← België

Arrest 133049 - - 24/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.049 Rolnummer: A. 152984/XII-4171 Zaak: Arrest 133049 - - 24/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-30 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:29 Fiche Arrest nr 133.049 van 24 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.049 van 24 juni 2004 in de zaak A. 152.984/XII-4171. In zake : Erik VERSCHOREN, wonende te Mechelen, Sint-Jozefstraat 18 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vrije Universiteit Brussel --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Erik Verschoren op 22 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van “de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Vrije Universiteit te Brussel, derde licentie Rechten om

(1)een werkstuk op te leggen m.b.t. 'Grondige Studie van het Economisch Recht' en
(2)een werkstuk op te leggen m.b.t. 'Grondige Studie van het Financieel Recht' en
(3), bij uitbreiding, de weigering om over deze werkstukken overleg met de betrokken studenten te organiseren”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 juni 2004, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-4171-1/5 Overwegende dat verzoeker zich tijdens het academiejaar 2003- 2004 bij de Vrije Universiteit Brussel (VUB) inschrijft voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor de derde licentie Rechten; dat tot zijn curriculum “optie sociaal-economisch recht” onder meer de opleidingsonderdelen “grondige studie van het financieel recht” en “grondige studie van het economisch recht” behoren; dat de beide onderdelen worden gedoceerd door dezelfde titularis; Overwegende dat uit het inleidend verzoekschrift en uit de debatten ter terechtzitting blijkt dat verzoeker in wezen bestrijdt dat hem als student van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap in het kader van deze opleidingsonderdelen wordt opgelegd een geschreven “werkstuk” in te leveren; Overwegende dat verzoeker die hem grievende beslissing leest in de volgende passus van een brief die hem door de decaan van de faculteit op 15 juni 2004 in handen is gegeven : “Voorts moet ik U nog verzoeken U voor het afleggen van deze examens te gedragen naar de richtlijnen die voor elk van deze opleidingsonderdelen door de titularis aan alle studenten zijn gemeld via elektronische berichtgeving. Dit houdt ook in dat daar waar het opstellen van een geschreven werkstuk is opgelegd, U dit tijdig, d.w.z. ten laatste dinsdag 22 juni om 16 uur op het faculteitssecretari- aat dient in te leveren. De examinator moet immers over voldoende tijd beschikken om deze taak te lezen vooraleer tot examinering kan worden overgegaan”; Overwegende dat de decaan met die brief, zo lijkt, geen nieuwe en zelfstandige beslissing heeft genomen, maar enkel verzoeker heeft willen herinneren aan reeds bestaande “richtlijnen”; Overwegende dat dan de vraag rijst of en wanneer verzoeker kennis had van deze “richtlijnen”, en in verband hiermee ook de vraag naar de ontvankelijkheid van de vordering ratione temporis; Overwegende dat verzoeker in dat verband betoogt dat die richtlijnen hem niet “via elektronische berichtgeving” werden gemeld; dat evenwel om de volgende redenen een verder onderzoek van en uitspraak over eventuele ontvankelijkheidsexcepties vooralsnog achterwege mag blijven; Overwegende immers dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de bedoelde richtlijnen werden goedgekeurd door de faculteitsraad op 29 september XII-4171-2/5 2003 als “onderwijs- en examenregeling voor het academiejaar 2003/2004”, nadien ad valvas zijn bekendgemaakt en op het secretariaat van de faculteit ter inzage lagen; dat die regeling telkens melding maakt van een “taak” voor de bedoelde opleidingsonderdelen die “het uitgangspunt [vormt] voor de mondelinge evaluatie tijdens het examen”; dat voorts overeenkomstig artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 februari 1993 betreffende de organisatie en de werking van de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap voor het academisch onderwijs, het examenreglement van de VUB op verzoeker van overeenkomstige toepassing is; dat artikel 1 van dit examenreglement melding maakt van de voor ieder opleidingson- derdeel opgestelde opleidingsonderdeelfiche die onder meer de examenvereisten moet bevatten; dat de desbetreffende opleidingsonderdelen -die verzoeker neerlegt als bijlage bij zijn verzoekschrift en door hem dus alleszins thans niet onbekend zijn- refereren aan geschreven werkstukken; Overwegende dat van een student die zich inschrijft voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap niet minder dan van een andere student verwacht mag worden dat hij zich tijdig informeert over de examenvorm en de gestelde vereisten; dat verzoeker ter terechtzitting verklaart met de titularis van de bedoelde opleidingsonderdelen geen contact te hebben gezocht; dat hij ook anderszins heeft nagelaten zich nader te informeren, hetzij naar de tekst van de opleidingsonderdeelfiches indien die niet in zijn bezit zouden zijn geweest bij zijn inschrijving, hetzij naar de mogelijke onduidelijkheid die de vermelding op die fiches van een “geschreven werkstuk” voor een student van de centrale examencommissie zou kunnen hebben; Overwegende daarenboven dat verzoeker vorig jaar óók was ingeschreven voor de derde licentie, bij de VUB, voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap; dat hij verklaart toen wél een werkstuk te hebben ingeleverd tijdens de examenperiode voor het opleidingsonderdeel “Grondige studie van het financieel recht” maar dat hij steeds betwist heeft dat er een werkstuk opgelegd mocht worden; Overwegende dat de Raad uit de voorgaande gegevens concludeert dat verzoeker zeker in de concrete omstandigheden van de zaak niet kan volhouden geheel onwetend te zijn van de mogelijkheid dat ook voor studenten van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, het inleveren van geschreven werkstukken onderdeel kon zijn van het examen voor de desbetreffende XII-4171-3/5 opleidingsonderdelen; dat, waar hij stelt altijd de toelaatbaarheid hiervan te hebben betwist, hij zich eerder had kunnen en moeten informeren over de eisen die dit academiejaar aan hem werden gesteld; dat hij zulks niet heeft gedaan; dat die nalatigheid van verzoeker het uiterst dringend karakter van de vordering tegenspreekt; dat overigens uit een door verwerende partij neergelegd stuk nog blijkt dat verzoeker reeds voor een ander examen van de huidige zittijd niet is komen opdagen; dat ook ten overvloede kan worden vastgesteld dat verzoeker met het inleiden van de voorliggende vordering heeft gewacht tot 22 juni 2004, de dag zelf waarop hij werd geacht de bedoelde werkstukken in te dienen; Overwegende dat hetgeen voorafgaat leidt tot de vaststelling dat niet is voldaan aan de uiterst dringende noodzakelijkheid, hetgeen volstaat om de vordering af te wijzen, aangezien aldus alleszins niet is voldaan aan ten minste één van de drie voorwaarden waaraan luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voldaan moet zijn opdat tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4171-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4171-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.