← België

Arrest 133166 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.166 Rolnummer: A. 93031/IX-2449 Zaak: Arrest 133166 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-07-04 07:35 Fiche Arrest nr 133.166 van 28 juni 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.166 van 28 juni 2004 in de zaak A. 93.031/IX-

  1. In zake : Rudy WAUTERS, wonende te LEDE, Essestraat 115 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy WAUTERS op 27 juni 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 25 april 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de tuchtmaatregel van de tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit voor de duur van zes weken wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 18 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2449-1/12 Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Op 30 december 1985 treedt verzoeker in dienst bij de rijkswacht. Op 26 december 1986 wordt hij benoemd tot wachtmeester en op 26 december 1998 tot eerste wachtmeester. Sinds 1 september 1995 is hij werkzaam in het communi- catiecentrum van het district Brussel. 1.
  4. Op 13 juli 1999 omstreeks 23.30 uur veroorzaakt verzoeker tijdens zijn dienst een ongeval waarbij het dienstvoertuig beschadigd wordt. Verzoeker doet niet onmiddellijk aangifte van het ongeval, naar hij later verklaart omdat hij leed aan tijdelijk geheugenverlies wegens de inname van medicamenten. Het ongeval deed zich voor toen verzoeker met twee collega's terugkeerde van een frituur. Voordien bezochten ze ook nog een café. 1.
  5. Op 14 juli 1999 wordt vastgesteld dat het dienstvoertuig beschadigd is. Verzoeker ontkent iets van een ongeval af te weten. IX-2449-2/12 Op 17 juli 1999 bevestigt verzoeker in een schriftelijke verklaring dat de schade aan het voertuig niet door hem of in zijn bijzijn werd veroorzaakt. 1.
  6. Bij zijn terugkeer uit vakantie op 26 juli 1999 erkent verzoeker dat hij met het dienstvoertuig een ongeval heeft gehad. Op 29 juli 1999 bevestigt hij dit in een schriftelijke verklaring. Hij stelt dat hij op het ogenblik van het ongeval vermoedelijk een black out heeft gehad ten gevolge van de inname van de pijnstiller Dafalgan Codeïne. 1.
  7. Bij nota van 29 juli 1999 gelast verzoekers eenheidscommandant een voorafgaand onderzoek. Dat onderzoek resulteert in een verslag van 13 september
  8. 1.
  9. Op 5 oktober 1999 stelt de eenheidscommandant van verzoeker een inleidend verslag op. Aan verzoeker wordt ten laste gelegd : "Om als onderofficier, lid van de directie communicatie Dist Brussel, met dienst operateur bevolen en als chauffeur van een dienstvoertuig: Met een dienstvoertuig maaltijden te gaan halen en ongeveer twee uur afwezig te zijn geweest, zonder enige reden daarvoor te hebben medegedeeld aan zijn Dst-Chef, alhoewel de communicatiemiddelen van het Dst Vtg dit toelieten. Een herberg te hebben bezocht, zonder dat zijn opdracht dit rechtvaardigde en daar twee consumpties te hebben aanvaard van de uitbater. Op de terugweg een verkeersongeval met stoffelijke schade te hebben veroorzaakt zonder verder de nodige maatregelen te hebben genomen op zowel administratief als gerechtelijk vlak teneinde de veroorzaakte en geleden schade te laten vaststellen. Voornoemd ongeval zowel schriftelijk maar vooral mondeling, gedurende een periode van twee weken, te hebben ontkend tegenover zijn collega's en rechtstreekse chef." Dezelfde dag adieert de eenheidscommandant de korpscomman- dant , omdat de feiten in aanmerking komen voor een strengere straf dan de blaam. 1.
  10. Op 1 december 1999 wordt verzoeker door de korpscommandant gehoord. IX-2449-3/12 1.
  11. Op 7 december 1999 adieert de korpscommandant de onderzoeks- raad. Hij stelt voor om aan verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel op te leggen van één week. Aan verzoeker worden de volgende feiten ten laste gelegd : "Op 13-07-1999 T21:30 met het dienstvoertuig RENAULT Mégane met NrPI FEC 774 frieten te zijn gaan halen en op herbergbezoek te zijn geweest en zich zodoende zonder geldige reden TWEE

(02)UUR aan zijn dienstuitvoering te hebben onttrokken en misbruik te hebben gemaakt van een dienstvoertuig; op de terugweg een verkeersongeval met stoffelijke schade te hebben veroor- zaakt en zich te hebben onttrokken aan de dienstige vaststellingen; ondanks aanmaning van zijn collega 1WM STALPAERT, gedurende een periode van twee weken te hebben ontkend veroorzaker te zijn geweest van het ongeval." 1.
  1. Op 2 februari 2000 verschijnt verzoeker voor de onderzoeksraad. De onderzoeksraad geeft in zijn advies van 2 februari 2000 de volgende beoor- delingen : - ten aanzien van het bewijs van de feiten zoals ze door de korpscommandant zijn aangegeven : "
  2. Feit 1 Met dienst als operateur op de DirCom/Dist BRUSSEL/Cel DARRA, heeft 1 WM WAUTERS zich op 13-07-1999 van 21.30 tot omstreeks 23.30 uur onttrokken aan zijn normale dienstuitvoering om frieten te gaan halen en op herbergbezoek te gaan, hierbij ook misbruik makend van een dienstvoertuig. Overwegende dat de korpscommandant aanvaardt dat het afhalen van maaltijden tijdens de dienst, gebruik makend van een dienstvoertuig, een geïnstitutionaliseerd gebruik is (punt 3.2.
  3. van het adiëringsverslag); dat ook dient vastgesteld te worden dat 1 WM WAUTERS daartoe toe- stemming had gekregen (Blz. 30, verklaring van 1 MDC GLIBERT); dat het aan 1 WM WAUTERS evenmin ten kwade wordt geduid frieten te zijn gaan kopen in de omgeving van het Zuidstation, met als gevolg dat rekening kan worden gehouden met het tijdsverlies door de verkeersdrukte van de Zuidfoor; Overwegende dat 1 WM WAUTERS was vergezeld van 1 WM STALPAERT die om dienstredenen een foorkramer wou ontmoeten; dat deze foorkramer niet werd aangetroffen; dat anderzijds vaststaat dat 1 WM WAUTERS samen met andere collega's tijdens deze verplaatsing tevens een herberg heeft bezocht alwaar hij zich een zekere tijd heeft opgehouden; IX-2449-4/12 dat het oponthoud in de herberg 20 à 30 minuten heeft geduurd (zie Blz. 36 en 44); Overwegende dat, rekening houdende met voormelde motieven, de tuchtinbreuk als volgt kan worden heromschreven: 'Met dienst als operateur op het DirCom/Dist BRUSSEL/Cel DARRA, heeft 1 WM WAUTERS op 13-07-1999 om 21.30 uur, met toestemming van zijn dienstoverste en met een dienstvoertuig, frieten afgehaald buiten het kwartier. Bij die gelegenheid heeft hij zich gedurende ongeveer dertig minuten onttrokken aan zijn normale dienstuitvoering door, samen met collega's op herbergbezoek te gaan zodat hij uiteindelijk laattijdig en pas om 23.30 uur in de eenheid terugkeerde.' Om deze redenen, oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 1, zoals heromschreven, bewezen is.
  4. Feit 2 1 WM WAUTERS heeft op 13-07-1999, naar aanleiding van Feit 1, bestuurder zijnde van een dienstvoertuig, een verkeersongeval met stoffelijke schade veroorzaakt en zich onttrokken aan de dienstige vaststellingen. Overwegende dat beklaagde de materialiteit van dit feit niet betwist; dat het bewijs van dit feit tevens vaststaat op grond van de verklaringen van MDL Yves MALEMPRE (stuk 37) en van 1 WM STALPAERT (Blz. 44 en 45); Om deze redenen, oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 2 bewezen is.
  5. Feit 3 1 WM WAUTERS heeft, ondanks aanmaning van zijn collega 1 WM STALPAERT, vanaf 13-07-1999 gedurende ongeveer twee weken, ontkend het ongeval waarvan sprake bij Feit 2 te hebben veroorzaakt. Overwegende dat 1WM WAUTERS toegeeft de '26ste (juli) uit eigen initiatief uit verlof te zijn teruggekeerd en aan de districtscommandant alles te hebben verteld'(Blz. 51); dat hij eerder op 17-07-1999 schriftelijk had bevestigd dat de schade aan het voertuig niet door hem was veroorzaakt (Blz. 006); dat hij uiteindelijk op 29-07-1999 een geschreven verklaring aflegde waarbij hij bekend heeft het ongeval te hebben veroorzaakt (Blz. 013); Om deze redenen, oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 3 bewezen is." - ten aanzien van de schuld van verzoeker (de "tenlastelegging") : "Overwegende dat de motieven die gelden tot het bewijs van het bestaan van Feit 1 eveneens dienend zijn voor hun tenlastelegging aan 1WM WAUTERS; Overwegende dat betrokkene de plaats van het ongeval verliet zonder de nuttige vaststellingen, met name het opstellen van het Europees Aanrijdings- formulier; dat 1WM WAUTERS de verplichting had het verkeersongeval te IX-2449-5/12 melden aan zijn hiërarchische chefs onmiddellijk na zijn terugkeer in het Dist BRUSSEL; dat hij daartoe geen enkel initiatief nam tot op 26-07-
  6. Overwegende dat het veroorzaken van het verkeersongeval, waarvan sprake in Feit 2, niet ten laste wordt gelegd. Overwegende dat het verslag van Dr. G. DE BREUCKER (Blz. 80-81) niet van aard is dat Feit 3 niet ten laste zou worden gelegd aan 1WM WAUTERS; dat dit verslag opgesteld op 25-11-1999 alleen beoogt een advies te geven over een amnesie waarvan 1WM WAUTERS het slachtoffer zou zijn geweest; dat dit verslag van Dr. DE BREUCKER louter gebaseerd is op veronder- stellingen; Om deze redenen oordeelt de raad, bij stemming, dat: Feit 1, zoals heromschreven ten laste wordt gelegd aan 1WM WAUTERS; Feit 2, zoals hiervoor beperkt, ten laste wordt gelegd aan 1WM WAUTERS; Feit 3, ten laste wordt gelegd aan 1WM WAUTERS;" - op het vlak van de overtreding van de tuchtregeling (de "omschrijving van de feiten") : "
  7. Tekortkoming aan de ambtsplichten en de waardigheid van het ambt 1.
  8. Overwegende dat de uitvoeringsregels van de dienst voor de personeels- leden van de rijkswacht vastgesteld zijn bij de Wet van 27-12-1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, inzonderheid bij Art 24/3; dat de goede werking van de rijkswacht en het welslagen van haar acties vereisen dat haar personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven. 1.
  9. Overwegende dat 1WM WAUTERS in de normale uitvoering van zijn ambtsverplichtingen te kort is geschoten door zich ongeveer dertig minuten te onttrekken aan zijn dienst en zich gedurende die tijd in een herberg op te houden; dat hij laattijdig in de eenheid terugkeerde; dat dergelijk gedrag de goede werking van de dienst in de weg staat. 1.
  10. Overwegende dat 1WM WAUTERS door zijn gedrag afbreuk heeft gedaan aan zijn beschikbaarheid voor de dienst; dat de geloofwaardige uitvoering van de opdrachten vereist dat de personeelsleden hun houding en gedrag permanent afstemmen op de essentiële deonto-logische normen en er zorg moeten voor dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak. 1.
  11. Overwegende dat 1WM WAUTERS door zich na een verkeersongeval met stoffelijke te onttrekken aan de dienstige vaststellingen, zich niet heeft gedragen zoals het een personeelslid van de rijkswacht past; dat zijn gedrag deontologisch onverantwoord is nu hij als agent van gerechtelijke politie tot taak heeft feiten te verbaliseren waaraan hij zichzelf schuldig heeft gemaakt. IX-2449-6/12 1.
  12. Overwegende dat 1WM WAUTERS heeft nagelaten zich loyaal te gedragen tegenover zijn meerderen; dat hij met miskenning van de waarheid de toedracht van zijn tuchtrechtelijk laakbaar gedrag geduren- de geruime tijd heeft trachten te verbergen. 1.
  13. Overwegende dat 1WM WAUTERS ook blijk heeft gegeven van een onzorgvuldig gebruik van de goederen die hem ter beschikking waren gesteld met het oog op de uitvoering van de dienst. Om deze redenen, oordeelt de raad, bij stemming, dat het gedrag van 1WM WAUTERS strijdig is met:
  14. de statutaire wet, inzonderheid door als personeelslid: • niet steeds loyaal te hebben gehandeld tegenover zijn meerderen (Art 24/2, § 1); • zich niet te hebben gedragen naar de richtlijnen die in het belang van de dienst werden gegeven (Art 24/2, § 2); • niet nauwgezet zijn dienstverplichtingen te hebben vervuld (Art 24/2, § 3); • niet te hebben ingestaan voor het correcte gebruik en de bewaring van de goederen die hem ter beschikking waren gesteld of waarvoor hij uit hoofde van zijn dienstuitvoering verantwoordelijk was (Art 24/7);
  15. de wet van 08-12-1998 op de Geïntegreerde Politie, inzonderheid door als personeelslid: • niet elke gedraging te hebben vermeden die het vervullen van de ambtsplichten in de weg stonden of met de waardigheid van het ambt strijdig was (Art 132, 1/ lid) en dat Feit 1, zoals heromschreven, Feit 2, zoals ten laste gelegd en Feit 3 tuchtvergrijpen uitmaken.
  16. Wat betreft de ernst van het tuchtvergrijp Rekening houdend met: • de motieven vermeld sub C.1.; • het belang en de ruime verspreiding van de richtlijnen betreffende de deontologische plichten inherent aan de staat van personeelslid van de rijkswacht; • de verwachting met betrekking tot het voorbeeldgedrag van rijks- wachters; Oordeelt de Raad, bij stemming, dat het geheel van de tuchtvergrijpen ernstig is." Het advies besluit : "Overwegende dat de korpscommandant, bij bepaling van de straf, voldoende rekening houdt met : • de ernst van de gepleegde feiten; • de goede staat van dienen; • het foutbesef; • het vermoedelijk eenmalig karakter van de gepleegde feiten; IX-2449-7/12 • het blanco strafblad; Geeft de Raad, bij stemming, het advies dat een non-activiteit bij tuchtmaat- regel voor een periode van één week zou moeten worden opgelegd." 1.
  17. Met een nota van 25 april 2000 deelt de minister van Binnenlandse Zaken aan de commandant van de rijkswacht mee dat hij aan verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel oplegt voor een periode van zes weken. Deze beslissing luidt als volgt : "
  18. Ik heb kennis genomen van de feiten uiteengezet voor de onderzoeksraad en de tenlasteleggingen hiervan aan Eerste wachtmeester WAUTERS, meer bepaald: Feit 1 Met dienst als operateur op het DirCom/Dist BRUSSEL/Cel DARRA, heeft 1WM WAUTERS op 13-07-1999 om 21.30 uur, met toestemming van zijn dienstoverste en met een dienstvoertuig, frieten afgehaald buiten het kwartier. Bij die gelegenheid heeft hij zich gedurende ongeveer dertig minuten onttrokken aan zijn normale dienstuitvoering door, samen met collega's op herbergbezoek te gaan zodat hij uiteindelijk laattijdig en pas om 23.30 uur in de eenheid terugkeerde. Feit 2 1WM WAUTERS heeft op 13-07-1999, naar aanleiding van Feit 1, bestuurder zijnde van een dienstvoertuig, een verkeersongeval met stoffelijke schade veroorzaakt en zich onttrokken aan de dienstige vaststellingen. Feit 3 1WM WAUTERS heeft, ondanks aanmaning van zijn collega 1WM S, vanaf 13-07-1999 gedurende ongeveer twee weken, ontkend het ongeval waarvan sprake bij Feit 2 te hebben veroorzaakt.
  19. Tevens heb ik kennis genomen van het advies van de onderzoeksraad omtrent de omschrijving van de feiten. Ik ben, zoals de onderzoeksraad in haar advies stelt, eveneens van oordeel dat de door betrokkene gepleegde feiten een ernstig tuchtvergrijp uitmaken.
  20. Na lezing van het advies van de onderzoeksraad, kan ik mij echter niet aansluiten bij de voorgestelde strafmaat. Gelet op de ruime ervaring als politieambtenaar van eerste wachtmeester WAUTERS waardoor hij zich terdege bewust diende te zijn van de door hem begane deontologische inbreuken; gelet op de ruim verspreide deontologische normen waaraan ieder personeelslid zich dient te houden, inzonderheid inzake mogelijke misbruiken naar aanleiding van herbergbezoeken; gelet op het gegeven dat eerste wachtmeester WAUTERS feiten begaat die hij als politieambtenaar wordt geacht zelf te beteugelen en valse schriftelijke verklaringen heeft afgelegd om die feiten die betrekking IX-2449-8/12 hebben op het zich onttrekken aan de dienstige vaststellingen naar aanleiding van een verkeersongeval, te verdoezelen; overwegende dat ook de aanmaningen van zijn collega's zich in regel te stellen, slechts na een periode van twee weken hebben geleid tot enige reactie in hoofde van belanghebbende; beslis ik dat eerste wachtmeester WAUTERS een tijdelijke ambts- ontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van ZES WEKEN wordt opgelegd." Deze beslissing wordt op 11 mei 2000 aan verzoeker ter kennis gebracht. Zij vormt het voorwerp van het onderhavige beroep. 2.
  21. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 24/34, § 2, tweede lid, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, doordat de minister aan verzoeker een feit ten laste heeft gelegd -te weten “het veroorzaken van een verkeersongeval, waarvan sprake in feit 2"- dat door de onderzoeksraad niet in de tenlastelegging begrepen was, terwijl de vaststelling van de onderzoeksraad op het vlak van de tenlastelegging van de feiten de beslissingne- mende overheid bindt; 2.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat uit de punten 1 tot 3 van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de minister de door de onderzoeksraad gegeven uiteenzetting van de feiten en de tenlastelegging ervan aan verzoeker overneemt en dat hij zich enkel niet kan aansluiten bij de voorgestelde strafmaat; 2.
  23. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord op repliceert dat het blijkbaar aan de minister niet opgevallen is dat de onderzoeksraad het veroorzaken van een verkeersongeval uit de tenlastelegging had geweerd en dat het bestreden besluit, door het hernemen van de oorspronkelijke tenlastelegging, dat feit opnieuw in de tenlastelegging betrekt; 2.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie benadrukt dat uit punt 3 van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de minister het IX-2449-9/12 advies van de onderzoeksraad niet wil bijvallen op het vlak van de voorgestelde strafmaat en dat daaruit afgeleid kan worden dat hij zich wel akkoord verklaart met het advies op het vlak van de omschrijving van de feiten en de tenlastelegging ervan; dat zij betoogt dat de “onzorgvuldige overneming van feit 2, zonder de beperking ervan, slechts een materiële vergissing is” die niet als een schending van de aangevoerde wetsbepaling gezien kan worden; 2.5.
  25. Overwegende dat artikel 24/34, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het operationeel korps van de rijkswacht, luidt als volgt : "§
  26. De onderzoeksraad geeft zijn advies binnen drie dagen die volgen op de sluiting van de debatten. Dit advies omvat: 1/ de uiteenzetting van de feiten en de eventuele tenlastelegging hiervan aan het betrokken personeelslid; 2/ de omschrijving van de feiten indien die bewezen worden geacht; 3/ de voorgestelde straf. De vaststelling bedoeld in 1/ bindt de overheid die bevoegd is om te straffen." Overwegende dat overeenkomstig die bepaling het advies van de onderzoeksraad de minister bindt waar het de bewezen geachte feiten als tuchtfeiten aan de betrokkene ten laste legt; 2.5.
  27. Overwegende te dezen dat de minister in punt 1 van het bestreden besluit uiteenzet dat hij “kennis genomen (heeft) van de feiten uiteengezet voor de onderzoeksraad en de tenlastelegging hiervan aan eerste wachtmeester WAUTERS”; dat het bestreden besluit vervolgens expliciet de omschrijving van de feiten weergeeft zoals zij door de onderzoeksraad bewezen werden verklaard, maar dat er voorbijge- gaan wordt aan de overweging die de onderzoeksraad bij het beoordeling van de schuldvraag heeft gemaakt, te weten “dat het veroorzaken van het verkeersongeval, waarvan sprake in feit 2, niet ten laste wordt gelegd”, om uiteindelijk verzoeker verantwoordelijk te verklaren voor dat feit 2 “zoals hiervoor beperkt”; IX-2449-10/12 2.5.
  28. Overwegende dat, wanneer de minister in punt 1 van zijn besluit “kennis neemt van (...) tenlasteleggingen (van de feiten) aan eerste wachtmeester WAUTERS”, hij akte neemt van het standpunt van de onderzoeksraad in al zijn aspecten; dat de omstandigheid dat het bestreden besluit correct de omschrijving van de bewezen geachte feiten uit het advies van de onderzoeksraad overneemt, maar dat het vervolgens geen expliciete verwijzing bevat naar de nuancering bij de beoordeling van de schuldvraag, niet zonder meer aantoont dat de minister het advies op dat vlak afgevallen is en dat hij terzake een tegengesteld standpunt ingenomen heeft door verzoeker opnieuw schuldig te verklaren voor het veroorzaken van het verkeersong- eval; dat niets in de bestreden beslissing of in andere stukken van het dossier erop wijst dat de minister het advies van de onderzoeksraad op het hier besproken punt op enige wijze heeft willen afvallen, hetgeen hij overigens wel gedaan heeft op het vlak van de straftoemeting; dat het middel niet gegrond is;
  29. Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van het eerste middel; dat er reden is om het onderzoek van de zaak voort te zetten, BESLUIT: Artikel
  30. De debatten worden heropend. Artikel
  31. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-2449-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2449-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.166 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.