← België

Arrest 133128 - - 25/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.128 Rolnummer: A. 101991/XIV-2740 Zaak: Arrest 133128 - - 25/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:34 Fiche Arrest nr 133.128 van 25 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.128 van 25 juni 2004 in de zaak A. 101.991/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, wonende te 1083 GANSHOREN, Laurent Herbautstraat 24/6 tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 september 1972 en XXX, geboren op 21 september 1981 en beiden van Tadzjiekse nationaliteit, op 1 maart 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 februari 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 15 februari 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 4 april 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-2740-1/4 Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. KILOLO MUSAMBA, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  7. De verzoekende partijen komen België binnen op 8 maart 2000 en verklaren zich vluchteling op 10 maart
  8. 1.
  9. Op 16 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  10. Op 15 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal met betrekking tot XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Aan betrokkene werd op 27 december 2000 op zijn gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Com- missaris-generaal, overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 16 juni
  11. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstan- digheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal met betrekking tot XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: XIV-2740-2/4 “(...) Aan betrokkene werd op 27 december 2000 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Com- missaris-generaal, overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 16 juni
  12. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstan- digheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”
  13. Overwegende dat verzoekers als enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij stellen dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen rekening gehouden heeft met hun brief waarin zij verwittigden dat zij zich in de onmogelijkheid bevonden om op het verhoor aanwezig te zijn; Overwegende dat de oproepingsbrief die door het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan verzoekers werd verstuurd op 27 december 2000, duidelijk vermeldt dat indien een geval van overmacht zich voordoet, waardoor verzoekers niet aanwezig kunnen zijn op het verhoor, zij verzocht worden het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van hun asielaan- vraag per aangetekend schrijven te sturen naar het Commissariaat-generaal, binnen de maand die volgt op de datum van de oproeping; dat uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat er een aangetekend schrijven gericht werd aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van hun asielaanvraag bevat; dat er zich in het administratief dossier enkel een fax bevindt, dd. 12 januari 2001, van de raadsman van verzoekers, waarin gesteld wordt dat verzoekers zich wegens gezondheidsredenen niet naar het Commissariaat-generaal kunnen begeven om aanwezig te zijn voor het verhoor en tevens dat hij het bewijs van de overmacht zo spoedig mogelijk aan het Commissariaat-generaal zal overmaken; dat uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat dit bewijs van overmacht werd bezorgd aan het Commissariaat-generaal, zodat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in redelijkheid kon vaststellen dat verzoekers zonder geldige reden geen gevolg hebben gegeven aan de oproeping of aan de vraag om inlichtingen; dat het enig middel ongegrond is;
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er XIV-2740-3/4 derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-2740-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.