id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.127 Rolnummer: A. 121217/XIV-10047 Zaak: Arrest 133127 - - 25/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-08 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:34 Fiche Arrest nr 133.127 van 25 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.127 van 25 juni 2004 in de zaak A. 121.217/XIV-10.047. In zake : XXX, wonende te 2140 BORGERHOUT, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 februari 1981 en van Joegoslavische nationaliteit, op 17 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen van 18 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 maart 2004 om 10.00 uur; XIV-10.047-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij, die werd gehoord in haar opmerkingen, en gehoord de opmerkingen van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 11 maart 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.2. Op 13 maart 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 18 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde deels etnisch Albanese (langs vaderszijde) deels Servische (langs moederszij-
- de)te zijn, afkomstig uit Kosovo en meerbepaald uit het dorp Terrnje (gemeente Suhareke). Uw vader zou gedurende de oorlog in Kosovo zijn omgekomen. Zélf zou u in deze periode samen met uw moeder naar Mitrovicë zijn uitgeweken, alwaar u gedurende een tweetal jaren in een kelder (het adres zou u niet nader bekend zijn) zou hebben geleefd. Omstreeks september 2001 zou u in Mitrovicë zijn gehuwd met een etnische Albanees, en samen met hem in het noorden (overwegend Servische gedeelte) van deze stad hebben gewoond. Op aandringen van uw echtgenoot, zou u sedertdien ook het contact met uw moeder (een Servische) hebben verbroken. U beweerde dat alle etnische Albanezen in uw wijk omstreeks december 2001 het bezoek kregen van meerdere gewapende Servische burgers, met de boodschap Noord-Mitrovicë te verlaten. U zou uw woning evenwel niet hebben verlaten. In januari 2002 zouden enkele gewapende Servische burgers de woningen van de etnische Albanezen in uw buurt onder vuur hebben genomen. De volgende ochtend zou dit scenario zich hebben herhaald, en liep uw echtgenoot daarbij een verwonding op aan zijn arm. Hij zou dan door enkele vrienden naar het ziekenhuis in Noord-Mitrovicë zijn overgebracht. Zélf zou u naar een vriend van uw partner in XIV-10.047-2/6 het zuiden van de stad zijn uitgeweken. U zou niets meer van uw echtgenoot hebben vernomen, maar in dit verband ook géén stappen hebben ondernomen om iets over hem te weten te komen. Integendeel, ongeveer anderhalve maand nadien zou de voornoemde vriend van uw echtgenoot hebben besloten dat u Kosovo gewoonweg diende te verlaten. Laatstgenoemde zou u dan 5000 Duitse Marken hebben gegeven om uw reis te bekostigen. U zou de provincie vervolgens hebben verlaten op 8 maart 2002, en op 10 maart 2002 in België zijn gearriveerd. Op 11 maart 2002 diende u hier een asielaanvraag in. U bent niet in het bezit van enig Joegoslavisch identiteitsdocument. Opgemerkt dient te worden dat u onvoldoende elementen of gegevens hebt aangehaald waaruit kan blijken dat u Kosovo hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, of alsnog desbedoelde vrees dient te koesteren in geval van een eventuele terugkeer naar deze provincie. U verklaarde namelijk, ná omstreeks januari 2002 naar het zuiden van de stad Mitrovicë te zijn gevlucht, anderhalve maand bij een vriend van uw echtgenoot te hebben verbleven, zonder daar evenwel enige verdere problemen of moeilijkhe- den met de plaatselijke bevolking of andere te hebben gekend. Daarenboven hebt u, volgens uw verklaringen, in deze periode zelfs géén pogingen ondernomen (evenmin telefonisch contact) om enig nieuws te vernemen omtrent uw echtgenoot. Desalniettemin zou u Kosovo toch hebben verlaten in maart 2002, louter en alleen omdat de voornoemde vriend van uw echtgenoot u dit (zonder verdere duidelijke uitleg) heeft opgedragen. Aldus heeft (
- u)hoedanook niet aannemelijk gemaakt dat u zich, om één van de redenen zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie, niet elders in Kosovo zou kunnen vestigen. Hier kan ten slotte nog aan worden toegevoegd dat er ernstige redenen zijn om de twijfelen aan uw beweerde (gedeeltelijke) Servische afkomst langs moederszijde. U kende de (Servische) meisjesnaam van uw moeder namelijk niet, noch de (voor)namen van uw grootouders langs moederszijde. Bovendien kende u zelfs eenvoudige, dagdagelijks gebruikte Servische woorden of uitdrukkingen zoals hoe gaat het, goedendag, straat of gemeente niet. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van “de motiveringsvereiste”, zoals gesteld in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden; Overwegende dat luidens artikel 20, § 2, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden; Overwegende dat verzoekster enkel aangeeft welke rechtsregels door de bestreden beslissing werden geschonden, waarbij zij summier verwijst naar rechtslitera- tuur, maar nalaat uiteen te zetten op welke wijze die rechtsregels door de bestreden beslissing werden geschonden; dat bijgevolg de uiteenzetting van verzoekster geen middel bevat als bedoeld in voormeld artikel 20, § 2, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; dat het eerste middel bijgevolg niet ontvankelijk is; XIV-10.047-3/6 2.2. Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van de “motiveringsvereiste” wat de vaststellingen in de bestreden beslissing over het interne vluchtalternatief betreft; dat zij eerst summier verwijst naar rechtsleer en rechtspraak en vervolgens aanvoert dat “het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen onterecht voorhoudt dat verzoekster ook in Zuid-Mitrovice een ongestoord leven had kunnen leiden, nu men toch terdege op de hoogte is van etnische conflicten aldaar.”; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat zij onvoldoende elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat zij KOSOVO heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchteling- enconventie) of alsnog die vrees dient te koesteren in geval van een eventuele terugkeer naar voornoemde provincie; dat de Commissaris-generaal tot dit besluit is gekomen omdat verzoekster verklaarde dat zij, na haar vlucht naar het zuiden van MITROVICE in de loop van januari 2002, anderhalve maand bij een vriend van haar echtgenoot heeft verbleven, zonder daar evenwel verdere problemen of moeilijkheden met de plaatselijke of andere bevolking te hebben gekend; dat hij bovendien vaststelt, wat door verzoekster in het tweede middel niet wordt betwist, dat zij, blijkens haar verklaringen, geen pogingen heeft ondernomen om enig nieuws te vernemen over haar echtgenoot; dat zij toch KOSOVO zou hebben verlaten louter en alleen op aanraden van die vriend; dat de Commissaris-generaal besluit dat zij aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich, om één van de redenen vermeld in de Vluchtelingenconventie, niet elders in KOSOVO zou kunnen vestigen; Overwegende dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal steun vinden in de gegevens van het administratief dossier; dat verzoekster nalaat de motieven van de bestreden beslissing concreet te weerleggen; dat zij aanvoert dat uit haar uiteenzetting blijkt dat zij ondergedoken leefde, dat haar verblijf in Zuid-Mitrovicë enkel ingegeven was door een gebrek aan financiële middelen en dat zij er, in tegenstelling tot wat de Commissaris-generaal voorhoudt, “geen ongestoord leven had kunnen leiden” wegens de “etnische conflicten” aldaar; dat uit een vergelijking van de bestreden beslissing en het administratief dossier evenwel blijkt dat deze bewering in tegenspraak is met haar individueel vluchtrelaas waarin zij ondermeer verklaarde dat zij tijdens haar verblijf in Zuid- Mitrovicë geen problemen of moeilijkheden had gekend; dat het de Raad van State, in het kader van zijn wettigheidstoezicht bovendien niet toekomt om als een appelrechter de feiten te evalueren en te beoordelen; dat de Raad enkel kan vaststellen dat de bestreden beslissing wettig is wanneer uit het geheel van de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond is; dat haar argumenten, voor zover zij steun vinden in het administratief dossier, evenwel niet van aard zijn om de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal te ontkrachten; dat zij de bevindingen van de Commissaris-generaal namelijk dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet elders XIV-10.047-4/6 in Kosovo kon vestigen, niet weerlegt; dat zij zich beperkt tot algemene beweringen over een gebrek aan een intern vluchtalternatief zonder dit met concrete argumenten te staven; dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven, die draagkrachtig zijn en steun vinden in het administratief dossier, dat verzoekster niet aantoont dat de conclusie van de Commissaris-generaal op grond van dit geheel van motieven, onwettig is; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3. Overwegende dat verzoekster een derde middel afleidt uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat verzoekster werd bijgestaan door een tolk die niet van etnisch Albanese afkomst was en die haar zaak allerminst genegen was; dat zij aanvoert dat hierdoor haar belangen manifest werden geschonden, “nu een correcte en genuanceerde vertaling van haar asielrelaas één van de belangrijkste peilers van het dossier betreft.”; Overwegende dat verzoeksters opmerkingen omtrent de problemen met de tolk niet worden gestaafd door de gegevens van het administratief dossier; dat zij niet uiteenzet op welke punten haar verklaringen foutief werden vertaald; dat zij niet aannemelijk maakt dat haar belangen manifest werden geschonden; dat het derde middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-10.047-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-10.047-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div