← België

Arrest 133161 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.161 Rolnummer: A. 147598/IX-4065 Zaak: Arrest 133161 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:35 Fiche Arrest nr 133.161 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.161 van 28 juni 2004 in de zaak A. 147.598/IX-

  1. In zake : Luc DECOSTER, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc DECOSTER op 13 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 15 december 2003 van de directeur-generaal van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, waarbij hij bij wijze van tuchtstraf wordt teruggezet in de graad van medewerker met salarisschaal C111.; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; IX-4065-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ARNOUTS, die loco advocaat P. LAHOUSSE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker was ingenieur bij de afdeling Water van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (hierna AMINAL) van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
  4. Met een brief van 30 juni 1993 verzoekt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting het Hoog Comité van Toezicht een onderzoek in te stellen betreffende de klachten van een aantal aannemers over onregelmatigheden bij de aanbesteding van overheidsopdrachten voor rekening van de Landelijke Waterdienst.
  5. Een opsporingsonderzoek wordt met ingang van 21 september 1993 door de procureur des Konings te Brugge gevoerd.
  6. Op 30 augustus 1994 zendt het Hoog Comité van Toezicht, met toestemming van de procureur des Konings te Brugge, een afschrift van een voorlopig verslag aan de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting. Het voorlopig verslag geeft een overzicht van de onregel- matigheden bij de Landelijke Waterdienst, die werden vastgesteld ingevolge het inmiddels gestarte gerechtelijk onderzoek. IX-4065-2/13 In dit voorlopig verslag wordt ten laste van verzoeker het volgende vermeld : “De woning van de h. Luc DECOSTER werd voor een groot gedeelte gebouwd door personeel van de bvba AUDENAERT en een groot gedeelte van de kosten betreffende de leveringen van materiaal en werken uitgevoerd door derden werden gefactureerd aan en betaald door de bvba AUDENAERT. Het bedrag dat de h. DECOSTER aan AUDENAERT betaalde was -volgens onze raming- ongeveer 900.000 F lager dan hetgeen hij volgens onze schatting van de werkdagen van het personeel van AUDENAERT en de facturen van leveranciers en onderaannemers, normaal had moeten betalen (zonder rekening te houden met winst of algemene onkosten). Wij wijzen er op dat wij bij ons onderzoek geen elementen hebben teruggevonden die wijzen op een bevoordeling van AUDENAERT door DECOSTER”.
  7. Verzoeker wordt vervolgens verwezen naar de correctionele rechtbank te Brugge en bij vonnis van 21 september 1998 wordt hij wegens valsheid in geschrifte en passieve corruptie veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden met uitstel en een geldboete, alsmede de verbeurdverklaring van de waarde van het door de omkopers gegevene.
  8. Bij arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart 2002 wordt de veroordeling bevestigd voor passieve corruptie. De straf wordt verminderd tot een gevangenisstraf van drie maanden met uitstel en een geldboete, alsmede de verbeurdverklaring van de waarde van het door de omkopers gegevene.
  9. Bij arrest van 11 februari 2003 wordt het cassatieberoep van verzoeker tegen het arrest van het hof van beroep te Gent door het Hof van Cassatie verworpen.
  10. Met een brief van 12 maart 2003 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent wordt een afschrift van het in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart 2002 toegezonden aan de afdeling Water van AMINAL.
  11. Op 26 juni 2003 dient de verantwoordelijke van de buitendienst West-Vlaanderen van de afdeling Water een voorstel in om verzoeker de tuchtstraf van “ontslag van ambtswege” op te leggen. In dit voorstel worden de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als volgt omschreven : IX-4065-3/13 “Op basis van de feitelijke gegevens uit het heromschreven dossier zoals het door het Parket van het Hof van beroep te Gent werd overgemaakt blijkt dat aan Luc DECOSTER voordelen geschonken zijn teneinde Luc DECOSTER binnen zijn ambt als leidend ambtenaar van werken voor de werken die de firma van de schenker (AUDENAERT) uitvoerde zodanig te laten handelen dat vlotte goed- keuring van ingediende vorderingsstaten en oplevering van werken bekomen werd waardoor de aannemer-schenker AUDENAERT financieel voordeel bekwam. Daar de aannemer AUDENAERT met deze bedoeling de villa van Luc DECOSTER tegen een veel te lage prijs gebouwd heeft en Luc DECOSTER dit aanbod ook wetens en willens aanvaard heeft, kan Luc DECOSTER niet voorhouden dat hij dat allemaal niet zou gewild hebben terwijl hij wel zelf zijn eigen factuur heeft opgemaakt voor een bedrag waarvan hij zelf verklaarde dat hij wist dat het onder de normale kostprijs lag en dat hij daarenboven de werfaansluiting voor elektriciteit van de aannemer is blijven gebruiken en tevens aanvaard heeft dat de aannemer door een derde aannemer zijn terras en oprit liet aanleggen. Daar het vaststaat dat Luc DECOSTER wetens en willens al deze voordelen van de aannemer aan zijn villa aanvaard heeft en zelfs actief er aan meegewerkt heeft door zelf zijn eigen factuur op te maken en dit teneinde zich als leidend ambtenaar voor de door de aannemer uit te voeren werken en/of uitgevoerde werken dermate soepel op te stellen dat de aannemer daardoor financieel voordeel bekwam”.
  12. Op 4 juli 2003 wordt verzoeker door het afdelingshoofd van de afdeling Water uitgenodigd op 5 september 2003 voor een ondervraging. Dit verhoor wordt op vraag van verzoekers raadgever achtereen- volgens uitgesteld tot 12 september 2003 en 10 oktober
  13. Op 10 oktober 2003 wordt de raadgever van verzoeker door het afdelingshoofd van de afdeling Water gehoord. Op 16 oktober 2003 dient hij een schriftelijk verweer in.
  14. Bij besluit van 23 oktober 2003 van het afdelingshoofd van de afdeling Water wordt tegen verzoeker de tuchtstraf “terugzetting in de graad van assistent in de salarisschaal D111” uitgesproken.
  15. Op 7 november 2003 dient verzoeker tegen deze tuchtstraf beroep in bij de raad van beroep.
  16. In zijn advies van 28 november 2003 oordeelt de raad van beroep dat de tuchtstraf “terugzetting in graad” moet behouden worden, “maar dan in een iets hogere graad, bijvoorbeeld terugzetting in de graad van medewerker met salaris- schaal C111". IX-4065-4/13
  17. Bij besluit van 15 december 2003 van de directeur-generaal van AMINAL wordt tegen verzoeker de tuchtstraf “terugzetting in de graad van medewerker met salarisschaal C111” definitief uitgesproken. Dit besluit luidt als volgt : “Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, zoals tot op heden gewijzigd (VPS), inzonderheid op artikel IX 18; Gelet op de brief van 12 maart 2003 van het parket bij het Hof van Beroep te Gent, gericht aan ir. Paul THOMAS van de afdeling Water, met een afschrift van het in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Hof van Beroep te Gent van 25 maart 2002, waarbij de afdeling Water in kennis wordt gesteld van de strafrechtelijke veroordeling van Luc DECOSTER, ingenieur bij de afdeling Water, voor feiten tijdens de uitoefening van zijn functie; Gelet op het voorstel van tuchtstraf “ontslag van ambtswege” van ir. Jacques LELIAERT, verantwoordelijke van de buitendienst West-Vlaanderen van de afdeling Water van de administratie Milieu-, Natuur, Land- en Waterbeheer (AMINAL), van 26 juni 2003 voor Luc DECOSTER; Gelet op het proces-verbaal van verhoor van 10 oktober 2003; Gelet op het schriftelijk verweer van 16 oktober 2003 van zijn vertegen- woordiger Kim CLAESSENS; Gelet op het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Water van 23 oktober 2003 waarbij “terugzetting in de graad van assistent met salarisschaal D111” als tuchtstraf werd uitgesproken; Gelet op de brief van 7 november 2003 waarbij Luc DECOSTER beroep heeft ingesteld bij de eerste kamer van de Raad van Beroep tegen de tuchtstraf “terugzetting in de graad van assistent met salarisschaal D111”; Gelet op het advies van de eerste kamer van de Raad van Beroep van 28 november 2003 waarbij de Raad van Beroep voorstelt dat de tuchtstraf “terugzetting in graad” behouden blijft maar dan in een iets hogere graad, bijvoorbeeld terugzetting in de graad van medewerker met salarisschaal Cl11; Overwegende dat de Raad van Beroep oordeelt dat Luc DECOSTER zeker moet gestraft worden, maar dat deze straf niet definitief en onherroepelijk moet zijn, uiteraard op voorwaarde dat Luc DECOSTER zich in de toekomst gedraagt zoals van een integer en correct ambtenaar mag worden verwacht; Gelet op artikel III 1 VPS dat stelt dat de ambtenaar zijn ambt op een loyale en integere wijze moet uitoefenen onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen; Gelet op de deontologische Code van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse regering van 1 september 1998; Overwegende dat het vaststaat dat Luc DECOSTER uiteindelijk al deze voordelen van de aannemer aan zijn villa aanvaard heeft en zelfs actief er aan meegewerkt heeft door zelf zijn eigen factuur op te maken voor een bedrag waarvan hij zelf verklaarde dat hij wist dat het onder de normale kostprijs lag; dat hij daarenboven de werfaansluiting voor elektriciteit van de aannemer is blijven gebruiken; dat hij aanvaard heeft dat de aannemer door een derde aannemer zijn terras en oprit liet aanleggen; Overwegende dat de tuchtstraf “terugzetting in de graad van assistent met salarisschaal D111” een zwaar financieel nadeel tot gevolg zou hebben voor Luc DECOSTER, gezien zijn sociale en familiale toestand; dat de tuchtstraf “terugzetting in de graad van assistent met salarisschaal D111” een zwaar IX-4065-5/13 financieel verlies impliceert voor de rest van zijn loopbaan alsook voor zijn pensioen; Overwegende dat de sociale en familiale situatie van Luc DECOSTER speciale aandacht vraagt; Overwegende dat sinds de feiten, 11 jaar geleden, Luc DECOSTER het vertrouwen heeft gekregen en hij die jaren ook goede evaluaties heeft gekregen; Overwegende dat er verder geen onregelmatige of abnormale zaken werden vastgesteld; Overwegende dat de tuchtstraf "terugzetting in de graad van medewerker met salarisschaal C111" als gepast en voldoende voorkomt; BESLUIT: Artikel
  18. Tegen Luc DECOSTER, ingenieur bij de afdeling Water met standplaats Brugge van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, met personeelsnummer 208084, wordt de tuchtstraf “terugzetting in de graad van medewerker met salarisschaal C111” definitief uitgesproken. Art.
  19. Dit besluit zal aan belanghebbende via een aangetekende brief worden meegedeeld en een afschrift zal ter kennisgeving aan de griffier van de Raad van Beroep worden gezonden”. Dit is de door verzoeker bestreden beslissing;
  20. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  21. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voor- waarde in een eerste middel de schending aanvoert van “enerzijds de bepalingen van het Vlaams personeelsstatuut, meer in het bijzonder de art. IX 22 en 23 en anderzijds de redelijke termijneis”; dat hij, eerste onderdeel, betoogt dat de overheid de tucht- procedure had moeten instellen binnen de zes maanden nadat zij bij brief van 30 augustus 1994 door een Hoog Comité van Toezicht van de feiten in kennis werd gesteld, terwijl zij binnen deze termijn geen enkel initiatief genomen heeft om een tuchtprocedure tegen hem in te leiden; dat indien de tuchtoverheid de tuchtprocedure tijdig, dit is voor 1 maart 1995, had ingesteld, de tuchtprocedure geschorst zou zijn geweest vanaf 1 augustus 1996, datum waarop het openbaar ministerie zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank vorderde, tot aan de einduitspraak van het Hof van Cassatie in 2003; dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure tegen verzoeker evenwel pas heeft ingeleid na het arrest van het Hof van Cassatie, tien jaar na de IX-4065-6/13 feiten, op een ogenblik dat de termijn van zes maanden bepaald in artikel IX 23 van het Vlaams personeelsstatuut verstreken was; dat, tweede onderdeel, het volstrekt onredelijk is om tien jaar na de feiten nog een tuchtprocedure op te starten, terwijl het Hoog Comité van Toezicht de feiten reeds in zijn voorlopig verslag van 30 augustus 1994 uitvoerig had uiteengezet, maar er toen geen tuchtprocedure werd ingesteld, de overheid haar vertrouwen in verzoeker behield en hem verder zijn functie liet uitoefenen; 2.1.
  22. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel antwoordt dat wanneer de feiten het voorwerp uitmaken van een opsporings- onderzoek of van een strafvervolging het vertrekpunt van de termijn van zes maanden uitgesteld wordt, om te beletten dat de feiten die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek of strafvordering zouden verjaren, terwijl precies uit dat onderzoek de gegevens moeten blijken die de tuchtoverheid in staat stellen het bestaan van tuchtrechtelijk strafbare feiten te bewijzen; dat te dezen ingevolge de brief van 30 juni 1993 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting aan het Hoog Comité van Toezicht met ingang van 21 september 1993 door het parket een opsporingsonderzoek is gevoerd, gevolgd door een gerechtelijk onderzoek dat geleid heeft tot de verwijzing van verzoeker naar de correctionele rechtbank en zijn uiteindelijke veroordeling door het hof van beroep; dat overeenkomstig artikel IX 23 van het Vlaams personeelsstatuut de termijn van zes maanden voor het instellen van de tuchtprocedure begint te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing is uitgesproken of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt voortgezet; dat het tenslotte ook in het belang van verzoeker is dat werd gewacht op de uitspraak van de strafrechter, omdat de strafprocedure meer waarborgen biedt dan de tucht- procedure en de gerechtelijke overheden over meer onderzoeksmiddelen beschikken dan de tuchtoverheid; op het tweede onderdeel dat het de tuchtoverheid niet ten kwade mag worden geduid dat zij wacht tot het gerechtelijk onderzoek beëindigd is en de strafrechter uitspraak heeft gedaan, daar het niet uitgesloten is dat uit dat onderzoek gegevens blijken die ook voor de tuchtoverheid dienstig kunnen zijn en aldus het risico wordt vermeden dat voorbarig een straf wordt opgelegd voor feiten waarvan later door een gerechtelijke uitspraak wordt vastgesteld dat zij niet bewezen zijn of zich anders hebben voorgedaan; dat verzoeker trouwens in de loop van de procedure alle rechtsmiddelen uitgeput heeft om tot een zo grondig mogelijk onderzoek van de feiten te komen, zonder dat hij zulks als onredelijk heeft beschouwd; IX-4065-7/13 2.1.
  23. Overwegende, eerste onderdeel, dat de artikelen IX 22 en IX 23 van het Vlaams personeelsstatuut als volgt luiden: “Art. IX
  24. De strafprocedure schorst de tuchtprocedure en de tucht- uitspraak. (...) Art. IX
  25. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld. Bij de beoordeling van de strafmaat mogen evenwel relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking genomen worden. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt voortgezet”; dat verzoeker ervan uitgaat dat de tuchtvordering tegen hem moest ingesteld worden binnen zes maanden nadat bij brief van 30 augustus 1994 een afschrift van het voorlopig verslag van het Hoog Comité van Toezicht aan de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting werd toegezonden en dat de tuchtprocedure zou geschorst worden door de vordering van de procureur des Konings van 1 augustus 1996 om verzoeker naar de correctionele rechtbank te verwijzen; dat het voorlopig verslag waarin de naam van verzoeker is vermeld en waarvan met toestemming van de procureur des Konings te Brugge een afschrift aan de minister is gezonden, een overzicht geeft van de onregelmatigheden bij de verwerende partij die zijn vastgesteld ingevolge het gerechtelijk onderzoek dat door het Hoog Comité van Toezicht in opdracht van de onderzoeksrechter te Brugge is uitgevoerd en op dat ogenblik nog niet beëindigd is; dat aangezien de feiten die in het voorlopig verslag van het Hoog Comité van Toezicht aan de minister zijn medegedeeld het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek, die mededeling in dat stadium, gelet op artikel IX 22, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut, geen aanleiding kan geven tot het instellen van een tuchtvordering aangezien luidens het voornoemde artikel IX 22 een strafprocedure de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak schorst, zodat in de loop van de strafprocedure bezwaarlijk een aanvang kon worden gemaakt met een tuchtproce- dure; dat de tuchtprocedure bijgevolg terecht ingesteld is binnen de zes maanden nadat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid van het in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart 2002 in kennis is gesteld; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; IX-4065-8/13 2.1.
  26. Overwegende, tweede onderdeel, dat de tuchtvordering pas kon ingesteld worden nadat de tuchtoverheid van het in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart 2002 in kennis was gesteld zodat de duur van de gerechtelijke procedure niet in aanmerking kan genomen worden voor het bepalen van de redelijke termijn waarbinnen de tuchtoverheid haar beslissing dient te nemen; dat voorts niet blijkt dat de tuchtprocedure onredelijke vertraging heeft opgelopen; dat zij derhalve is gevoerd binnen een redelijke termijn; dat overigens verzoeker zelf tot tweemaal toe uitstel heeft gevraagd en verkregen; dat dit onderdeel evenmin ernstig is; 2.2.
  27. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van “de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel”; dat hij hierbij uiteenzet dat de verwerende partij ondanks de strafprocedure steeds het vertrouwen in hem behouden heeft en hij goed bleef functioneren en dat hij bijgevolg niet kon vermoeden dat de verwerende partij de strafprocedure zou aangrijpen om ruim tien jaar na de feiten alsnog een tuchtstraf op te leggen; 2.2.
  28. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat het voor haar onmogelijk was om een zorgvuldige beslissing te nemen zonder het resultaat van de strafrechtelijke procedure te kennen; dat zij omwille van verzoekers “sociale en familiale situatie” en “het uitblijven van onregelmatigheden” en omwille van het feit dat de verdere aanwezigheid van verzoeker in de dienst niet onverenig- baar was met het belang van de dienst, geoordeeld heeft dat geen preventieve schorsing diende te worden opgelegd, en dat daarbij aansluitend aan verzoeker slechts een terugzetting in graad van medewerker met salarisschaal C111 werd opgelegd, waardoor hij verder in de dienst kan functioneren; dat verzoeker overigens steeds op de hoogte was van de mogelijke gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling na het uitgevoerde strafonderzoek; 2.2.
  29. Overwegende dat de omstandigheid dat verzoeker niet preventief geschorst werd en dat hij bijgevolg tijdens het strafonderzoek zijn functie is blijven uitoefenen, niet kan verhinderen dat hij later tuchtrechtelijk gesanctioneerd kan worden; dat hij er ook niet op mocht vertrouwen dat, indien zou komen vast te staan dat hij schuldig is aan de ten laste gelegde feiten er hem geen tuchtstraf zou worden opgelegd; dat het middel niet ernstig is; IX-4065-9/13 2.3.
  30. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van “de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel”; dat hij hierbij betoogt dat de tuchtstraf, en meer bepaald de gevolgen ervan, geenszins in verhouding staan tot de uiteindelijk ten laste gelegde feiten; dat het hof van beroep te Gent weliswaar geoordeeld heeft dat hij wetens en willens de voordelen van de aannemer van zijn villa, had aanvaard, en er zelfs actief had aan meegewerkt door zelf een factuur op te maken, teneinde zich als ambtenaar dermate soepel op te stellen dat de aannemer financiële voordelen zou verkrijgen, maar dat uit het dossier blijkt dat hij de aannemer nooit bewust bevoordeeld heeft en zich steeds correct gedragen heeft in de aannemingsdossiers waar die aannemer bij betrokken was; dat in de motieven van de initiële tuchtstraf de overwegingen van het arrest van het hof van beroep te Gent zijn overgenomen, maar dat in de definitieve uitspraak van de tuchtstraf de directeur-generaal het motief, dat hij zich ten opzichte van de aannemer soepel zou hebben opgesteld, heeft laten vallen; dat de tuchtstraf evenwel nagenoeg ongewijzigd bleef en hierdoor, volgens verzoeker onredelijk zwaar is, aangezien zij uitsluitend werd opgelegd voor het aanvaarden van voordelen, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft geleverd; 2.3.
  31. Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat verzoeker ingevolge het in kracht van gewijsde gegaan arrest van 25 maart 2002 van het hof van beroep te Gent veroordeeld is tot een voorwaardelijke hoofdgevangenisstraf van 3 maanden en tot een geldboete wegens “te Oedelem, als openbaar officier of ambtenaar, of belast zijnde met een openbare dienst, met name als ingenieur bij de Landelijke Waterdienst die resorteert onder het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, een aanbod of belofte te hebben aangenomen, of een gift of geschenk te hebben ontvangen om in de uitoefening van zijn bediening een misdaad of een wanbedrijf te plegen, in casu om gratis aannemingswerken door de bvba AUDENAERT aan zijn private woning alsook facturatie aan en betaling door de bvba AUDENAERT van kosten betreffende de leveringen van materiaal en werken door derden aan diezelfde woning te hebben aangenomen en dit voor een globaal bedrag van minstens 918.178 fr. (excl. BTW)”; dat “in die omstandigheden een vermilderde tuchtstraf van terugzetting in de graad van medewerker met salarisschaal C111 wordt opgelegd (...) die sanctie geenszins een straf (is) waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen”; IX-4065-10/13 2.3.
  32. Overwegende dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtstraf over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt dat de Raad van State enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijk- heid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen; dat luidens de motieven van het voornoemde arrest “het vaststaat dat Luc DECOSTER uiteindelijk al deze voordelen van de aannemer aan zijn villa aanvaard heeft en zelfs actief er aan meegewerkt heeft door zelf zijn eigen factuur op te maken voor een bedrag waarvan hij zelf verklaarde dat hij wist dat het onder de normale kostprijs lag; dat hij daarenboven de werfaansluiting voor elektriciteit van de aannemer is blijven gebruiken ; dat hij aanvaard heeft dat de aannemer door een derde aannemer zijn terras en oprit liet aanleggen”; dat omkoperij een ernstig inbreuk betekent op de ambtsplichten van een ambtenaar zodat de straf geenszins als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd; dat het middel niet ernstig is; 2.4.
  33. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van “de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het beginsel van onpartijdigheid”; dat hij hierbij uiteenzet dat oorspronkelijk de tuchtstraf van “ontslag van ambtswege” is voorgesteld door ir. Jacques LELIAERT aan afdelingshoofd ir. Paul THOMAS; dat de neef van ir. Jacques LELIAERT, van zodra verzoeker voltijds loopbaanonderbreking nam, zijn plaats heeft ingenomen; dat dit een schijn van partijdigheid doet ontstaan; dat bovendien ir. Paul THOMAS als kabinetsmedewerker van de toenmalige minister mede het onderzoek naar de aanbestedingspraktijken heeft ingeleid bij het Hoog Comité van Toezicht en “in die omstandigheden geeft hij onvoldoende blijk van onpartijdigheid om in de tuchtprocedure een objectieve beslissing te nemen”; dat bij aanvang van het onderzoek naar de aanbestedingspraktijken weliswaar nog geen sprake was van verzoeker, “doch (dat) dit niet terzake (doet); dat het Hoog Comité van Toezicht ook over feiten die verzoeker ten laste werden gelegd onderzocht en rapporteerde in opdracht van ir. Paul THOMAS; dat “het feit dat de heer THOMAS in het kader van de tuchtprocedure een sanctie oplegde, (...) minstens een schijn van partijdigheid (doet) vermoeden”; 2.4.
  34. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de bestreden beslissing van 15 december 2003 genomen werd door de directeur- generaal; dat deze niet betrokken was bij de tuchtfeiten, geen materieel belang had bij de zaak en terzake geen mening had geuit; dat voorts ir. Paul THOMAS en IX-4065-11/13 ir. Jacques LELIAERT hun rol in de tuchtprocedure vervuld hebben conform de structuur van de Vlaamse administratie en dat geen partijdigheid wordt aangetoond; 2.4.
  35. Overwegende dat de verwerende partij terecht opmerkt dat de bestreden beslissing uitgaat van de directeur-generaal van AMINAL en dat de onpartijdigheid van de directeur-generaal door verzoeker niet in twijfel wordt getrokken; dat de bestreden beslissing ook is genomen in overeenstemming met het advies van de raad van beroep, waarvan verzoeker de onpartijdigheid evenmin betwist; dat hij het alleen heeft over een schijn van partijdigheid verwekt door de verantwoordelijke van de buitendienst West-Vlaanderen, ir. Jacques LELIAERT, en van het afdelingshoofd van de afdeling Water, ir. Paul THOMAS, die de tuchtstraf in eerste aanleg respectievelijk voorgesteld en uitgesproken hebben; dat evenwel ingevolge het beroep van verzoeker de beslissing van de directeur-generaal in de plaats is gekomen van de beslissing van het afdelingshoofd, zodat niet wordt ingezien op welke wijze het beweerde gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van ir. Jacques LELIAERT en ir. Paul THOMAS de wettigheid van de na beroep genomen beslissing van de directeur-generaal kan vitiëren; dat ook de omstandigheid “dat de neef van de heer LELIAERT verzoekers plaats heeft ingenomen van zodra verzoeker voltijds loopbaanonderbreking nam” geen gegeven uitmaakt dat zou kunnen wijzen op een gebrek aan onpartijdigheid van ir. Jacques LELIAERT aangezien verzoeker geen enkel gegeven aanbrengt waaruit zou kunnen blijken dat de tuchtstraf tegen verzoeker werd voorgesteld om een familielid van de voorsteller te begunstigen; dat ten slotte de omstandigheid dat afdelingshoofd ir. Paul THOMAS destijds als kabinetsmedewerker betrokken was bij de beslissing om de klachten van een aantal aannemers over onregelmatigheden in de diensten van de verwerende partij over te maken aan het Hoog Comité van Toezicht, diens onpartijdigheid niet in het gedrang kan brengen aangezien hij met die activiteit geen enkel oordeel over de aan verzoeker ten laste gelegde feiten heeft uitgesproken; dat hij trouwens op het ogenblik van die beslissing nog niet op de hoogte kon zijn van verzoekers betrokkenheid bij die onregelmatigheden; dat het middel niet ernstig is; 2.
  36. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, IX-4065-12/13 BESLUIT: Artikel
  37. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  38. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4065-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.161 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.