← België

Arrest 133168 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.168 Rolnummer: A. 118803/IX-3282 Zaak: Arrest 133168 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-29 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:36 Fiche Arrest nr 133.168 van 28 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.168 van 28 juni 2004 in de zaak A. 118.803/IX-

  1. In zake : Guy RIGAUX, wonende te ZANDHOVEN, Amelbergastraat 12 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, thans de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  3. het Instituut voor Veterinaire Keuring. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy RIGAUX op 18 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 11 februari 2002 van de minister van Volksgezondheid waarbij hij voor de duur van één maand wordt geschorst in zijn keur- en controleopdrachten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-3282-1/11 Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. KEIRSEBELIK, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. VANDEMEULEBROUCKE, die loco advocaten R. DEPLA en M. STUBBE verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Verzoeker is sinds 1 juli 1986 dierenarts met opdracht bij het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK). 1.
  6. Met een aangetekende brief van 5 december 2000 vraagt het hoofd van de keurkring Antwerpen aan verzoeker een schriftelijke verantwoording over onregelmatigheden bij de uitoefening van zijn taak in het slachthuis WILKI te Weelde. Aan verzoeker wordt het volgende ten laste gelegd : "Op 05-12-2000 om 12u45 werd door Dr. Alfons SEGERS Uw aanwezig- heid vastgesteld op de baan Weelde-statie naar Weelde. Hij volgde Uw wagen tot op de parking van WILKI waar hij U zag uitstappen. In het bureel van de dierenartsen zag hij dat U was ingeschreven in dit slachthuis sedert 5u
  7. Opnieuw moet ik dus vaststellen dat U fraude pleegt bij het invullen van de aanwezigheidsregisters, niettegenstaande de overduidelijke instructies die U werden gegeven bij omzendbrief IVK/ANT/PN/608/
  8. IX-3282-2/11 Ik verzoek U mij schriftelijk per kerende post Uw bemerkingen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten te laten geworden. Het administratief dossier kan na telefonische afspraak worden ingezien. Indien U hierover door mij persoonlijk wilt gehoord worden sta ik ter Uwer beschikking eveneens na telefonische afspraak". 1.
  9. Met een brief van 11 december 2000 dient verzoeker een schriftelijke verantwoording in. Hij zet uiteen dat hij zijn keuractiviteiten uitoefende tot 12u20, dat hij om 12u25 het slachthuis verliet om een broodje te halen, dat het inschrijvings- register zoek was op het moment van vertrek, dat hij zich bij zijn terugkomst inschreef om 12u50 en uitschreef om 12u20 en dat de dierenartsen HOET en GILLIS hiervan getuige waren. Hij vraagt het kringhoofd rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, namelijk het feit dat hij 's morgens om 4u30 moest opstaan en zich 's avonds diende te begeven naar het sterfbed van een dierbare, omstandigheden die misschien verklaren waarom hij zich veroorloofd heeft 's middags een broodje te halen, zonder echter de bedoeling te hebben gehad te frauderen. Hij merkt op dat het bijzonder frappant is dat bij nazicht van het inschrijvingsregister blijkt dat andere collega's meermaals vergeten in of uit te schrijven, zonder dat zij van fraude beschuldigd worden. Hij vraagt eerlijk behandeld te worden, ofwel te worden overgeplaatst. 1.
  10. Op 11 december 2000 vraagt het hoofd van de keurkring Antwerpen aan verzoeker een schriftelijke verantwoording over het feit dat hij op 6 december 2000 dierenarts SEGERS ermee zou hebben bedreigd dat hij deze laatste wel zou vinden indien hij de kopie van het activiteitenverslag van 5 december 2000, waarop verzoeker zich niet had uitgeschreven, zou gebruiken. Met een brief van 12 december 2000 antwoordt verzoeker dat deze beschuldiging "ons beroep onwaardig (is)". Hij vraagt nogmaals "eerlijk behandeld te worden ofwel overgeplaatst te worden". IX-3282-3/11 1.
  11. Bij aangetekend schrijven van 24 juli 2001 wordt verzoeker door het kringhoofd in kennis gesteld van de voorstellen van "administratieve maatregelen". Voor de onregelmatigheden begaan bij de uitoefening van de opdracht bij WILKI wordt een schorsing van één maand voorgesteld. Wat de bedreiging tegen Dr. SEGERS betreft, wordt een schorsing van twee weken voorgesteld. 1.
  12. Bij brief van 25 juli 2001 vraagt verzoeker om door de geschillen- commissie gehoord te worden. Dat verhoor vindt plaats op 20 november
  13. In haar advies van 20 november 2001 oordeelt de geschillen- commissie "dat er voldoende elementen aanwezig zijn waaruit blijkt dat het voorstel van schorsing van één maand voor de feiten van 5 december 2000, met name het niet uitschrijven bij het verlaten van het slachthuis WILKI, als een gegronde maatregel voorkomt". De geschillencommissie oordeelt eveneens "dat, aangezien de ten laste gelegde feiten van 6 december 2000 niet afdoende zijn bewezen, het voorstel tot twee weken schorsing als ongegrond voorkomt". 1.
  14. Bij brieven van 12 december 2001 aan de voorzitter en de griffier van de geschillencommissie en aan de minister van Consumentenzaken, Volks- gezondheid en Leefmilieu deelt verzoeker zijn opmerkingen mede bij het verslag van de zitting van de geschillencommissie. 1.
  15. Met een aangetekende brief van 11 februari 2002 wordt aan verzoeker de thans bestreden beslissing van de minister van Volksgezondheid ter kennis gebracht. Deze beslissing luidt als volgt : "Op 5 december 2000 om 12u45 wordt uw aanwezigheid op de baan Weelde- statie naar Weelde, door de heer A. SEGERS vastgesteld. De heer SEGERS volgde u tot op de parking van WILKI waar hij u zag uitstappen. In het bureel van de dierenartsen stelde de heer SEGERS vast dat u was ingeschreven in voormeld slachthuis sedert 5u
  16. Opnieuw stelt de heer NAASSENS, dierenarts-directeur van de keurkring Antwerpen vast dat u fraude heeft gepleegd bij het invullen van de aanwezig- heidsregisters niettegenstaande de overduidelijke instructies die u werden gegeven bij nota dd. 09.08.2000 - ref. : IVKANT//PN/608/
  17. IX-3282-4/11 Bij aangetekend schrijven van 5 december 2000 wordt u schriftelijk ondervraagd over voormelde feitelijkheden door uw kringhoofd. In uw schriftelijke verklaring van 11 december 2000 schrijft het slachthuis te hebben verlaten om u te bevoorraden voor het middageten. U schreef zich niet uit omdat het inschrijvingsregister zoek was op het moment van vertrek. Als getuigen van deze feiten worden de heren HOET en GILLIS vermeld. Uit deze verklaringen blijkt dat u om 12u25 het dierenartsenlokaal verliet zeggende dat u het activiteitenregister niet kon vinden bij vertrek (zie verweerschrift evenals de verklaring van de heer HOET). U schrijft zich, naderhand, bij aankomst in om 12u50 en uit om 12u
  18. Bij schrijven van 6 december 2000 wordt de heer NAASSENS in kennis gesteld door de heer SEGERS A. van het feit dat u deze laatste wel zou vinden indien hij de kopie van het activiteitenverslag dd. 5 december 2000, waarop u zich niet had uitgeschreven, zou gebruiken. De heer SEGERS vraagt om acte te nemen van voormelde bedreiging. Bij aangetekend schrijven van 11 december 2000 wordt u schriftelijk ondervraagd over voormelde feitelijkheden door uw kringhoofd. In uw schriftelijke verklaring van 12 december 2000 antwoordt u dat deze beschuldiging het beroep onwaardig is. Het kringhoofd stelt u bij aangetekend schrijven van 24 juli 2001 in kennis van de voorstellen van administratieve maatregelen met name voor de onregel- matigheden begaan bij de uitoefening van de opdracht bij WILKI op 5 december 2000, een schorsing van één maand en voor wat de bedreiging geuit tegen de heer SEGERS betreft dd. 6 december 2000, een schorsing van twee weken. Bij schrijven van 25 juli 2001 vraagt u om gehoord te worden door de geschillencommissie. Bij schrijven van 22 oktober 2001 dient u een schriftelijke bezwaarschrift in, dat u ter zitting toelicht. Op 21 november 2001 wordt u gehoord door de geschillencommissie (zie het advies van 21 november 2001 - in bijlage). In uw toelichting bij uw bezwaarschrift betwist u de beide ten laste gelegde feiten ten volste. U verklaart niettemin het slachthuis op 5 december 2000 te hebben verlaten zonder dat u zich uitschreef. U nuanceert deze versie lichtjes door vooreerst te stellen dat het om een middagpauze ging (opgelegde). Bij uw terugkeer zet u dit recht en schrijft u zich in om 12u50 en uit om 12u
  19. U brengt geen nieuwe elementen aan wat de verklaringen van de heren HOET en GILLIS betreft. U haalt aan dat het onmogelijk is om met een snelheid van 70km/u gezwind een draaibeweging te maken op de gegeven baan. U stelt dat de recidive dient genuanceerd gezien de zaak hangende is bij de Raad van State (zie verweerschrift). Wat de feiten van 6 december 2000 betreft ontkent u ten stelligste de geciteerde bewoordingen alsook de beweerde intentie tot bedreiging en wijst u op de slechte verstandhouding tussen de heer SEGERS. U benadrukt het gebrek aan verstandhouding tussen het kringhoofd en uzelf. In uw verder betoog laat ik U niet na uw collegae met naam te vermelden en van fraude te beschuldigen (zie verweerschrift). IX-3282-5/11 In haar vergadering van 20 november 2001 brengt vermelde commissie het unaniem advies uit om u een schorsing van één maand voor wat betreft het niet uitschrijven bij het verlaten van het slachthuis WILKI op 5 december
  20. Wat de feiten van 6 december 2000 betreft is zij van oordeel dat de feiten niet te genoegen van recht bewezen zijn. Gezien uit het dossier blijkt dat de eerste ten laste gelegde feiten met name het niet uitschrijven in het activiteitenregister bij het verlaten van het slachthuis WILKI op 5 december 2000 vaststaan; Gezien uw schriftelijk verweerschrift en uw verklaring van 20 november 2000; Gezien bij nota IVKANT//PN/608/2000 van 09.08.2000 gericht aan de DMO's betreffende het invullen van de activiteitenverslagen duidelijk wordt gesteld dat op het activiteitenverslag het werkelijke en precieze uur van aankomst en van vertrek wordt ingevuld en dit op het moment zelf van aankomst en vertrek; Gezien het zoek zijn van het activiteitenregister als een zwak argument dient afgedaan; Gezien de verklaringen van de heren HOET en GILLIS daaromtrent geen bewijs leveren; Gezien geen recht kan worden geput uit het feit dat anderen het ook doen; Gezien de betrouwbaarheid van dergelijke documenten en van het ganse systeem in 't gedrang komt indien niet correct wordt ingetekend; Gezien vergoed wordt op basis van geleverde prestaties; Gezien de recidive; Gezien uit het dossier blijkt dat de tweede ten laste gelegde feiten van 6 december 2000 blijken uit de verklaring van de heer SEGERS; Gezien dit de enige verklaring is; Gezien het een geval is van woord tegen wederwoord; Gezien de moeilijke samenwerking tussen u en uw collegae enerzijds en tussen u en uw kringhoofd anderzijds; Gezien werd nagelaten om een procedure op te starten bij de residucel van het IVK omwille van de klacht; Gezien op grond van wat voorafgaat en uit de stukken van het dosssier de feiten van 6 december 2000 niet te genoegen van recht bewezen zijn; Mij aansluitend bij het advies van de geschillencommissie van 20 november 2001 (zie kopie in bijlage), leg ik u hierbij een schorsing op in uw keur- en controleopdrachten voor de duur van één maand voor wat de feiten van 5 december 2000 betreft. Uw kringhoofd zal door de administratie in kennis worden gesteld van deze beslissing en zal u de ingangsdatum van vermelde schorsing meedelen. Indien u niet akkoord gaat met deze beslissing, kan u binnen de 60 dagen een annulatieberoep indienen bij de Raad van State". 2.
  21. Overwegende dat de verwerende partijen in hun memorie van antwoord stellen dat de bestreden beslissing genomen is door de minister van IX-3282-6/11 Volksgezondheid, zodat het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK) niet als verwerende partij in deze zaak betrokken is; 2.
  22. Overwegende dat de bestreden beslissing getroffen is door de minister van Volksgezondheid, handelend binnen de grenzen van de beheers- bevoegdheid die de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor Veterinaire Keuring -een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, ingedeeld in categorie A als bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut- hem heeft toegekend; dat het IVK derhalve de geëigende rechtspersoon is die als verwerende partij in de onderhavige zaak moet optreden terwijl de Belgische Staat, wiens organen niet in het besluitvormingsproces betrokken waren, buiten de zaak gesteld kan worden; 3.
  23. Overwegende dat de verwerende partij het annulatieberoep onontvankelijk acht doordat in het verzoekschrift niet uiteengezet wordt welke rechtsregels volgens verzoeker geschonden zijn; 3.
  24. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord terecht tegenover stelt dat hij in zijn verzoekschrift gewezen heeft op de schending van de rechten van de verdediging, op het gebrek aan motivering, op de schending van het evenredigheidsbeginsel en het gezagsmisbruik en op het ontbreken van een tuchtrechtelijk bestrafbare gedraging met daarbij opgave van de redenen waarom die schendingen worden aangevoerd; dat de exceptie niet gegrond is; 4.
  25. Overwegende dat verzoeker de op het bestuur rustende motiveringsverplichting hierom geschonden acht dat hij, ter rechtvaardiging van het niet-naleven van de in- en uitschrijvingsverplichting in het activiteitenverslag, “onmiddellijk (heeft) laten weten dat het activiteitenregister onvindbaar was op het ogenblik van zijn vertrek” (en) dat hij 2 attesten bijbrengt waarin collegae dit feit bevestigen, zodat er geen schuldig gedrag vastgesteld is kunnen worden; dat hij het middel als volgt toelicht: hij heeft uiteengezet waarom hij het slachthuis verliet -het aankopen van een broodje omdat hij die dag geen mondvoorraad had meegenomen-; IX-3282-7/11 het incident situeert zich binnen “het opgelegde half uur pauze” en uit de door hem overgelegde attesten blijkt dat hij die tijdspanne niet overschreden heeft; hij is het slachtoffer van een “pesterijsfeer” en inbreuken door andere collegae zijn nooit bestraft geworden; de minister verduidelijkt niet waarom hij de afwezigheid van het activiteitenregister “een zwak argument” vindt en waarom hij de verklaringen van twee collega’s niet als bewijs aanvaardt; 4.
  26. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord op antwoordt dat niet bewezen wordt dat het activiteitenverslag onvindbaar was en dat de getuigenverklaringen daar niets aan veranderen; 4.
  27. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat zijn afwezigheid in het slachthuis een verplichte rustpauze van een half uur betrof en dat de verwerende partij niet aantoont dat het register wel aanwezig was toen hij vertrok; dat hij herhaalt dat de twee overgelegde getuigenverklaringen zonder rechtvaardiging terzijde worden geschoven, hoewel het attest van dr. GILLIS duidelijk is en de verklaring van dr. HOET die stelling bevestigt en daar nu aan toevoegt dat het half uur vrije tijd hem niet veel ruimte gaf om het aanwezigheids- register te gaan zoeken; 4.4.
  28. Overwegende dat uit de uiteenzetting in het verzoekschrift in deze zaak opgemaakt kan worden dat verzoeker de schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting, in die zin dat de verwerende partij de feiten van 5 december 2000 ten onrechte als een tuchtvergrijp heeft beschouwd; dat hij zijn stelling verantwoordt met een verwijzing naar twee verklaringen -opgemaakt op 30 augustus 2001- van dierenartsen die op het ogenblik van de feiten bij hem waren; 4.4.
  29. Overwegende dat dr. GILLIS de volgende verklaring heeft opgesteld : "Ik ondergetekende, GILLIS Eric, verklaar dat ik op 5/12/00 samen met de heer RIGAUX Guy bij kippenslachterij WILKI gekeurd heb in opdracht van het IVK. IX-3282-8/11 Tijdens de middagbreak is de heer RIGAUX toen een broodje gaan halen bij een broodjeszaak in het dorp en is hij slechts een half uur weg geweest. Bij zijn vertrek kon hij niet onmiddellijk het activiteitenregister vinden, en is dan zonder zich uit te schrijven vertrokken". Overwegende dat de verklaring van dr. HOET als volgt luidt : "Ondergetekende Dr. E. HOET, verklaart dat op dinsdag 05/12/2000 collega RIGAUX Guy omstreeks 12h25 het dierenartsenlokaal verlaten heeft, zeggende dat hij het aanwezigheidsregister niet vond. Omstreeks 12h50 was hij terug aanwezig". Overwegende dat de geschillencommissie de rechtvaardiging van verzoeker, die essentieel steunt op de twee getuigenverklaringen, niet heeft aanvaard; dat zij blijkens het verslag van haar beraadslaging daarvoor de volgende argumentatie heeft aangenomen : "- uit de stukken van het dossier en uit de mondelinge toelichting van appellant volgt, dat hij het slachthuis heeft verlaten zonder zich uit te schrijven en dat hij ontegensprekelijk in de fout is gegaan; - hij weerlegt voormelde feitelijkheden niet. Het feit dat anderen het ook doen is zeker geen excuus om het zelf te doen. Het zoek zijn van het activiteiten- register is een erg zwak argument dat ter verdediging wordt aangevoerd; - de verklaringen van de heren HOET en GILLIS benadrukken dat betrokkene zich niet uitschreef voor het verlaten van voormelde inrichting. Hierdoor wordt evenwel niet het bewijs geleverd dat het aanwezigheidsregister zich op het ogenblik van het vertrek van de heer RIGAUX niet bevond in het dierenartsenlokaal. Immers de verklaring van de heer HOET heeft het over : '...zeggende dat hij het aanwezigheidsregister niet vond". dat zij in haar advies aan de minister dan de volgende conclusie heeft geformuleerd : "De feiten staan vast en worden door appellant niet ontkend. Het zoek zijn van het activiteitenregister is een zwak argument dat ter verdediging wordt ingeroepen". en dat die conclusie door de minister in de volgende overweging overgenomen is : "Gezien het zoek zijn van het activiteitenregister als een zwak argument dient afgedaan. Gezien de verklaringen van de heren HOET en GILLIS daaromtrent geen bewijs leveren". IX-3282-9/11 4.4.
  30. Overwegende dat noch uit het advies van de geschillencommissie, noch uit het bestreden besluit opgemaakt kan worden waarom de verklaring van verzoeker, dat het aanwezigheidsregister onvindbaar was, als een zwak argument afgewezen diende te worden, aangezien de verklaring van inzonderheid getuige GILLIS formeel stelde dat verzoeker “niet onmiddellijk het activiteitenregister (kon) vinden”; dat, met die getuigenis voor ogen, van de verwerende partij verwacht had mogen worden dat zij de problematiek nader onderzocht om na te gaan of de door verzoeker aangevoerde verontschuldiging niet kon bijgevallen worden; dat, bijkomend, de verwerende partij ook niet ingegaan is op de bemerking van verzoeker, in zijn bezwaarschrift voor de geschillencommissie, dat hij het slachthuis verliet gedurende de verplichte middagpauze, terwijl het niet uitgesloten is dat het juist bevinden van die verontschuldiging een medebeslissende invloed zou kunnen gehad hebben op de beoordeling van het tuchtrechtelijk karakter van de gepleegde inbreuk; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  31. De Belgische Staat wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  32. Vernietigd wordt de beslissing van 11 februari 2002 van de minister van Volksgezondheid waarbij Guy RIGAUX voor de duur van één maand wordt geschorst in zijn keur- en controleopdrachten. IX-3282-10/11 Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Instituut voor Veterinaire Keuring. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3282-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.