id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.167 Rolnummer: A. 105466/IX-2886 Zaak: Arrest 133167 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-02 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-07-04 07:36 Fiche Arrest nr 133.167 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.167 van 28 juni 2004 in de zaak A. 105.466/IX-
- In zake : Guy RIGAUX, wonende te ZANDHOVEN, Amelbergastraat 12 tegen : het Instituut voor Veterinaire Keuring. verzoekende partij in tussenkomst : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, thans de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy RIGAUX op 1 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 april 2001 van de minister van Volksgezondheid waarbij hij, wegens onregelmatigheden begaan op 4 en op 14 juli 2000, in zijn keur- en controleopdrachten voor het Instituut voor Veterinaire Keuring geschorst wordt voor de duur van één maand, respectievelijk een week en om, “in zeer ondergeschikte orde (...) de sancties tot een aanvaardbaar minimum (te herleiden)”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 27 augustus 2001; Gelet op de beschikking van 20 september 2001 die de tussen- komst van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Consumen- tenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu toelaat; IX-2886-1/15 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat KEIRSEBELIK, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. VANDEMEULEBROUCKE, die loco advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, verschijnt voor de verwerende partij en de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-2886-2/15 1.
- Verzoeker is sinds 1 juli 1986 dierenarts met opdracht bij het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK). Overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven met bijzondere opdrachten kunnen worden belast, inzonderheid artikel 6, wordt voor de geleverde prestaties een honorarium betaald dat berekend wordt per half uur werk, zonder dat daarbij de duur of de kosten van verplaatsing in rekening gebracht mogen worden. 1.
- Met een aangetekende brief van 28 juli 2000 vraagt het hoofd van de keurkring Antwerpen van het IVK, dierenarts-directeur Naessens, aan verzoeker een schriftelijke verantwoording over onregelmatigheden bij de uitoefening van zijn opdracht op 4 en 14 juli
- Aan verzoeker wordt ten laste gelegd dat hij op dinsdag 4 juli 2000 op het activiteitsverslag van het slachthuis Lintor te Olen als aanvangsuur van zijn activiteiten 12u30 heeft ingevuld, terwijl uit verklaringen van twee aanwezige dierenartsen blijkt dat hij om 13u30 nog niet in het slachthuis was aangekomen. Op vrijdag 14 juli 2000 heeft verzoeker zich op het activiteitsverslag van het Stedelijk Slachthuis te Antwerpen ingeschreven tussen 6 uur en 8 uur ( 1.
- Met een brief van 3 augustus 2000 dient verzoeker een schriftelijke verantwoording in. 1.3.
- Wat de feiten bij Lintor op 4 juli 2000 betreft, wijst hij er op dat hij vrij laat is kunnen vertrekken en er bovendien een fileprobleem was. De onjuiste inschrijving van het aanvangsuur van zijn activiteiten verantwoordt hij als volgt : “Refererend naar een precedent waarbij een dierenarts (An Janssen) twee uur te laat kwam door een file-probleem op het slachthuis te Meerle en met toestemming van de toenmalige ambtenaar (Frans Goos) toch het oorspronkelijk beginuur mocht inschrijven in het besef dat het om een geval van heirkracht ging, IX-2886-3/15 heb ik dierenarts Van Aelst toestemming gevraagd om 12u30 in te schrijven. Deze laatste stemde toe onder voorbehoud dat ik dit voorval zou melden aan de ambtenaar Dr. Heuvelmans. Dit is echter niet gebeurd : ik heb daartoe de kans niet gekregen omdat ik hem niet meer ontmoet heb (korte aanwezigheden, vakantie)”. 1.3.
- Betreffende de feiten op 14 juli 2000 stelt verzoeker dat hij op die dag een collega verving, dat het aanvankelijk aanvangsuur op 5u30 was bepaald, maar dat op 13 mei 2000 bij hem thuis werd gemeld dat hij niet om 5u30, maar om 6 uur zou moeten beginnen. Toen hij vaststelde dat er geen runderen werden aangevoerd, heeft hij op één van de verantwoordelijken gewacht, omdat hij van oordeel was dat deze hem een verklaring schuldig waren, en heeft hij intussen andere activiteiten uitgeoefend. 1.
- Met een aangetekende brief van 22 augustus 2000 stelt het hoofd van de keurkring verzoeker in kennis van de “administratieve maatregelen” die hij aan de minister zal voorstellen. Voor de feiten bij Lintor op 4 juli 2000 stelt het kringhoofd een schorsing voor van één maand, en voor de feiten in het Stedelijk Slachthuis te Antwerpen op 14 juli 2000 een schorsing van twee weken. 1.
- Op 31 augustus 2000 dient verzoeker bezwaar in bij de geschillen- commissie. Op 12 december 2001 wordt hij door de commissie gehoord. Zij brengt op 29 januari 2001 advies uit : voor de feiten van 4 juli 2000 - de niet-correcte vermelding van het aanvangsuur in het activiteitenregister van het slachthuis Lintor - oordeelt de commissie dat het voorstel van schorsing van één maand als een gegronde maatregel voorkomt; het voorstel van schorsing van twee weken voor de feiten van 14 juli 2000 wordt door de commissie een te zware administratieve maatregel bevonden en er wordt voorgesteld daarvoor een schorsing van één week op te leggen. 1.
- Verzoeker houdt voor dat hij in een brief van 19 februari 2001 aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu zijn standpunt nogmaals uiteengezet heeft. Hij benadrukt “dat in casu geen frauduleus inzicht IX-2886-4/15 aanwezig was” en vraagt “in geen geval de sanctie (te) bekrachtigen die de Geschil- lencommissie heeft gemeend te moeten voordragen”. De verwerende partij betwist dat zij ooit dergelijke brief van verzoeker ontvangen heeft. 1.
- Met een aangetekende brief van 17 april 2001 wordt aan verzoeker de thans bestreden beslissing van de minister van Consumentenzaken, Volksgezond- heid en Leefmilieu ter kennis gebracht. Deze beslissing luidt als volgt : “Doctor, Naar aanleiding van de vastgestelde onregelmatigheden bij de uitoefening van uw opdracht op 4 en 14 juli 2000 werd er door de dierenarts-directeur van de Keurkring Antwerpen, de heer Naessens P., een onderzoek ingesteld. Bij nazicht van het activiteitenverslag van dinsdag 4 juli 2000 van het slachthuis Lintor te Olen is vastgesteld dat u 12u30 hebt ingevuld als aanvangs- uur van uw activiteiten. Uit verklaringen van de aanwezige dierenartsen de Drs. J. Vanbroekhoven en A. Oversteyns blijkt dat u om 13u30 nog niet was aangekomen in vermeld slachthuis. Wat betreft de feiten in het Stedelijk Slachthuis Antwerpen op 14 juli 2000 is eveneens bij nazicht van het activiteitenverslag gebleken dat u zich hebt ingeschreven van 6 uur tot 8 uur met als activiteit 'AM-keuring Runderen'. Uit de verklaring van de administratief verantwoordelijke DMO Dr. M. De Paepe blijkt dat die dag geen runderslachtingen plaatsvonden en dat hij op 13 juli 2000 al de keurders hiervan mondeling of telefonisch op de hoogte had gebracht. Bij aangetekend schrijven van 28 juli 2000 wordt u schriftelijk ondervraagd over vermelde feitelijkheden door uw kringhoofd. Uit uw schriftelijke verklaring van 3 augustus 2000 blijkt dat u de ten laste gelegde feiten niet betwist. U verklaart dat u op 4 juli 2000 in de onmogelijkheid vertoefde om tijdig aanwezig te zijn in vermeld slachthuis wegens een fileprobleem. U schrijft zich in om 12u30 niettegenstaande het feit dat u pas na 13u30 in het slachthuis bent toegekomen. U betwist de feiten niet dat blijkt uit uw verklaring afgelegd op de vergadering van de geschillencommissie van 12.12.
- U beweert een voorlopige toestemming te hebben verkregen en u maakt die niet hard. U probeert het goed te praten door te stellen dat u de verantwoordelijke ambtenaar niet kon verwittigen van het voorval omdat u de kans niet meer hebt gehad om hem te ontmoeten wegens uw korte aanwezigheden in het slachthuis gedurende de vakantieperiode. U was nochtans in kennis gesteld van de nota van 6.03.2000 gericht aan de dierenartsen met opdracht betreffende het invullen van de activiteitsverslagen waarin gesteld wordt dat 'Op het activiteitenverslag wordt het werkelijke en precieze uur van aankomst en vertrek aangeduid op het moment zelf van aankomst en vertrek'. Dierenartsen met opdracht worden vergoed op basis van geleverde prestaties. Wat betreft de feiten van 14 juli 2000 beweert u dat een onbekende beller aan uw bediende meedeelde dat u om 6u i.p.v. om 5u30 diende aanwezig te zijn IX-2886-5/15 in vermeld slachthuis. Dat bericht maakte enkel gewag van een verlating van het aanvangsuur. Om die reden hebt u zich ingeschreven met vermelding 'AM-keuring runderen'. Naderhand beweert u andere activiteiten te hebben uitgevoerd niettegenstaande u bij aankomst vaststelde dat er geen runderslach- tingen plaatsvonden. De verklaringen van andere DMO's die samen met u werkzaam zijn op het vermelde keurpunt, evenals van de verantwoordelijke dierenarts-ambtenaar in het slachthuis Lintor, wezen uit dat u op 4 juli 2000 niet aanwezig was om 12u30 op het vermelde keurpunt. Uit de verklaring van de administratief verantwoordelijke DMO blijkt dat hij alle keurders van het Stedelijk Slachthuis mondeling of telefonisch op de hoogte heeft gebracht dat er geen runderslachtingen waren op 14 juli
- Het kringhoofd heeft u bij aangetekend schrijven van 22 augustus 2000 in kennis gesteld van de voorstellen van administratieve maatregelen voor wat betreft de feiten bij Lintor op 4 juli 2000 met name een schorsing van één maand en voor wat betreft de feiten in het Stedelijk Slachthuis op 14 juli 2000 met name een schorsing van twee weken. Bij aangetekend schrijven van 31 augustus 2000 dient u schriftelijk uw bezwaren in tegen de voorstellen van administratieve maatregelen en vraagt u echter niet expliciet om gehoord te worden door de Geschillencommissie. In haar vergadering van 12.12.2000 brengt vermelde commissie het unaniem advies uit om u een schorsing van één maand en één week op te leggen voor vermelde feiten. Gezien uit het dossier blijkt dat de eerste ten laste gelegde feiten met name het bewust vervroegen van uw aankomstuur dd. 4 juli 2000 op de activiteiten- verslagen in vermelde inrichting vaststaan; Gezien uw bekentenis van 12.12.2000; Gezien bij toepassing van de nota van 6.03.2000 gericht aan de dierenartsen met opdracht betreffende het invullen van de activiteitenverslagen wordt gesteld dat op het activiteitenverslag bij werkelijke en precieze uur van aankomst en vertrek wordt aangeduid op het moment zelf van aankomst en vertrek; Gezien de betrouwbaarheid van dergelijke documenten en van het ganse systeem in Gezien vergoed wordt op basis van geleverde prestaties; Gezien uit het dossier blijkt dat de tweede ten laste gelegde feiten van 14 juli 2000, de inschrijving prestaties voor 'AM-keuring Runderen' hoewel er geen runderslachtingen plaatsvonden die dag, vaststaan; Gezien uit de verklaring van de verantwoordelijke DMO blijkt dat hij alle keurders van het betrokken keurpunt hetzij telefonisch hetzij schriftelijk bereikte; Gezien de inschrijving in de activiteitenverslagen niettegenstaande de vaststelling dat geen runderkeuring plaatsvond in het Stedelijk Slachthuis; Gezien de bewering dat andere taken werden verricht niettegenstaande een precieze omschrijving van de taak uitbleef; Gezien het al te makkelijk is met de vinger te wijzen naar de algemene organisatie; Gezien een vergissing zou kunnen zijn geslopen in de overbrenging van de boodschap; IX-2886-6/15 Gezien uit het dossier blijkt dat het voorstel van schorsing van twee weken echter een te zware administratieve maatregel is; Mij aansluitend bij het advies van de Geschillencommissie van 12.12.2000 (zie kopie in bijlage), leg ik u hierbij een schorsing op in uw keur- en controle- opdrachten voor de duur van één maand voor wat de feiten van 4 juli 2000 betreft en één week voor deze van 14 juli
- Uw kringhoofd zal door de administratie in kennis worden gesteld van deze beslissing en zal u de ingangsda- tum van vermelde schorsing meedelen. (...)”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat niet zij, maar de Belgische Staat de verwerende partij is en dat het beroep bijgevolg onontvankelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing getroffen is door de minister van Volksgezondheid, handelend binnen de grenzen van de beheersbe- voegdheid die de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor Veterinaire Keuring -een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, ingedeeld in categorie A als bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut- hem heeft toegekend; dat het IVK derhalve de geëigende rechtspersoon is die als verwerende partij in de onderhavige zaak moet optreden; 2.
- Overwegende dat de Belgische Staat met een verzoekschrift van 27 augustus 2001 gevraagd heeft om in het geding tussen te komen; dat hij zijn belang verantwoordt door de verwijzing naar de omstandigheid dat hij “de bestreden beslissing (genomen heeft)”; dat hij daarbij voorbij gaat aan het feit dat niet de Belgische Staat maar het IVK, een aparte instelling met rechtspersoonlijkheid, verantwoordelijk is voor de bestreden beslissing; dat geen organen van de Belgische Staat bij de voorbereiding van het dossier blijken betrokken te zijn geworden; dat de vordering tot tussenkomst niet ontvankelijk is;
- Overwegende, wat betreft de subsidiair geformuleerde vordering om “de sancties tot een aanvaardbaar minimum (te herleiden)”, dat verzoeker in zijn IX-2886-7/15 memorie van wederantwoord verduidelijkt dat hij daarmee “een verkeerde formulering (heeft gebruikt) die er in feite toe strekt de bestreden beslissing teniet te doen op grond van het redelijkheidsbeginsel”; dat hij daarmee afstand doet van de subsidiair ingestelde vordering; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij het annulatieberoep onontvankelijk acht doordat in het verzoekschrift geen middelen worden uiteengezet, maar er enkel een overzicht wordt gegeven van een aantal feitelijke omstandigheden, met toevoeging van een persoonlijke beoordeling; dat volgens haar de verwijzing naar het gebrek aan motivering niet als een middel kan gelezen worden omdat er niet wordt uiteengezet “waarin de vermeende tekortkoming bestaat”, terwijl het verzoekschrift ook geen onderscheid maakt tussen de rechtmatigheid en de opportuniteit van het bestreden besluit, hetgeen het zoeken naar een rechtsmiddel bemoeilijkt; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daarop antwoordt dat hij in het verzoekschrift de argumentatie die in het bestreden besluit is opgenomen punt voor punt beantwoord heeft en dat hij daarmee het gemis aan motivering en de schending van zijn rechten van verdediging heeft aangetoond, doordat de argumenten die hij aan het bestuur had voorgelegd, op geen enkele wijze weerlegd zijn geworden; 4.
- Overwegende dat artikel 2, § 1, 2/ van het algemeen procedure- reglement voorschrijft dat een verzoekschrift een “uiteenzetting van de feiten en middelen” moet bevatten; dat er slechts sprake is van de uiteenzetting van een middel, in de zin van de genoemde bepaling, wanneer gewezen wordt op de schending van een rechtsregel of een rechtsbeginsel met daarbij de aanduiding waarom die norm in dit geval miskend is; Overwegende dat het verzoekschrift een aantal beschouwingen bevat over de omstandigheden waarin de ten laste gelegde feiten zijn gebeurd en dat er voort kritiek op de bestreden beslissing wordt geformuleerd; dat die kritiek erop IX-2886-8/15 neerkomt dat verzoeker de materialiteit van de feiten niet betwist, maar dat hij hun tuchtrechtelijk karakter altijd ontkend heeft en dat hij de bewijzen van zijn stelling aan de verwerende partij overgemaakt heeft; dat in fine van het verzoekschrift verzoeker wel verwijst naar het feit dat hij “al deze beschouwingen (aangebracht heeft) bij de minister in een schrijven d.d. 19/02/2001 doch (dat zij) onbeantwoord bleven voor het overgrote deel, dat hierdoor de beslissing te kort schiet in haar motivering en haar besluit niet kan schragen zonder schending van de rechten van verdediging” en dat hij daarbij aansluitend, “in zeer ondergeschikte orde”, wijst op het “zeer overdreven” karakter van de straffen, “gelet op hun geldelijke implicatie en zonder verhouding te zijn tot de aangehaalde feiten”; Overwegende dat in het verzoekschrift wel degelijk rechtsmiddelen onderkend worden: vooreerst het middel dat het bestreden besluit niet antwoordt op de bemerkingen die verzoeker in de loop van het besluitvormingsproces heeft gemaakt, hoewel die het bewijs bevatten dat hij geen tuchtinbreuk heeft begaan, waardoor de verwerende partij te kort is geschoten bij de motivering van de bestreden beslissing en zij zijn rechten van verdediging miskend heeft; vervolgens het middel dat de straf sterk overdreven is, aangezien zij niet in verhouding is tot de aangenomen tuchtfeiten en aangezien zij grote geldelijke gevolgen heeft; dat de verwerende partij zich overigens tegen die middelen verweerd heeft; dat de exceptie niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat in het bestreden besluit niet uiteengezet wordt waarom hij inbreuken op de tucht heeft begaan en dat er met name niet wordt geantwoord op de argumenten die hij in zijn brief van 19 februari 2000 aan de minister heeft uiteengezet terwijl daaruit nochtans bleek dat hij geen tuchtinbreuken heeft begaan; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet, wat de feiten van 4 juli 2000 betreft, dat verzoeker bewust het uur van aankomst in het slachthuis heeft vervroegd, hetgeen strijdt met de onderrich- ting van 6 maart 2000 en dat uit de motivering van het bestreden besluit terdege blijkt IX-2886-9/15 waarom de verwerende partij de feiten voor bewezen kon houden; dat zij, wat de feiten van 14 juli 2000 betreft, aanstipt dat de motivering duidelijk is, dat vast staat dat verzoeker zich ingeschreven heeft voor activiteiten waarvoor hij geen opdracht had, dat hij zich vervolgens zelf een opdracht heeft toegekend en ook nagelaten heeft zijn inschrijving in het aanwezigheidsregister te corrigeren, terwijl de motivering ook niet tegenstrijdig is waar zij een mogelijke vergissing in de communicatie toegeeft, aangezien zulks niets afdoet aan het feit dat hij op grond van verkeerde vermeldingen een vergoeding wenst te krijgen voor niet-uitgevoerde taken; 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat het bestreden besluit handelt over “het bewust vervroegen van het aankomstuur (op 4 juli 2000), van bekentenis van de feiten en van het niet naleven van de administratieve nota dd. 06.03.2000 met als gevolg dat de activiteitsregisters onbetrouwbare documenten worden”, maar dat het besluit daarmee voorbijgaat aan een precedent, aan het feit dat zijn overste instemde met die vermelding en de bevoegde ambtenaar afwezig was, aan het feit dat hij geen bedrieglijk inzicht had, aan het partijdig optreden van het hoofd van de keurkring en aan de rechtvaardiging die hij voor de feiten heeft gegeven; dat hij, ten aanzien van de feiten van 14 juli 2000, betoogt dat hij het bestuur gewezen heeft op het feit dat hij zich onmiddellijk na zijn aankomst moest inschrijven in het aanwezigheidsregister, dat hij afdoende aang- etoond heeft dat hij niet wist dat er geen slachting van runderen zou gebeuren en dat de verwerende partij ook het onjuiste van zijn stelling dat hij die dag slachtafval keurde en insnijdingen maakte in de karkassen niet aantoont; 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie herhaalt dat de gepleegde feiten geen tuchtfeiten vormen: het eerste feit niet omdat hij bewezen heeft dat de inschrijving in het register om 12.30u -die verantwoord werd door de opgelopen verkeersvertraging- met instemming van de verantwoordelijke van het slachthuis gebeurde en omdat de goedkeuring van die vervroegde inschrijving enkel niet gevraagd is omdat de bevoegde ambtenaar met vakantie was en het zinloos was nog om die goedkeuring te vragen nadat het bestuur hem om een verantwoording had verzocht; ook het tweede feit niet omdat verzoeker, doordat hij aangetoond heeft IX-2886-10/15 dat dr. DE PAEPE foutief aanhoudt dat hij de keurders ervan verwittigde dat er op 14 juli 2000 geen runderen zouden geslacht worden, bij zijn aankomst in het slachthuis niet kon weten dat zijn inschrijving voor de keuring van runderen onjuist zou zijn en omdat hij aangetoond heeft dat hij op 14 juli 2000 schapen gekeurd heeft; 5.5.
- Overwegende dat het middel, zoals het uit het verzoekschrift gedistilleerd kan worden, duidelijk betrekking heeft op de miskenning van de formele motiveringsverplichting, doordat het bestreden besluit niet toelaat uit te maken waarom de materialiter vast staande overtredingen van de ambtsverplichtingen in weerwil van de door hem aangebrachte bewijzen, de verwerende partij toch tot het besluit konden brengen dat verzoeker een tuchtinbreuk had gepleegd; dat verzoeker in zijn laatste memorie dat middel enigszins herformuleert, aangezien hij daar voorhoudt dat de minister het tuchtrechtelijk karakter van de feiten niet voor bewezen kon houden -hetgeen de deugdelijke grondslag van het besluit en dus de materiële motivering aangaat-, maar dat hij daarmee aan het middel een andere draagwijdte geeft; dat dergelijk nieuw middel niet ontvankelijk is; 5.5.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht de betrokkene moet toelaten de concrete redenen te achterhalen die de overheid tot haar beslissing hebben gebracht; dat zulks, in tuchtzaken, betekent dat de motivering de betrokkene duidelijk moet maken, onder meer, waarom die feiten als een inbreuk op de tucht worden aangemerkt, maar dat dit niet betekent dat het bestuur ertoe verplicht is formeel een antwoord te formuleren op de verschillende argumenten die de betrokkene te zijner verdediging aanvoert; 5.5.
- Overwegende dat het bestreden besluit sub 1.
- hiervoor integraal geciteerd is; dat daarin wordt vermeld welke feiten aan de grondslag liggen van de tegen verzoeker ingebrachte tenlasteleggingen -waarvan hij het bestaan overigens nooit betwist heeft, te weten het vermelden van een onjuist uur van aankomst in het slachthuis Lintor op 4 juli 2000 en zijn inschrijving op het activiteitenverslag van het stedelijk slachthuis te Antwerpen op 14 juli 2000, hoewel er die dag geen runderen werden geslacht en verzoeker ook geen andere keuropdracht had ontvangen- en dat IX-2886-11/15 er vervolgens wordt uiteengezet waarom verzoeker daarmee twee tuchtrechtelijk beteugelbare vergrijpen heeft gepleegd, enerzijds de miskenning van de instructies die hem nog op 6 maart 2000 in herinnering waren gebracht en anderzijds zijn inschrijving in het activiteitenregister voor het ante-mortemonderzoek van runderen in het stedelijk slachthuis te Antwerpen terwijl er die dag helemaal geen runderen geslacht zijn; dat blijkens het bestreden besluit voor de vaststelling van het tuchtrechtelijk karakter van de feiten, de verwerende partij vooral acht geslagen heeft op de verdediging die verzoeker voor de geschillencommissie gevoerd heeft en op de verschoningsgronden die hij daar had ingeroepen maar die toen ofwel niet bewezen werden geacht -het bestaan van een voorlopige toestemming om zich op 4 juli wegens verkeersproblemen vanaf 12.30u in te schrijven-, ofwel bevestigd werden door formele verklaringen -de verklaring van dr. De Paepe dat hij alle keurders ervan inlichtte dat er op 14 juli 2000 geen runderen geslacht zouden worden-; dat, aldus bezien, het bestreden besluit wel degelijk formeel gemotiveerd is; 5.5.
- Overwegende dat verzoeker zich in zijn verzoekschrift concentreert op het verweer dat hij met zijn brief van 19 februari 2001 aan de minister zelf heeft laten geworden, nadat de geschillencommissie een eindadvies had geformuleerd; dat hij van oordeel is dat de minister daar op ten onrechte geen acht op geslagen heeft, aangezien hij daarmee bewijzen voorlegde die zijn standpunt voor de geschillencommissie bevestigden; IX-2886-12/15 Overwegende dat de verwerende partij daar echter tegenover stelt dat zij vanwege verzoeker nooit een brief van 19 februari 2001 heeft ontvangen, terwijl verzoeker daarvan op geen enkele wijze het tegenbewijs levert; dat hij zelfs niet aantoont dat hij de brief van 19 februari 2001 wel naar de minister verzonden heeft; dat, aangezien verzoeker in die omstandigheden aan de minister niet kan verwijten dat hij de argumentatie opgenomen in de brief van 19 februari 2001 niet in zijn besluitvorming betrokken heeft, de Raad van State moet vaststellen dat de minister, met de gegevens waarover hij beschikte, zich terecht aangesloten heeft bij het advies van de geschillencommissie; 5.5.
- Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat de opgelegde straffen ongerechtvaardigd zijn en niet in verhouding tot de gepleegde feiten, gelet op de geldelijke gevolgen die zij voor hem teweeg brengen; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord tegenover stelt dat de opgelegde sanctie “redelijk is, gezien de duidelijke nota van 06.03.00 en het belang van het correct intekenen voor het volledige systeem”; 6.3.
- Overwegende dat de Raad van State op het vlak van de beoorde- ling van de strafmaat, die een bestuur verbindt aan een vaststaande tuchtinbreuk, slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; 6.3.
- Overwegende dat, zeker nu het activiteitenverslag ook de basis blijkt te vormen voor de vaststelling van de vergoedingen van de keurders, de overheid alle redenen heeft om van haar dierenartsen met opdracht te eisen dat zij het desbetreffend register correct invullen en daaraan strikt de hand te houden; dat die verplichting, inzonderheid de verplichting om het ogenblik van aankomst en vertrek “op het moment zelf” in te schrijven, nog op 6 maart 2000 door het hoofd van de keurkring onder de aandacht van de keurders was gebracht met de mededeling dat IX-2886-13/15 “gesjoemel” zou leiden tot de redactie van een proces-verbaal wegens oplichting en valsheid in geschriften en het opstarten van een tuchtprocedure; 6.3.
- Overwegende dat verzoeker de bestaande voorschriften goed kende; dat hij bewust de aanwezigheidsregisters op een eigenzinnige wijze heeft ingevuld; dat, met dat gegeven voor ogen, de twee schorsingen die aan verzoeker zijn opgelegd de grenzen van het redelijke niet te buiten gaan; dat derhalve, in het kader van het aangevoerde middel vastgesteld kan worden dat de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid niet op een kennelijk onredelijke wijze heeft uitgeoefend; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen. Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-2886-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2886-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.