← België

Arrest 133172 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.172 Rolnummer: A. 66808/IX-977 Zaak: Arrest 133172 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:37 Fiche Arrest nr 133.172 van 28 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.172 van 28 juni 2004 in de zaak A. 66.808/IX-

  1. In zake : Geert DANKAERTS, wonende te LEUVEN, Koning Leopold I-straat 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw en K.M.O.'s, thans de minister van Middenstand en Landbouw. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Geert DANKAERTS op 12 december 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing nr. 690331.407.36 N 01 van 4 oktober 1995 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen waarbij zijn aanvraag tot vrijstelling van de betaling van bijdragen voor de periode van april 1993 tot maart 1995 wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 13 maart 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-977-1/6 Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur - wnd. afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Geert DANKAERTS (/31/3/69), advocaat-stagiair, vraagt op 7 januari 1994 om volledige vrijstelling van de door hem in het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen voor de periode van het vierde kwartaal van 1993 tot het vierde kwartaal van 1994 verschuldigde bijdragen. Op 16 december 1994 breidt betrokkene zijn aanvraag uit tot de voor het jaar 1995 verschuldigde bijdragen. Met een schrijven van 11 juli 1995 deelt hij de commissie mee dat hij zijn zelfstandige activiteit op 1 augustus 1995 zal beëindigen. 1.
  4. De aanvraag om vrijstelling wordt door de eerste kamer van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen op 4 oktober 1995 in volgende bewoor- dingen verworpen : "Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17, 22 en 36; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94 bis; IX-977-2/6 Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : 'De zelfstandigen die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelij- ke vrijstelling aanvragen van de verschuldigde bijdragen door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie'; Gelet op artikel 90, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : 'De aanwezigheid ter zitting van de aanvrager is niet vereist. Indien hij hiertoe de wens uitdrukt, kan hij persoonlijk verschijnen of zich laten vertegenwoordigen of bijstaan hetzij door een advokaat, drager in voorkomend geval van stukken, hetzij door iedere andere persoon voorzien van een geschreven volmacht en voor ieder geval aanvaard door de voorzitter.'; Gelet op de aanvraag ingediend op 07/01/1994 en geregistreerd op 11/01/1994; Overwegende dat deze aanvraag op de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen betrekking heeft : van 4/93 t.e.m. 3/94; Gelet op de andere stukken van het dossier; Aangezien uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een staat van behoefte of in een toestand die de staat van behoefte benadert; Gehoord betrokkene in zijn uiteenzetting; BESLIST : Vrijstelling wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen : van 4/93 t.e.m. 3/95." Van deze beslissing wordt thans de vernietiging gevorderd. 2.
  5. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, doordat de Commissie zich beperkt heeft tot de verwijzing naar artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 naar luid waarvan de zelfstandige vrijstelling van bijdragen kan vragen “wanneer hij behoeftig is of de staat van behoeftigheid benadert”, terwijl de wet van 29 juli 1991 het bestuur ertoe verplicht in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die de betrokkene toelaten onmiddellijk zicht te krijgen op de motieven die het bestuur tot het bestreden besluit hebben gebracht; IX-977-3/6 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de eerste vier alinea’s van het bestreden besluit de juridische overwegingen bevatten die aan de grondslag liggen van het bestreden besluit, dat er, voor wat de feitelijke grondslag van het besluit betreft, verwezen wordt naar de indiening van de aanvraag, naar de bijdrage waarvoor vrijstelling gevraagd is, naar de stukken van het dossier en naar de uiteenzetting ter zitting en tenslotte naar de door de Commissie gemaakte vaststelling dat niet gebleken is dat verzoeker zich in een staat van behoefte bevindt; dat zij daaraan toevoegt dat dergelijke motivering volstaat, aangezien de bewijslast bij verzoeker en niet bij de Commissie ligt, dat elke verdergaande motivering onmogelijk is, aangezien de Commissie zich baseert op een globale toestand van de betrokkene zoals die uit het dossier naar voren komt zodat de verwijzing naar een of ander doorslaggevend element onmiskenbaar een vertekend beeld van de toestand van de aanvrager zou opleveren; 2.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de omstandigheid dat hij de bewijslast van zijn aanvraag draagt niets te maken heeft met de motiveringsverplichting, die erop gericht is hem in te lichten over het waarom van de ongunstige beslissing, en dat de verwijzing naar het feit dat hij zich niet in een toestand van behoefte bevindt niet adequaat is; 2.4.
  8. Overwegende dat artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ten tijde van het bestreden besluit bepaalde dat de zelfstandigen, die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, bij de in artikel 22 van hetzelfde besluit opgerichte Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen de volledige of gedeeltelijke vrijstelling van verschuldigde bijdragen konden aanvragen; 2.4.
  9. Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat de beslissingen van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen binnen het toepassingsgebied vallen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, krachtens dewelke een beslissing van een IX-977-4/6 administratieve overheid de juridische en de feitelijke gegevens moet vermelden die aan het besluit ten grondslag liggen; dat de Commissie er op grond van die wet toe verplicht was op een zo accuraat mogelijke wijze de redenen te vermelden die haar in dit geval tot haar eindbesluit hebben gebracht; 2.4.
  10. Overwegende dat het bestreden besluit, op het vlak van de concrete beoordeling van de aanvraag van verzoeker, verwijst naar “de stukken van het dossier” en naar de vaststelling “dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een toestand die de staat van behoefte benadert”; dat dergelijke summiere redengeving, die niet meer is dan een algemeen gangbare stijlformule, de betrokkene niet in staat stelt de precieze reden te achterhalen waarom hem de gevraagde vrijstelling geweigerd is; dat de Commissie daarmee de wettelijk ingestelde formele motiveringsplicht miskend heeft; dat de omstandigheid dat de Commissie alle haar bekende elementen in haar beoordeling betrekt, niet belet dat zij concreet moet kunnen aangeven waarom verzoeker zich niet in staat van behoefte bevindt; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  11. Vernietigd wordt de beslissing nr. 690331.407.36 N 01 van 4 oktober 1995 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen waarbij Geert DANKAERTS zijn aanvraag tot vrijstelling van de betaling van bijdragen voor de periode van april 1993 tot maart 1995 wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-977-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-977-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.