id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.037 Rolnummer: A. 105617/XIV-4892 Zaak: Arrest 133037 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:29 Fiche Arrest nr 133.037 van 24 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.037 van 24 juni 2004 in de zaak A. 105.617/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue du Général Bertrand 22 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 juni 1979 en van Kirgizische nationaliteit, op 7 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 29 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-4892-1/5 Gelet op de beschikking van 12 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 december 2003 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN BOXSTAEL die, loco Advocaat V. PUZAJ verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur K. DEBERGH, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 26 februari 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
- Op 6 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 9 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 22 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Hendrix loco Puzaj. Betrokkene, van Kirgizische nationaliteit en Tataarse origine, verklaarde op het Com- missariaat-generaal dat hij problemen heeft gekend met de "Kirgizische diaspora", een extremistische moslimgroepering die zich bezighoudt met de invoer van wapens en drugs vanuit Tadjikistan Kirgizstan. Op 5 september 2000 eisten twee vertegenwoordigers van de Kirgizische diaspora van betrokkene dat hij drugs en wapens zou vervoeren omdat hij moslim was en omdat hij en zijn vader, XXX,een vrachtwagen hadden. Hij weigerde en hij werd geslagen. Betrok- kenes vader kreeg dezelfde dag ook bezoek van een lid van deze groepering, die hetzelfde vroeg aan zijn vader. Betrokkene en zijn vader gingen naar de wijkagent om mondeling te klagen. De wijkagent heeft volgens betrokkene geen maatregelen genomen omwille van hun origine. Eind november 2000 werden betrokkene en zijn vader, toen ze op weg waren met de vrachtwagen naar Jalalabad, tegengehouden door een politieagent. Drie leden van de extremistische moslimgroepering bedankten de politieagent en ze begonnen betrokkenes vader te slaan. Ze zeiden tegen betrokkenes vader dat hij Allah niet ter hulp wou komen maar wel bloem voor zichzelf vervoerde. Betrokkenes vader is naar het parket in de stad Kara-Balta, waar ze woonden, geweest maar daar zei men dat hij klacht moest indienen bij de politiediensten van de plaats waar het incident was gebeurd. Betrokkenes vader werd niet geholpen in het parket omwille van zijn origine. Toen betrokkene en zijn vader eind december 2000 (kg) bloem vervoerde naar Jalalabad ging betrokkenes vader onderweg een klacht indienen bij de XIV-4892-2/5 politiedienst van de stad Toktogoel waar het incident van eind november 2000 was gebeurd. Betrokkene denkt dat de klacht niet werd aanvaard omdat er op de politiedienst mensen tewerkgesteld waren die banden hadden met de extremistische moslimgroepering en omdat zijn vader een Tataar is. Eind december 2000 werd de winkel van betrokkenes moeder, XXX, afgebrand door vier leden van de extremistische moslimgroepering. Dit gebeurde waarschijnlijk omdat betrokkene en zijn vader niet met hen wilde meewerken. Op 14 januari 2001 werden betrokkene en zijn vader bij hen thuis (betrokkene woonde toen met zijn gezin bij zijn ouders) geslagen door vier leden van de extremistische moslimgroepering. Betrokkenes moeder belde de politie. De politie zei dat ze niet kon komen omdat ze geen benzine had. Betrokkene denkt dat de politie niet wilde komen omwille van hun origine. De leden van de groepering zeiden tegen hen dat alle niet-Kirgiezen uit Kirgizstan wegmoesten, dat betrokkene en zijn vader niet van plan waren om de groepering te helpen en dat ze hen niet meer met rust zouden laten. Naar aanleiding van dit incident gingen betrokkene en zijn vader naar de politie van het district Zjajielsky. Ze wilden met het hoofd van de districtpolitie spreken. Ze waren verplicht om Kirgiezen voor te laten. Toen het hoofd buiten kwam zeiden ze tegen hem dat ze van plan waren om een klacht in te dienen maar het hoofd zei tegen hen dat hij niet verantwoordelijk was voor de registratie van dergelijke klachten en dat men tegen hen had gezegd dat ze weg moesten. Betrokkene en zijn vader gingen aan de receptie vragen waarom er niemand was gekomen op 14 januari
- De verantwoordelijke van de receptie zei tegen hen dat er niets was geregisteerd. Hij gaf hen een formulier om een medische expertise aan te vragen. Betrokkene denkt dat ze hen op de districtpolitie niet wilden helpen omwille van hun origine en omdat de extremistische moslimgroepering nauwe banden had met politiediensten. Op 27 januari 2001 is betrokkenes vader met de medische expertises een klacht gaan indienen bij de politie van de provincie Tjoej in de stad Bishkek. Zijn klacht werd aanvaard en er werd beloofd om bepaalde maatregelen te nemen. Op 28 januari 2001 hebben twee politiemannen betrokkene in de plaats van zijn vader meegenomen in verband met de klacht bij de provinciale politie. Betrokkene werd geslagen door de politiemannen. Ze zeiden tegen hem dat het genoeg was met het indienen van klachten, dat zij Tataren verwittigd waren geweest om Kirgizstan te verlaten en dat ze hun huis in brand zouden steken indien ze niet binnen de twee weken Kirgizstan verlieten. Betrokkene had deze politiemannen op het politiebureau gezien waar hun klacht over het incident van 14 januari 2001 niet werd aanvaard. Hij veronderstelt dat de politiemannen leden waren van de extremistische moslimgroepering. Betrokkene verliet samen met zijn vrouw, XXX, zijn ouders en zijn minderjarige broer midden februari 2001 Kirgizstan. Op 26 februari 2001 vroeg betrokkene de status van vluchteling aan. Betrokkene is in het bezit van zijn geboorteakte, rijbewijs, huwelijksakte, de geboorteakte van zijn dochter, drie medische e(x)pertises, een brandweerattest, een politieattest naar aanleiding van de brand, een politieattest in verband met het incident van 14 januari 2001, krantenartikels en een internetartikel. Uit betrokkenes asielrelaas blijkt dat hij zich volledig baseert op de feiten als die zijn aangehaald door zijn vader, XXX in diens asielaanvraag. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van XXX een negatieve beslissing werd genomen op grond van bedrieglijke verklaringen kan ten aanzien van betrokkene onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden. Gelet op bovenstaande kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door betrokkene neergelegde documenten zijn niet van die aard om aan bovenstaande beweringen iets te veranderen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 6 maart
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. XIV-4892-3/5
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat de verzoekende partij in het vijfde onderdeel van het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat in de zaak van de echtgenote van de verzoekende partij, mevrouw XXX, (G/A 105.619/XIV-4894) een identiek arrest wordt gewezen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zij hoofdzakelijk steunt op het volgende motief: “Uit betrokkenes asielrelaas blijkt dat hij (zij) zich volledig baseert op feiten als die zijn aangehaald door zijn (haar) (schoon)vader, XXX in diens asielaanvraag. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van XXX een negatieve beslissing werd genomen op grond van bedrieglijke verklaringen kan ten aanzien van betrokkene onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden.”; 2.
- Overwegende dat de Raad van State de wettigheid van dit motief niet kan toetsen, omdat in de eerste plaats, zich geen enkel stuk in het administratief dossier bevindt van de heer XXX; dat de beslissing genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreffende de asielaanvraag van voornoemde heer zich evenmin in het administratief dossier bevindt; dat in de tweede plaats, het Commissariaat- generaal geen stuk neerlegt waaruit blijkt , zoals wordt aangevoerd in de memorie van antwoord van deze tegenpartij, dat “uit informatie beschikbaar op het Commissariaat- generaal echter blijkt dat er in Kirgizië geen sprake is van een systematische en persoonsgerichte vervolging van de Tartaarse minderheid; dat in dezelfde memorie wordt gerefereerd aan stukken en rapporten betreffende de mensenrechten in Kirgizië die zich niet bevinden in het administratief dossier; dat in de derde plaats, niet wordt uitgelegd, noch geëxpliciteerd in de bestreden beslissing waaruit de bedrieglijke verklaringen van de heer XXX bestaan en evenmin hoe deze bedrieglijke verklaringen in verband staan met het kennelijk ongegrond verklaren van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat in de vierde plaats, uit de samenlezing van de verklaringen van het echtpaar XXX - XXX afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken, met de nota’s genomen tijdens het interview in dringend beroep en van de bestreden beslissingen, blijkt dat voornoemd echtpaar in elk stadium van de asielprocedure coherente, consistente en precieze verklaringen heeft afgelegd, zonder tegenstrijdigheden; dat in het huidig stadium van de procedure niet kan worden ingezien waarom de gelijkluidende verklaringen van voormeld echtpaar ongeloofwaardig zijn, omdat de heer XXX bedrieglijke verklaringen zou hebben afgelegd; dat dit belangrijk aspect van het eventueel causaal verband tussen het asielrelaas van voornoemde heer en dat van voormeld echtpaar niet wordt uitgelegd in de bestreden beslissingen; dat bijgevolg het vijfde onderdeel van het derde middel gegrond is in de mate dat de schending van de formele en van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd; XIV-4892-4/5 2.
- Overwegende dat de andere middelen die de verzoekende partij aanvoert niet worden onderzocht omdat zij tot geen ruimere nietigverklaring leiden, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-4892-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.