← België

Arrest 133163 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.163 Rolnummer: A. 147597/IX-4064 Zaak: Arrest 133163 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:35 Fiche Arrest nr 133.163 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.163 van 28 juni 2004 in de zaak A. 147.597/IX-

  1. In zake : Eddy WELLEKENS, die woonplaats kiest bij advocaat L. BALCAEN, kantoor houdende te GENT, Gebroeders Vandeveldestraat 99 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy WELLEKENS op 13 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directieraad van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 16-12-2003 om de kandidatuur van verzoeker tot aanstelling als afdelingshoofd bij de afdeling Algemene Technische Ondersteuning (verder “ATO”) niet te weerhouden”, van “het besluit van de leidende ambtenaar van de Administratie Ondersteunende Studies en Opdrachten van 20-12- 2003 waarbij mevrouw Kathy VANDENMEERSSCHAUT aangewezen wordt als afdelingshoofd van de afdeling ATO” en van “de impliciete beslissing om verzoeker niet tot afdelingshoofd bij de afdeling Algemene Technische Ondersteuning te benoemen”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-4064-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN RENNE, die loco advocaat L. BALCAEN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker is ingenieur bij de administratie Ondersteunende Studies en Opdrachten, afdeling Elektriciteit en Mechanica Gent, van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  4. Hij stelt zich op 6 oktober 2003 kandidaat voor de vacante functie van afdelingshoofd van de afdeling Algemene Technische Ondersteuning (hierna: ATO). 1.
  5. Op 27 november 2003 oordeelt de interdepartementale commissie van leidend ambtenaren dat verzoeker beschikt over de vereiste generieke competen- ties om de functie van afdelingshoofd uit te oefenen. Die beoordeling steunt onder meer op de resultaten van de gedragsgerichte test waaraan verzoeker heeft deelgenomen op 30 juni 1997 en op de interne potentieelinschatting die op 30 oktober 2003 werd opgesteld door de IX-4064-2/7 directeur-generaal van de administratie Ondersteunende Studies en Opdrachten, in overleg met de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. 1.
  6. Op 16 december 2003 verdedigt verzoeker zijn beleidsvisie op de afdeling ATO voor de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. De directieraad beslist eenparig dat verzoeker “niet beschikt over de vereiste competenties voor het leiden van de afdeling ATO”. Hij beschikt volgens de directieraad wel over de vereiste competenties voor het leiden van de afdeling Beleid Elektriciteit en Mechanica. De beoordeling met betrekking tot de afdeling ATO is als volgt verwoord : “A.
  7. Generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd: Uit de presentatie van betrokkene en uit de reacties op de hem gestelde vragen blijkt volgens de Raad dat de beoordeling van Eddy WELLEKENS door de interne potentieelinschatter nauwer aansluit bij de realiteit dan deze van de externe assessor. De Raad is van oordeel dat betrokkene in voldoende mate voldoet voor het geheel van de gestelde generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd. A.
  8. Afdelingsspecifieke competenties: A.2.
  9. Kritische generieke competenties die in hoge mate vereist zijn voor het leiden van de afdeling Algemene Technische Ondersteuning: Ook voor de generieke competenties die in hoge mate vereist zijn voor het leiden van de afdeling Algemene Technische Ondersteuning is de Raad van oordeel dat de scores van de interne potentieelinschatter worden bevestigd door de presentatie van betrokkene en door zijn reactie op de hem gestelde vragen. De Raad stelt vast dat Eddy WELLEKENS geen rekening heeft gehouden met de leerpunten die hem bij de vorige procedure van afdelingshoofd voor de afdeling Algemene Technische Ondersteuning werden gesignaleerd. A.
  10. Conclusie: Overwegende dat: - betrokkene eerder zwak scoort voor zowel de kennis van de werking van de overheid als van de organisatie; - betrokkene een eerder zwak inzicht heeft in technologische en maat- schappelijke evoluties; - betrokkene eerder zwak scoort inzake “zin voor creativiteit en ver- nieuwend denken” is de Raad van oordeel dat Eddy WELLEKENS niet beschikt over de vereiste competenties voor het leiden van de afdeling Algemene Technische Ondersteuning”. 1.
  11. Op 18 december 2003 wijst de leidend ambtenaar van de admini- stratie Ondersteunende Studies en Opdrachten Kathy VANDENMEERSSCHAUT aan tot afdelingshoofd van de afdeling ATO. Die aanwijzing wordt bij besluit van 19 december 2003 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie bekrachtigd; IX-4064-3/7
  12. Over de ontvankelijkheid van de vordering. 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de vordering niet ontvankelijk is in zover verzoeker de schorsing vordert van de impliciete beslissing om hem niet aan te wijzen tot afdelingshoofd van de afdeling ATO; dat zij betoogt dat er voor de overheid geen gebonden bevoegdheid bestaat om verzoeker voor die functie aan te wijzen, zelfs als de directieraad zou geoordeeld hebben dat hij over de functiespecifieke competenties beschikt; dat bovendien de vordering wat betreft de beslissing tot aanwijzing van Kathy VANDENMEERSSCHAUT tot afdelingshoofd van de afdeling ATO slechts ontvankelijk is, voor zover de Raad van State zou oordelen dat verzoeker tegen de beslissing van de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur een ernstig middel aanvoert; dat indien zulks niet het geval is verzoeker, bij toepassing van artikel VIII 35, § 2, van het Vlaams personeelsstatuut, niet in aanmerking komt om als afdelingshoofd van de afdeling ATO te worden aangewezen; 2.
  14. Overwegende dat over die excepties slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is;
  15. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  16. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat bij de aanwijzing van een afdelingshoofd ad interim uit een reeds bestaande pool wordt geput die geldig is voor zes jaren zodat de kans reëel is dat, moest hij geschikt verklaard geweest zijn, hij in die hoedanigheid zou kunnen worden aangewezen; dat het wachten op een nietigverklaring van de bestreden beslissingen ertoe zou leiden dat hij, niet behorende tot die pool zolang niet tot afdelingshoofd ad interim kan worden aangewezen; dat de nietigverklaring van de IX-4064-4/7 bestreden beslissingen te laat zou komen om dat nadeel te bestrijden; dat voorts aangezien de directieraad ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet beschikt over de vereiste functiespecifieke competenties om afdelingshoofd te worden voor de afdeling ATO, hij niet kon worden aangewezen om de vacante betrekking van afdelingshoofd waar te nemen en aldus de kans mist om een “zeer belangrijke ervaring” in de functie van afdelingshoofd op te doen; dat dit volgens hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is en dat dit alleszins zo is “wanneer die ervaring naderhand zou kunnen worden aangegrepen ter motivering van latere benoemingen en bijvoorbeeld bij het opnieuw overdoen van de bestreden benoeming”; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij hierop, samengevat, antwoordt dat het volkomen hypothetisch is dat aangezien “de aanwijzing van Kathy VANDENMEERSSCHAUT als afdelingshoofd ATO pas is tussen gekomen, wat deze betrekking aangaat en binnen de relatief korte periode dan nog, een afdelings- hoofd ad interim zal aangesteld worden”; dat alleszins dan nog overeenkomstig artikel VIII 43 aan de benoemende overheid de keuze wordt gelaten om bij de aanwijzing van een afdelingshoofd ad interim ofwel te kiezen uit de lijst van door de directieraad voor de functie geschikt bevonden kandidaten, ofwel te kiezen voor een volledig nieuwe aanwijzingsprocedure, wat meteen het door verzoeker aangevoerde nadeel “dubbel hypothetisch” maakt; dat daarenboven, in de hypothese van verzoeker, wat de betrekking van afdelingshoofd ATO betreft, hij in concurrentie zou komen met minstens één wel door de directieraad geschikt bevonden kandidaat en dat de overheid ook een mutatie van een andere geschikt bevonden kandidaat voor dezelfde afdeling zou kunnen overwegen; dat ten slotte de opgedane ervaring niet wordt aanvaard als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 3.
  18. Overwegende dat luidens artikel VIII 43, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut het afdelingshoofd bij sommige afwezigheden of opdrachten vervangen kan worden door een afdelingshoofd ad interim “hetzij aangewezen uit de lijst van de door de departementale directieraad voor de functie geschikt bevonden kandidaten, onder de voorwaarde dat deze lijst niet ouder is dan zes jaar, hetzij na een nieuwe aanwijzingsprocedure overeenkomstig artikel VIII 36 tot en met artikel VIII 40”; dat het door verzoeker aangevoerde nadeel dat hij niet tot afdelingshoofd ad interim kan worden aangewezen, bijgevolg zeer hypothetisch is omdat de overheid niet verplicht is uit de lijst van de door de departementale directieraad voor de functie geschikt bevonden kandidaten aan te wijzen; dat hij ook niet op afdoende wijze aannemelijk maakt waarom het feit dat hij niet in aanmerking zou komen voor de IX-4064-5/7 functie van afdelingshoofd ad interim van de afdeling ATO als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou moeten worden beschouwd; dat hij trouwens wel geschikt bevonden is voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Beleid Elektriciteit en Mechanica zodat hij wel in aanmerking zou kunnen komen voor de functie van afdelingshoofd ad interim in deze afdeling; dat aangezien hij over de generieke competenties van afdelingshoofd beschikt, hij, met toepassing van artikel VIII 43, § 3, van het Vlaams personeelsstatuut, bovendien tot waarnemend afdelingshoofd kan worden aangewezen; dat voorts in geval van vernietiging van een benoeming of aanwijzing geen rekening gehouden mag worden met de ervaring die de betrokkene ingevolge de vernietigde benoeming of aanwijzing heeft opgedaan, terwijl blijkt dat zonder dat hij ervaring als afdelingshoofd kan doen gelden, hij reeds geschikt bevonden is voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Beleid Elektriciteit en Mechanica, wat erop wijst dat het criterium “ervaring als afdelings- hoofd” terzake niet doorslaggevend is voor de aanwijzing tot afdelingshoofd en bijgevolg als zodanig geen beoordelingscriterium is, maar dat de geschiktheid van de kandidaten in de eerste plaats wordt afgemeten ten opzichte van de voor de functie vereiste generieke en functiespecifieke competenties; 3.
  19. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4064-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4064-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.163 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.