← België

Arrest 133159 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.159 Rolnummer: A. 152668/IX-4554 Zaak: Arrest 133159 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-05 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:34 Fiche Arrest nr 133.159 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.159 van 28 juni 2004 in de zaak A. 152.668/IX-4554. In zake : Alfons VAN DEN ABBEELE, wonende te TERVUREN, Varenberg 37 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alfons VAN DEN ABBEELE op 11 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 7 juni 2004 waarbij hij in het belang van de dienst wordt geschorst met ingang van dezelfde datum; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. GOIRIS, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-4554-1/9 Overwegende dat verzoeker ter zitting een “zittingsnota” neerlegt en hierbij stelt dat dit een antwoord is op de nota met opmerkingen van de verwerende partij; dat in de neerlegging van dergelijk stuk niet is voorzien in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en evenmin in het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; dat de Raad van State bijgevolg geen acht slaat op die “zittingsnota”; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker is bij koninklijk besluit van 4 april 2003 met ingang van 1 mei 2003 aangeduid als houder van de managementfunctie-2 “Administrateur Particulieren” bij de federale overheidsdienst Financiën. 1.2. Op 5 en 7 juni 2004 bericht de nationale pers dat er een strafonder- zoek tegen hem loopt. 1.3. Op maandag 7 juni 2004 wordt verzoeker omstreeks 10.30 uur telefonisch door de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën uitgenodigd om zich bij hem aan te bieden met zijn raadsman naar aanleiding van die persberichten. 1.4. Verzoeker wordt op die datum door de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Financiën bijgestaan door een auditeur-generaal van financiën in kennis gesteld van die persberichten en om een reactie gevraagd. Het relaas van dat onderhoud is als volgt verwoord in een verslag van 7 juni 2004 : “(Toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst.). Aanwezig : - de h. J-Cl. LAES, Voorzitter van het Directiecomité, in de hoedanigheid zoals vermeld in artikel 1, tweede lid van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst, houder van het bewijs van taalkennis vereist om te fungeren als IX-4554-2/9 administratiechef in centrale diensten, afgeleverd door het Vast Wervings- secretariaat op 28 juni 1991. - de h. A. VAN DEN ABBEELE Alfons, F, houder van de management- functie-2 'Administrateur Particulieren', - Meester J. SCHEERS, raadsman van de h. VAN DEN ABBEELE, - de h. A. VAN LANGENHOVE , die optreedt als secretaris. De zitting wordt geopend om 16u. De h. LAES deelt aan de h. VAN DEN ABBEELE mee dat hij wordt gehoord in het kader van een eventuele schorsing in het belang van de dienst, en dit naar aanleiding van een aantal publicaties in de pers waarin de h. VAN DEN ABBEELE in opspraak wordt gebracht. Het betreft meer bepaald volgende artikels (waarvan een afschrift wordt overhandigd aan de h. VAN DEN ABBEELE) : - een artikel uit Het Laatste Nieuws van zaterdag 5 en zondag 6 juni 2004, - een artikel uit La Libre Belgique van maandag 7 juni 2004, - een artikel uit Le Soir van maandag 7 juni 2004, - een artikel uit La Meuse van maandag 7 juni 2004, - een artikel uit De Morgen van maandag 7 juni 2004. De h. LAES nodigt de h. VAN DEN ABBEELE zijn visie te geven in verband met de inhoud van deze persartikels. De h. VAN DEN ABBEELE wijst er vooreerst op dat hij totaal onschuldig is. Wat meer bepaald de zaak Vernimmen betreft, verduidelijkt hij dat met de erfgenaam een akkoord werd afgesloten op 20 juli 2001. Meester SCHEERS deelt mee dat de onderzoeksrechter het onderzoek heeft afgesloten en meegedeeld aan het Openbaar Ministerie op 19 april 2004. Na bijna één jaar onderzoek werd de h. VAN DEN ABBEELE niet in verdenking gesteld. Van het Openbaar Ministerie zijn er evenmin bijkomende vorderingen tot inverdenkingstelling. Nadat de h. VAN DEN ABBEELE vrijdag werd gecontacteerd door een journalist van Het Laatste Nieuws die zinnens was een artikel te publiceren op grond van het intern auditverslag, heeft Meester SCHEERS met de onderzoeks- rechter alles in het werk gesteld om lekken te voorkomen. Bij het gerecht waren trouwens slechts enkele mensen op de hoogte omdat er toch niets in het dossier zat. De nodige maatregelen werden genomen om zeer discreet te blijven en de onderzoeksrechter heeft de persmagistraat verbod opgelegd informatie te verstrekken over het dossier. De h. VAN DEN ABBEELE en Meester SCHEERS besluiten daaruit dat de artikels geschreven zijn op basis van het intern auditverslag (waarnaar trouwens in het artikel van De Morgen wordt verwezen), verslag waarin is voorzien dat het confidentieel is. Deze morgen heeft Meester SCHEERS reeds contact gehad met de onderzoeksrechter om aan te kondigen dat klacht wordt neergelegd wegens schending van het beroepsgeheim en het geheim van het onderzoek en wegens laster en eerroof. Meester SCHEERS stelt nog dat het intern auditverslag zeer weinig bewijs- waarde heeft: het is gesteund op ongegronde verklaringen van de h. VERNIMMEN en de h. VAN DEN ABBEELE werd nooit gehoord. Op de vraag of de h. VAN DEN ABBEELE nu nog normaal zou kunnen functioneren, verwijst Meester SCHEERS naar het feit dat hij vandaag is komen werken. De h. VAN DEN ABBEELE stelt wel dat voorlopig niet aangewezen zou zijn op professioneel vlak contacten te hebben met de pers of mee te werken aan programma’s in de media. Hij heeft sedert zaterdag trouwens elk contact geweigerd aan de pers. IX-4554-3/9 Meester SCHEERS wenst er nog aan toe te voegen dat er in het verleden precedenten zijn geweest, bijvoorbeeld in het dossier KB-Lux, waar men het niet nodig heeft geacht maatregelen te nemen. Tenslotte benadrukken beiden dat zij alles in het werk hebben gesteld om hier zo snel mogelijk te zijn om gehoord te worden omdat er niets te verbergen is. De zitting wordt beëindigd om 16u.42.”. 1.5. Aansluitend op dat verhoor stelt de voorzitter van het directie- comité aan de minister van Financiën voor om verzoeker te schorsen in het belang van de dienst. 1.6. De minister van Financiën beslist op 7 juni 2004 om verzoeker te schorsen in het belang van de dienst. Het ministerieel besluit dat hiertoe beslist luidt als volgt : “Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 april 2004; Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 september 2002; Gelet op het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 februari 2003; Overwegende de ruime ruchtbaarheid die de pers vanaf 5 juni 2004 heeft gegeven aan het feit dat een gerechtelijk onderzoek werd geopend (...), waarbij gewag wordt gemaakt van oplichting en misbruik van vertrouwen, fiscale fraude, passieve corruptie, schending van het beroepsgeheim en diefstal; Overwegende dat de h. VAN DEN ABBEELE op 7 juni 2004 werd gehoord door de h. LAES, Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheids- dienst FINANCIEN; Overwegende dat, niettegenstaande de h. VAN DEN ABBEELE tijdens de hoorzitting heeft verklaard geen enkele hiërarchische bevoegdheid te hebben over de uitvoeringsdiensten, noch enige fiscale bevoegdheid, en zijn functie voorlopig bestaat in de voorbereiding van de implementatie van de toekomstige Algemene Directie Particulieren, niet kan ontkend worden dat de ruchtbaarheid die werd gegeven aan het gerechtelijk onderzoek van die aard is dat betrokkene voorlopig zijn opdracht niet langer kan uitvoeren zonder de geloofwaardigheid van de administratie en haar ambtenaren ernstig in het gedrang te brengen. Op voorstel van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst FINANCIEN, BESLUIT : Artikel 1. De h. VAN DEN ABBEELE Alfons, geboren te Berlare op 19 mei 1948, houder van de managementfunctie -2 'Administratie Particulieren', wordt in het belang van de dienst geschorst met ingang van 7 juni 2004. (...)”. Dit is de bestreden beslissing. IX-4554-4/9 2. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzaak. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drie- voudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat hij houder is van de managementfunctie-2 en in die hoedanigheid een operationeel plan heeft ingediend waarvoor hij op de verwezenlijking ervan twee jaar na het begin van zijn mandaat zal worden geëvalu- eerd; dat die evaluatie betrekking heeft op het bereiken van de “prestatiedoelstelling- en “ en dat indien die evaluatie leidt tot de vermelding “onvoldoende” er vroegtijdig een einde zal worden gesteld aan zijn mandaat; dat opdat verzoeker zijn beheersop- drachten zou kunnen uitvoeren en “zijn strategische en operationele doelstellingen die hij moet bereiken en zijn verplichtingen terzake kan nakomen” tegen mei 2005, hij zijn taak zonder onderbreking moet kunnen voortzetten met het risico anders een evaluatie “onvoldoende” te krijgen; dat tijdens zijn schorsing een aantal belangrijke projecten in hun uitvoering gehypothekeerd worden “of stop gezet”; dat de functie van manager een voltijdse functie is die geen recht geeft op verloven of afwezighe- den; dat de schorsing hem ook een zeer ernstige morele schade heeft toegebracht aangezien de bestreden beslissing “zijn goede naam onherroepelijk kan vernietigen” en dat nadeel niet kan worden hersteld door een vernietigingsarrest dat slechts na enkele jaren zal worden uitgesproken; dat ten slotte verzoeker houder is van de “derde hoogste managementfunctie” bij de federale overheidsdienst Financiën zodat de schande die gepaard gaat met de bestreden beslissing “in de praktijk een voorbode (

  1. is)van een vroegtijdige beëindiging van zijn mandaat en een reaffectatie naar een lagere functie” en dat dit niet louter door een annulatiearrest kan worden ongedaan gemaakt; IX-4554-5/9 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt dat een schorsing in het belang van de dienst een tijdelijke niet-tuchtrechtelijke maatregel is die in de regel geen nadeel kan veroorzaken dat niet naar behoren hersteld kan worden door een vernietigingsarrest tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel doen blijken; dat de invloed van de bestreden ordemaatregel “op een na twee jaar functioneren uit te brengen evaluatie niet alleen op dit ogenblik louter hypothetisch is” en dat het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de bestreden beslissing zelf; dat de evaluatie pas in mei 2005 aan de orde komt en een afzonderlijke administratieve rechtshandeling is; dat wanneer twee jaar na de aanvang van het mandaat de houder van de managementfunctie geëvalueerd wordt nopens de prestatiedoelstellingen en de concrete uitwerking ervan zoals vervat in zijn managementplan daarbij vanzelfsprekend rekening zal moeten gehouden worden “met de omstandigheden waaronder (een betrokkene) zijn mandaat heeft uitgeoefend zoals bijvoorbeeld het feit dat de houder van de managementfunctie gedurende een bepaalde periode van zijn mandaat niet heeft kunnen verderwerken aan de realisatie van zijn managementplan omdat hij te weinig middelen ter beschikking heeft of een tijd afwezig was wegens ziekte of omdat hij in het belang van de dienst werd geschorst”; dat aangezien “de schorsing in belang van de dienst geen sanctionerend karakter heeft deze schorsing hem als dusdanig niet ten kwade (kan) worden geduid bij zijn evaluatie”; dat de stelling van verzoeker dat de bestreden beslissing “een voorbode is van een vroegtijdige beëindiging van zijn mandaat en van een reaffectatie naar een lagere functie” een loutere bewering is die geen steun vindt in de feitelijke omstandigheden van de zaak; dat een schorsing in het belang van de dienst een maatregel is die wordt genomen in het belang van de dienst zonder dat die maatregel een disciplinair karakter heeft en dat het karakter van de maatregel trouwens door verzoeker niet in vraag wordt gesteld; dat verzoeker ook niet duidelijk maakt waarom deze schorsing zich zou opdringen om zijn eer te redden; dat, steeds volgens de verwerende partij, de ordemaatregel op zich geen veroordelend karakter heeft waardoor de eer van verzoeker kan worden aangetast de evaluatie van zijn functioneren niet negatief kan beïnvloeden; dat de omstandigheid dat verzoeker in een negatief daglicht werd gesteld in persberichten en dat hij daardoor op professio- neel gebied in diskrediet wordt gebracht niet volgt uit de bestreden beslissing maar wel uit die aanvankelijke persberichten waarin de journalisten zich ook de vraag stellen waarom er nog geen administratieve maatregelen zijn genomen ten aanzien van verzoeker; dat er ook geen redenen zijn om aan te nemen dat de projecten waarmee verzoeker is belast zouden stopgezet worden tijdens zijn afwezigheid en dat IX-4554-6/9 verzoeker zelf aangeeft dat hij werkt aan omvangrijke projecten waaraan meerdere ambtenaren hun medewerking verlenen; 2.3. Overwegende dat indien verzoeker in de maand mei 2005 zal worden geëvalueerd op zicht van zijn prestaties en het al dan niet behalen van vooropgestelde objectieven, er niet kan aangenomen worden dat zijn evaluatoren geen rekening zullen moeten houden met het bestaan van de bestreden beslissing waardoor verzoeker buiten zijn toedoen tijdelijk uit de dienst is verwijderd; dat immers bij die evaluatie zal moeten worden onderzocht of de al dan niet permanente aanwezigheid van verzoeker effect heeft gehad op het behaalde resultaat; dat de verwerende partij ook zelf aangeeft dat bij de evaluatie “vanzelfsprekend rekening (zal) moeten gehouden worden met de omstandigheden waaronder hij zijn mandaat heeft uitgeoefend zoals bijvoorbeeld het feit dat de houder van de managementfunctie gedurende een bepaalde periode van zijn mandaat niet heeft kunnen verderwerken aan de realisatie van zijn managementplan omdat hij te weinig middelen ter beschikking heeft of een tijd afwezig was wegens ziekte of omdat hij in het belang van de dienst werd geschorst”; dat de verwerende partij te dezen voor de Raad van State ook op zeer duidelijke wijze stelt dat “de schorsing in belang van de dienst geen sanctionerend karakter heeft deze schorsing hem als dusdanig niet ten kwade (kan) worden geduid bij zijn evaluatie”; dat bijgevolg indien zou blijken dat de prestatie- doelstelling en de concrete uitwerking ervan zoals opgenomen in het management- plan van verzoeker niet zouden zijn bereikt, de evaluerende overheid op een precieze wijze zal moeten aangeven welk objectief falen aan de grondslag ligt van het niet of niet volledig behalen van de doelstellingen en dat indien een van die elementen betrekking zou hebben op een of andere vorm van ontbreken van een permanente opvolging vanwege de houder van de managementfunctie, dit gegeven niet aan verzoeker ten kwade zal mogen worden geduid; dat die zekerheid die hem thans, openlijk en in een duidelijke taal wordt gegeven derhalve van aard is om hem op dat vlak volledig gerust te stellen en om te besluiten dat de bestreden beslissing geen enkele invloed zal en mag hebben op zijn evaluatie; dat voorts wanneer verzoeker gewag maakt van het feit dat door de aanvaarding van zijn managementfunctie hij voor de duur van die opdracht geen bijzonder verlof kan genieten, het evenwel niet aannemelijk is dat hij, zoals elke werknemer, geen normale vakantie zou kunnen genieten en derhalve ook voor een relatief korte periode niet afwezig is geweest en in de toekomst niet zou kunnen zijn; dat in die omstandigheden, zelf indien zou blijken dat de raad van beroep geen zitting houdt tijdens de vakantiemaanden, op de verwerende partij nochtans de verplichting rust om alles in het werk te stellen om IX-4554-7/9 verzoeker de mogelijkheid te bieden om, binnen een redelijke termijn, die moet bekeken worden in het licht van de termijn van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst, zijn rechten hem toegekend bij voornoemd artikel 2, volledig te kunnen laten uitoefenen; dat de Raad van State er bijgevolg van uitgaat verzoeker binnen een relatief korte termijn, die een normale vakantietermijn nauwelijks kan overschrijden, in de gelegenheid zal gesteld zijn om zijn rechten ten volle uit te oefenen; 2.4. Overwegende dat het door verzoeker aangevoerde moreel nadeel een nadeel is dat voornamelijk zijn oorzaak vindt, niet in de bestreden beslissing zelf, maar in de persberichten die aan de bestreden beslissing zijn voorafgegaan zodat er geen rechtstreeks causaal verband lijkt te bestaan tussen dat nadeel en de bestreden beslissing; dat de verwerende partij terecht stelt dat een schorsing in het belang van de dienst “een tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke maatregel” is; dat in de regel een schorsing in het belang van de dienst geen moreel nadeel als zodanig kan opleveren; dat hierop te dezen geen uitzondering kan worden gemaakt; dat immers de bestreden beslissing verzoeker niet aanwijst als een “oplichter, fraudeur, omkoper en dief” doch alleen wijst op een aantal persberichten waarbij “gewag gemaakt” wordt van een aantal misdrijven waarvoor “een gerechtelijk onderzoek werd geopend tegen” verzoeker; dat hiermee in de bestreden beslissing geen waardeoordeel over verzoeker is uitgesproken, doch alleen een vaststelling dat verzoeker het voorwerp is van geruchten in de pers zodat dergelijke vaststelling voor hem bezwaarlijk als een ernstig moreel nadeel kan worden beschouwd; 2.5. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-4554-8/9 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4554-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.159 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.167 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.