies van deskundigen inwint en dat de optie om bijkomende vergunningsvoorwaarden op te leggen ten onrechte nergens is overwogen; 1.5.
  8. Overwegende dat het loutere feit dat in het verleden exploitatie- of milieuvergunningen werden afgegeven, bij de vergunningsaanvrager niet de rechtmatige verwachting kan doen ontstaan dat ook een nieuwe vergunningsaanvraag zal worden ingewilligd; dat zoals reeds gewezen in het tussenarrest nr. 84.773, evenmin het loutere feit dat voor de stallen een bouwvergunning werd afgegeven, een recht verleent op een milieuvergunning, gelet op de onderscheiden doelstellingen die beide stelsels nastreven; 1.5.
  9. Overwegende dat op het ogenblik dat de in het geding zijnde vergunningsaanvraag werd ingediend, verzoeker een vergunning had voor het exploiteren van 100 runderen en 25 zeugen met biggen en dat met de omstreden aanvraag een uitbreiding werd gevraagd met 945 varkens (95 zeugen en VII-12.405-3/7 850 mestvarkens) en 20 runderen; dat aldus, wat de varkens betreft, het gaat om een hoge verveelvoudiging van het aantal dieren, waarvan de hinder en de risico's voor mens en milieu niet meer te vergelijken zijn met de hinder en de risico's teweeggebracht door een klein aantal dieren; dat, in strijd met wat verzoeker betoogt, in het bestreden besluit wel degelijk wordt stilgestaan bij het hinderaspect, alwaar wordt overwogen dat de stallen gelegen zijn op circa 5 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, en dat gelet op de te beperkte ruimtelijke scheiding tussen de stallen en dat woongebied de gevraagde inrichting aanleiding zal geven tot overdreven geurhinder voor de omgeving; dat in het tussenarrest nr. 84.773 de Raad van State heeft aangenomen dat dit motief een rechtens aanvaardbaar motief inhield om de gevraagde uitbreiding te weigeren; dat wanneer een overheid na de vereiste adviezen van terzake bevoegde diensten te hebben ingewonnen in alle redelijkheid van oordeel is dat de hinder hoe dan ook overdreven zal zijn, zij geen bijkomend deskundigenadvies moet inwinnen; dat waar de verwerende partij in het bestreden besluit stelt dat zelfs mits naleving van de op te leggen milieuvergunningsvoorwaarden, de hinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, zij meteen aangeeft dat zij van oordeel is "dat door het opleggen van bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden niet tegemoet kan worden gekomen aan de belangen van verzoeker"; dat het middel niet gegrond is; 2.
  10. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert wat volgt : "Machtsoverschrijding door schending van de bepalingen van de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het motiveringsbeginsel en art. 13 van het Decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van de bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse Executieve evenals van art.
  11. 1.1.0., art.
  12. 1.2.
  13. en art. 11 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen : Doordat art. 5 van laatstvermeld K.B. onder punt 1 'de woongebieden', 1.0., bepaalt dat deze bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven, en doordat het onderdeel 1.2.
  14. van art. 6 van voormeld besluit bepaalt dat de woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven, en doordat de bij wijze van uitbreiding te vergunnen bedrijvigheid volledig gelegen is in het agrarisch gebied zoals omschreven in art. 11 van voormeld Koninklijk Besluit van 28 december 1972, terwijl in geen enkele zin in het aangevochten besluit wordt omschreven waarom het bedrijf van verzoekende partijen, dat nochtans bestaat van voorafgaandelijk aan het Gewestplan Turnhout van 30 september 1977, en hoewel de woning en de oudste vergunde bedrijfsgebouwen in het woongebied VII-12.405-4/7 met landelijk karakter zijn gelegen, op geen enkele wijze motiveert waarom de thans gewraakte vergunning die betrekking heeft op stallingen die volledig gelegen zijn in agrarisch gebied overeenkomstig de bepalingen van art. 11 van het voormelde K.B., niet voor vergunning in aanmerking kan komen, en er evenmin wordt verantwoord en gemotiveerd waarom de vroeger reeds vergunde onderdelen die gelegen zijn in woongebied daarmee wel verenigbaar zijn terwijl de thans gevraagde uitbreiding daarmee niet zou verenigbaar zijn. Ook het derde middel vergt geen toelichting en is duidelijk gegrond."; 2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat het niet is omdat volgens de wetgeving op de ruimtelijke ordening geen afstandsregels zouden gelden, de vergunningverlenende overheid geen afstandsregels zou kunnen hanteren ter vermijding van bovenmatige hinder voor de omgeving; dat het bestreden besluit overwoog dat er geen planologische bezwaren bestonden; dat de overheid bijzondere vergunningsvoorwaarden kan opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu en dat de overheid in casu door het hanteren van afstandsregels louter gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid om voorwaarden te eisen die niet kennelijk onredelijk kunnen worden genoemd; 2.
  16. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog doet gelden dat het enige criterium om de vergunning te weigeren zuiver planologisch is, namelijk de ligging van de nieuwe stallingen op het gewestplan ten opzichte van andere gebieden, dat in casu men aan stedenbouwkundige voorschriften een milieurechtelijke finaliteit wenst te geven en dat de stedenbouwkundige aspecten van de inrichting in het verleden reeds gunstig werden beoordeeld, zodat deze elementen thans geen afdoende basis kunnen vormen voor het weigeren van een milieuvergunning, dat een motivering niet afdoende is wanneer enerzijds milieuvergunningen voor hetzelfde bedrijf in woongebied met landelijk karakter wel worden afgegeven en anderzijds die vergunning wordt geweigerd voor een onderdeel van hetzelfde bedrijf gelegen in het landbouwgebied dat aan het landelijk woongebied paalt, dat het onmogelijk wordt om in woongebieden en in woongebieden met landelijk karakter landbouwbedrijven uit te baten, hoewel de gewestplanvoorschriften dit toelaten, dat de bestemmingsvoorschriften aldus niet langer in de praktijk kunnen uitgevoerd worden, en het verordenend karakter van de gewestplanbepalingen daardoor wordt geschonden, dat in alle geval de motivering niet afdoende is, en dat zij bovendien tegenstrijdig is, nu enerzijds melding gemaakt wordt van de afwezigheid van planologische bezwaren, en anderzijds de vergunning geweigerd wordt op basis van planologische elementen; VII-12.405-5/7 2.
  17. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie verwijst naar zijn verzoekschrift en memorie van wederantwoord; 2.
  18. Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt overwogen "dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat nergens wordt overwogen dat de vergunningsaanvraag onverenigbaar is met de artikelen 5.1.1.0, 6.1.2.2 of 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; dat zoals bij de bespreking van het eerste middel in het tussenarrest nr. 84.773 werd gewezen, in casu de decisieve weigeringsmotieven zijn, enerzijds, dat niet aan de afstandsregel van het oude Vlarem II is voldaan en, anderzijds, dat door de te beperkte ruimtelijke scheiding tussen de stallen en het woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter, de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; dat deze weigeringsmotieven van milieuhygiënische en milieutechnische aard zijn; dat aangezien de vergunning niet is geweigerd om stedenbouwkundige redenen, niet valt in te zien waarom de door verzoeker aangebrachte bepalingen uit het koninklijk besluit van 28 december 1972 zouden geschonden zijn, noch dat de verwerende partij desbetreffend tekort is geschoten in haar formele motiveringsplicht; dat het middel niet gegrond is; 3.
  19. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert wat volgt : "Machtsoverschrijding door schending van de bepalingen van het Decreet van de Vlaamse Raad van 28 juli 1985 betreffende de milieuvergunning, de bepalingen van het besluit van 6 februari 1991 van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunningen. de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen : Doordat in het aangevochten besluit de norm of het begrip 'kwetsbare zone' wordt gehanteerd, terwijl geen enkele van de voormelde wetten, decreten of besluiten waarnaar in het gewraakte besluit wordt verwezen, dit begrip of deze norm invoert en omschrijft, zodat de aldus gehanteerde 'norm' niet bekend is, niet voor toetsing vatbaar is en derhalve onwettig is en het besluit daarop geen wettige grondslag kan vinden. Ook het vierde middel is gegrond."; VII-12.405-6/7 3.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar de repliek op het eerste middel, tweede onderdeel; 3.
  21. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker niet meer terugkomt op het middel; dat hij in zijn laatste memorie verwijst naar zijn verzoekschrift en zijn memorie van wederantwoord; 3.
  22. Overwegende dat, zoals reeds in het tussenarrest nr. 84.773 van 20 januari 2000 werd gewezen, het motief dat de inrichting is gelegen in een kwetsbare zone -motief dat samenhangt met het motief gestoeld op de afstandsregel van het oude Vlarem II- een overtollig weigeringsmotief uitmaakt, zodat dat motief niet op zijn gegrondheid moest worden onderzocht; dat verzoekers kritiek inzake de kwetsbare zone op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-12.405-7/7 A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-12.405-8/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.986 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.84.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.