← België

Arrest 132987 - - 24/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.987 Rolnummer: Zaak: Arrest 132987 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-07-04 07:27 Fiche Arrest nr 132.987 van 24 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.987 van 24 juni 2004 in de zaken A. 147.132/VII-31.541 A. 147.133/VII-31.

  1. In zake :
  2. de n.v. LAG TRAILERS
  3. de n.v. IMMO BURG die woonplaats kiezen bij Advocaten T. ICKMANS en E. NEUTS, kantoor houdende te BREE, Witte Torenwal 17/1/1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. LAG TRAILERS en de n.v. IMMO BURG op 30 januari 2004 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 14 november 2003 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking houdende aanwijzing, overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, van de gronden gelegen aan de Kanaallaan 54 te Bree, kadastraal gekend 1ste Afdeling, Sectie B, perceelnr. 186 e 4, als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden (zaak A. 147.132/VII-31.541); Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoekende partijen op dezelfde datum hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerleg- ging van het besluit van 14 november 2003 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking houdende aanwijzing, overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, van de gronden gelegen aan de Kanaallaan 54 te Bree, kadastraal gekend 1ste Afdeling, Sectie B, perceelnr. 118 g, als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden (zaak A. 147.133/VII-31.547); VII-31.541-1/8 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VAN VALCKEN- BORGH die, loco Advocaten T. ICKMANS en E. NEUTS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat I. LAUREYS die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de aangevochten beslissingen betrekking hebben op de sanering van percelen die, hoewel ze kadastraal gekend staan onder een verschillend nummer, deel uitmaken van het bedrijfsterrein van de eerste verzoekende partij en eigendom zijn van de tweede verzoekende partij; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is de twee zaken samen af te voegen voor wat betreft de schorsingsprocedure;
  6. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  7. De n.v. LAG TRAILERS, eerste verzoekende partij, exploiteert aan de Kanaallaan te Bree een inrichting voor de assemblage van bussen en opleggers. De n.v. IMMO BURG, tweede verzoekende partij, is eigenaar van de betrokken percelen. VII-31.541-2/8 2.
  8. In de periode van april 1999 tot juli 1999 laat de n.v. LAG TRAILERS door een erkend bodemsaneringsdeskundige een periodiek oriënterend bodemonderzoek, zoals bedoeld in artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (het zogenaamde VLAREBO-besluit), uitvoeren op haar bedrijfsterrein. Op 15 augustus 1999 wordt een verslag van dat oriënterend bodemonderzoek opgesteld. Met betrekking tot het perceelnr. 118 g luiden de conclusies van dat bodemonderzoek : “Soort bodemverontreiniging : Historisch Opname in het register : Ja Ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging: Ja (zie tabel p35).” Met betrekking tot het perceelnr. 186 e 4 worden de volgende conclusies getrokken : “Soort bodemverontreiniging : Historisch Opname in het register :Ja Ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging: Ja (zie tabel p43).” Op perceelnr. 118 g wordt benzeen in het grondwater aangetrof- fen. Het perceelnr. 186 e 4 blijkt op verschillende plaatsen verontreinigd te zijn met zink, trichlooreteen, minerale olie (bodem en grondwater), arseen (grondwater), chroom (grondwater), koper (grondwater), nikkel (grondwater) en zink (grondwa- ter). 2.
  9. Op 6 juni 2001 deelt de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest aan de eerste verzoekende partij mee dat voormeld oriënterend bodemonderzoek niet voldoet aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. Er wordt een reeks bijkomende onderzoeksverrichtingen opgelegd. 2.
  10. Nadat de gewenste aanvullende onderzoeksverrichtingen zijn uitgevoerd en aan de OVAM ter kennis zijn gebracht, is de OVAM op grond van de ingediende verslagen met betrekking tot het oriënterend bodemonderzoek van oordeel dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de percelen kadastraal gekend 1ste Afdeling, Sectie B, perceelnrs. 118 g en 186 e 4 aangetast zijn door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. Een beschrijvend VII-31.541-3/8 bodemonderzoek zou zich opdringen ten einde de ernst van de vastgestelde bodemverontreiniging na te gaan. 2.
  11. Op 4 november 2003 stelt de OVAM aan de Vlaamse regering voor om het perceel nr. 118 g aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Hetzelfde voorstel wordt die dag eveneens gedaan met betrekking tot het perceelnr. 186 e
  12. 2.
  13. Met een besluit van 14 november 2003 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking worden de gronden gelegen aan de Kanaallaan 54 te Bree, kadastraal gekend 1ste Afdeling, Sectie B, perceelnr. 186 e 4, aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsane- ring moet plaatsvinden. Dit besluit wordt bestreden in de eerste schorsingszaak. 1.
  14. Met een besluit van 14 november 2003 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking worden de gronden gelegen aan de Kanaallaan 54 te Bree, kadastraal gekend 1ste Afdeling, Sectie B, perceelnr. 118 g, eveneens aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Van dit besluit wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging gevorderd in de tweede zaak;
  15. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat betreft de tweede schorsingsvoorwaarde, dat in de verzoekschriften tot schorsing de volgende uiteenzetting wordt gegeven : “Opdat de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou bevelen moet de verzoekende partij aantonen dat deze tenuitvoerlegging onmiddellijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-31.541-4/8 Overeenkomstig gevestigde rechtspraak volstaat het dat de verzoekende partij het risico loopt een nadeel te ondergaan (R.v.St., Vanbeginne, nr. 39.187, 7 april 1992). In het kader van een financieel nadeel oordeelde uw Raad reeds dat dit moeilijk te herstellen en ernstig is wanneer dit proportioneel groot wordt (VAN HEULE, D., "Artikel 17 R.v.St.-wet', in Publiek Procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 27, nr. 48). Dit is vooral het geval wanneer de leefbaarheid van het bedrijf van de verzoekende partij in het gedrang komt. Hoewel verzoekende partijen in huidige zaak geen louter financieel nadeel aanvoeren, kan voornoemde rechtspraak mutatis mutandis worden toegepast op huidige zaak. Dienaangaande verwijzen verzoekende partijen naar het arrest Belgaarde, waarin de Raad aanvaardde dat van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel sprake is wanneer een beslissing in het kader van artikel 30, § 2 bodemsaneringsdecreet, op welke grondslag ook de bestreden beslissingen werden genomen, het perceel grond onbruikbaar dreigt te maken en de exploitatie van het bedrijf dreigt lam te leggen (R.v.St., Belgaarde, nr. 73.647, 14 mei 1998). In dit zelfde arrest erkende de Raad ook dat een beslissing in het kader van artikel 30, § 2 bodemsaneringsdecreet de basisbeslissing vormt op grond waarvan de plicht ontstaat om tot bodemsanering over te gaan en dat bijgevolg het aangehaalde nadeel rechtstreeks voortvloeit uit voornoemde beslissing. Verzoekende partijen beroepen zich aangaande het rechtstreeks karakter van het nadeel op deze rechtspraak, daar de bestreden beslissing ook genomen werden overeenkomstig artikel 30, § 2 bodemsaneringsdecreet. Aangaande hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren verzoekende partijen en meer in het bijzonder de N.V. LAG TRAILERS het volgende aan. Zoals reeds blijkt uit de feitelijke uiteenzetting baat de N.V. LAG TRAILERS op de terreinen, die voorwerp uitmaken van de bestreden beslissingen, een fabriek voor het vervaardigen van autobussen met 6 verfspuitinstallaties, brandstoftanks, opslagplaats voor tinners, een verfmenginstallatie en wasinstal- latie uit (zie ook facturen en leveringsbons in bijlage, stuk 5). Dit is ook het enige terrein waar de N.V. LAG TRAILERS deze activiteit uitbaat. Op het door de bestreden beslissing getroffen perceel 186 E 4 baat de N.V. LAG TRAILERS haar volledige activiteit uit (zie bijgevoegd plan, stuk 4). Op dit perceel bevinden zich immers de productiehallen nieuwbouw en reparatie, administratieve gebouwen, gedeelte van interne parking en een stuk weiland (zie bijgevoegde uitleg N.V. LAG TRAILERS, stuk 4). De bestreden beslissing, aanwijzing als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, kan voor gevolg hebben dat de exploitatie van het bedrijf van de N.V. LAG TRAILERS volledig wordt lamgelegd. Immers, de mogelijkheid bestaat dat de N.V. LAG TRAILERS de productiehal- len en de administratieve gebouwen als gevolg van een eventuele sanering moet ontruimen. Dergelijke ontruiming maakt enige uitbating onmogelijk. Ook de geviseerde grond zal mogelijkerwijze tijdens de saneringswerken onbruikbaar worden, waardoor ook op deze gronden geen activiteiten kunnen worden uitgeoefend”; en Op het door de bestreden beslissing getroffen perceel 118 G bevindt zich de portiersingang van het bedrijf met bijliggende parking (zie bijgevoegd plan, stuk 4). De eventuele onbeschikbaarheid van dit perceel belet de toegang tot het bedrijf, de toegang tot het portierslokaal en de inkoopcabine (zie bijgevoegde uitleg N.V. LAG TRAILERS, stuk 4). VII-31.541-5/8 De bestreden beslissing, aanwijzing als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, kan voor gevolg hebben dat de exploitatie van het bedrijf van de N.V. LAG TRAILERS volledig wordt lamgelegd. Immers, de mogelijkheid bestaat dat de ingang tot het bedrijf van de N.V. LAG TRAILERS wordt belemmerd waardoor elk transport van binnen naar buiten en van buiten naar binnen onmogelijk of uiterst penibel wordt. Uit de neergeleg- de facturen blijkt duidelijk dat dagelijks bewegingen zijn op het kwestieuze terrein”; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota’s doet gelden dat in de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen enkele aanduiding of toelichting wordt gegeven van het nadeel dat de tweede verzoekende partij zou leiden, dat, zoals de Raad van State reeds heeft gewezen in de arresten nr. 100.328 van 25 oktober 2001, n.v. NUTRICHEM en nr. 117.008 van 13 maart 2003, DE SPIEGELEER e.a., de loutere aanwijzing van een grond als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden niet automatisch tot gevolg heeft dat er ook daadwerkelijk zal moeten worden gesaneerd, dat uit het oriënterend bodemonderzoek blijkt dat de vastgestelde bodemverontreiniging zich veeleer aan de grenzen van de gebouwen bevindt zodat de verzoekende partijen het niet met concrete gegevens aannemelijk maken dat die gebouwen bij een eventuele sanering ook daadwerkelijk onbruikbaar zouden worden, dat het bovendien, gelet op de huidige stand van de techniek en de voor handen zijnde saneringsmethoden, weinig waarschijnlijk is dat de bodemsanering niet kan plaatsvinden op een wijze waarbij de inrichting verder kan geëxploiteerd worden, dat door de verzoekende partijen evenmin wordt aangetoond dat de sanering niet gefaseerd kan gebeuren en, ten slotte, dat de verzoekende partijen niets vermelden omtrent de omvang of aard van hun administratie waarbij niet uitgesloten is dat die eventueel tijdelijk elders kan ondergebracht worden; 3.3.
  17. Overwegende dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, in geen enkele van de twee verzoekschriften concreet wordt aangegeven wat het specifieke nadeel is dat de tweede verzoekende partij als eigenaar van de betrokken percelen dreigt te ondergaan wanneer de bestreden beslissingen ten uitvoer worden gelegd; 3.3.
  18. Overwegende, voorts, dat de bestreden beslissingen in essentie inhouden dat de verwerende partij er voorlopig, op grond van het uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek, van uitgaat dat er “ernstige aanwijzingen” zijn dat de historisch verontreinigde gronden moeten worden gesaneerd; dat daarmee echter nog VII-31.541-6/8 niet onomstotelijk vaststaat dat die bodemsanering er ook zal komen; dat krachtens artikel 30, § 3, van het bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995, toegevoegd bij artikel 24, 2/, van het decreet van 26 mei 1998, pas een bodemsaneringsproject wordt opgesteld en bodemsaneringswerken worden uitgevoerd wanneer het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt; dat het doel van het, te dezen nog op te stellen, beschrijvend bodemonderzoek er derhalve precies in bestaat een diepgaander en grondiger onderzoek in te stellen naar de “aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreinigde stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater, evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst toe” (artikel 12, § 1, van het bodemsaneringsdecreet) opdat met voldoende kennis van zaken kan uitgemaakt worden of de “ernstige aanwijzingen” van een ernstige historische bodemverontreini- ging omgezet kunnen worden in een plicht tot sanering; dat aldus pas op grond van de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek zal kunnen worden beslist of er effectief bodemsaneringswerken zullen moeten worden uitgevoerd; dat ten andere in fine van de bestreden beslissingen wordt gesteld dat de verplichting tot bodemsane- ring ophoudt te bestaan indien “uit het beschrijvend bodemonderzoek blijkt dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging (...)”; dat daarenboven, na een beslissing houdende aanwijzing van een bepaalde grond waarop bodemsanering moet plaatsvinden, voor de daadwerkelijke sanering nog een saneringsbesluit dient te worden genomen; dat dienvolgens de nadelen die de eerste verzoekende partij wat haar betreft aanvoert niet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten; dat de verwijzing naar het arrest nr. 73.647, n.v. BELGAARDE, van 14 mei 1998, niet relevant is daar op dat ogenblik artikel 30 van het bodemsane- ringsdecreet anders luidde dan thans het geval is en bovendien door de OVAM en het Vlaamse gewest een andere procedure werd gevolgd om de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, aan te wijzen; 3.
  19. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede schorsingvoor- waarde; dat deze vaststelling volstaat om de vorderingen te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  20. VII-31.541-7/8 De zaken A. 147.132/VII-31.541 en A. 147.133/VII-31.547 worden, voor wat de schorsingsprocedure betreft, samengevoegd. Artikel
  21. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
  22. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.541-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.