← België

Arrest 133173 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.173 Rolnummer: A. 91782/IX-2389 Zaak: Arrest 133173 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:37 Fiche Arrest nr 133.173 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.173 van 28 juni 2004 in de zaak A. 91.782/IX-

  1. In zake : Marc EYSKENS, die woonplaats kiest bij advocaat A. FLIEGHER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 82 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc EYSKENS op 12 mei 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 17 februari 2000 waarbij hij van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 7 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2389-1/13 Gelet op de beschikking van 23 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die loco advocaat A. FLIEGER verschijnt voor verzoeker, en van majoor militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Verzoeker, geboren op 7 april 1969, is sinds 1 september 1986 in dienst van de Krijgsmacht. Hij is op 26 september 1994 benoemd in de graad van eerste sergeant. 1.
  3. Op 5 maart 1992 wordt aan verzoeker een tijdelijke ambtsont- heffing bij tuchtmaatregel voor 2 dagen opgelegd wegens gewelddaden jegens een meerdere, feiten waarvoor hij ook strafrechtelijk veroordeeld werd. Hij loopt ook een aantal tuchtstraffen op, onder meer wegens agressief gedrag en ongeoorloofd drankgebruik en/of dronkenschap. 1.
  4. Op 2 maart 1999 komt het in de bar van de onderofficieren in het kamp Elsenborn tot een handgemeen tussen verzoeker en een eerste sergeant-majoor, die bij dit incident gewond raakt met één dag werkonbekwaamheid tot gevolg. 1.
  5. Op 4 maart 1999 stelt de korpscommandant voor om verzoeker bij ordemaatregel te schorsen in afwachting van een gerechtelijke beslissing. IX-2389-2/13 Bij ministerieel besluit van 15 april 1999 wordt aan verzoeker een schorsing bij ordemaatregel opgelegd voor een duur van drie maanden. De schorsing gaat in op 27 mei
  6. 1.
  7. Op 24 maart 1999 stelt de korpscommandant voor om verzoeker te laten verschijnen voor een onderzoeksraad met het oog op zijn ontslag van ambtswege. Op 14 april 1999 dient verzoeker een verweerschrift in. Op 1 juli 1999 beslist de minister van Landsverdediging dat verzoeker dient te verschijnen voor een onderzoeksraad. 1.
  8. Op 5 augustus 1999 beslist de minister van Landsverdediging, op voorstel van de Chef van de Generale Staf, om verzoekers schorsing bij ordemaat- regel te verlengen "tot uiterlijk 6 maand na het einde van de rechtsvordering". 1.
  9. Op 3 november 1999 verschijnt verzoeker voor de onderzoeks- raad. Op 9 november 1999 dient verzoeker een bijkomende verdedigingsnota in. Op 29 november 1999 adviseert de onderzoeksraad aan verzoeker de definitieve ambtsontheffing van ambtswege op te leggen. 1.
  10. Bij ministerieel besluit van 17 februari 2000 wordt verzoeker van ambtswege uit zijn ambt ontslagen. Dit besluit wordt met een nota van 29 februari 2000, door voor ontvangst ondertekend op 13 maart 2000, aan verzoeker ter kennis gebracht. 2.
  11. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van het beginsel “non bis in idem”, doordat hij voor de feiten, die tot zijn ambtsontheffing geleid hebben, reeds was bestraft met twee periodes van tijdelijke ambtsontheffing, zodat hij twee keer tuchtrechtelijk gestraft is voor dezelfde feiten; IX-2389-3/13 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat uit de samenlezing van de artikelen 20 en 29, § 1, derde lid, van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren, opgemaakt kan worden dat de schorsing bij ordemaatregel en het ontslag van ambtswege maatregelen van verschillende aard betreffen; 2.3.
  13. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” impliceert dat eenzelfde feit geen tweemaal mag worden gesanctioneerd met sancties van dezelfde aard; dat eenzelfde feit aldus geen tweemaal tuchtrechtelijk mag worden bestraft; dat het beginsel evenwel niet belet dat voor dezelfde feiten maatregelen of sancties van verschillende aard worden opgelegd; dat een tuchtstraf bijgevolg gecombineerd kan worden met een ordemaatregel; 2.3.
  14. Overwegende dat de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege een tuchtmaatregel is; dat, los daarvan, artikel 20, eerste en tweede lid, van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, bepaalt dat de minister van Landsverdediging, wanneer hij oordeelt dat de aanwezig- heid van een beroepsonderofficier nadelig is voor de tucht of de goede naam van het leger, een onderofficier bij ordemaatregel kan schorsen voor ten hoogste drie maanden, met de mogelijkheid om die schorsing te verlengen; dat dergelijke maatregel, aangezien hij niet getroffen wordt om de betrokkene te bestraffen voor een misdraging maar met het oog op de goede werking van de dienst, geen tuchtrechtelijk karakter heeft; dat overigens artikel 22 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst uitdrukkelijk bepaalt dat de schorsing bij ordemaatregel “een voorlopige, in genendele disciplinaire maatregel” is; dat derhalve het opleggen van een schorsing bij ordemaatregel, noch de verlening ervan, eraan in de weg staat dat het bestuur een tuchtmaatregel oplegt; dat het middel niet gegrond is; IX-2389-4/13 3.
  15. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging, doordat het bestuur hem het toebrengen van slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid ten laste legt, terwijl die feiten nog door het militair auditoraat worden onderzocht en hij daarvoor nog niet veroordeeld is, hetgeen een miskenning inhoudt van het vermoeden van onschuld en terwijl de werkonbekwaamheid van het slachtoffer niet het gevolg was van de handelingen die hij had gesteld; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de minister zijn beslissing in de tuchtzaak niet moet uitstellen tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan en dat het vermoeden van onschuld niet wordt miskend wanneer de minister, na behoorlijk te zijn ingelicht door de onderzoeksraad waar de betrokkene zich heeft kunnen verdedigen, oordeelt dat de feiten bewezen zijn; 3.
  17. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet dat zijn rechten van verdediging ook geschonden zijn doordat het bestuur zonder opgave van enige rechtsgeldige reden geweigerd heeft om het dossier van de strafzaak bij het militair auditoraat op te vragen; 3.4.
  18. Overwegende dat, behoudens andersluidend voorschrift, de tuchtoverheid niet verplicht is haar beslissing uit te stellen totdat de strafrechter een uitspraak heeft gedaan; dat zij integendeel vermag, op grond van een eigen onderzoek van de zaak, standpunt in te nemen over het bestaan van de feiten en de schuld van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar om dan, met eerbiediging van de rechten van de verdediging, uitspraak te doen over het opleggen van een tuchtstraf; dat, wanneer het bestuur van oordeel is dat het eigen onderzoek voldoende grondslag biedt om de tuchtactie te voeren, het ook niet verplicht is het strafdossier bij zijn beoordeling te betrekken; dat het bestuur, aldus handelend, het vermoeden van onschuld niet in het gedrang brengt; dat het enkel het risico loopt dat de opgelegde tuchtstraf geen feitelijke grondslag meer heeft wanneer de strafrechter nadien de feiten niet bewezen acht, in welk geval zij de tuchtstraf zal moeten intrekken; IX-2389-5/13 3.4.2.
  19. Overwegende dat, in dit geval, verzoeker geen bepaling aanwijst die de verwerende partij er had moeten van weerhouden met het opleggen van een tuchtstraf te wachten totdat de strafrechter uitspraak gedaan heeft; dat hij ook niet aantoont welke regel de verwerende partij ertoe zou verplichten om, op straffe van onwettigheid van de opgelegde tuchtstraf, bij de gerechtelijke overheden om mededeling of inzage van het strafdossier te vragen; 3.4.2.
  20. Overwegende dat, blijkens het voorstel van de korpscommandant, verzoeker voor de onderzoeksraad verschenen is om zich te verantwoorden voor het toebrengen, op 2 maart 1999, van slagen en verwondingen aan een meerdere met werkonbekwaamheid van het slachtoffer tot gevolg, hetgeen werd aangemerkt als ernstige feiten die niet overeenstemmen met zijn stand van beroepsonderofficier; dat uit het desbetreffend proces-verbaal, meer bepaald uit het verhoor van verzoeker zelf en van de getuige Adjt CROONEN door de onderzoeksraad, blijkt dat verzoeker op 2 maart 1999 aan lOWM DE COCK drie kopstoten heeft gegeven waardoor DE COCK van de trap gevallen is; dat in zijn verweerschrift verzoeker wel omfloerst verwijst naar “een te violente reactie (op een omarming door DE COCK) met alle gevolgen vandien”, maar dat hij daar zijn duidelijke verklaring niet afvalt; dat hij in die verklaring wel benadrukt dat de werkonbekwaamheid van het slachtoffer -1 dag- waarschijnlijk veroorzaakt is door de val van de trap, maar dat de onderzoeksraad daar terecht op geantwoord heeft dat die opmerking niet relevant is, aangezien de val van de trap “hoe dan ook het gevolg is van de gewelddaad” en verzoeker “verantwoordelijk blijft voor de toegebrachte verwondingen”; dat de onderzoeksraad dan unaniem geoordeeld heeft dat, afgaande op het eigen onderzoek en zonder dat het nodig was het strafdossier bij de zaak te betrekken, de feiten bewezen waren, dat zij ernstig waren en onverenigbaar met het ambt van beroepsonderofficier; Overwegende dat op basis van die gegevens, de minister zich voldoende geïnformeerd kon achten om, zonder de uitspraak van de strafrechter af te wachten, aan verzoeker een tuchtstraf op te leggen; dat het middel niet gegrond is; IX-2389-6/13 4.
  21. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel doordat hij ontslagen is voor feiten waarvoor de gerechtelijke overheden nog niet eens wisten of zij al dan niet tot vervolging zouden overgaan, terwijl hij mocht verwachten dat de uitslag van het gerechtelijk onderzoek afgewacht zou worden alvorens over een tuchtsanctie zou beslist worden; dat hij in het middel ook de schending van het evenredigheidsbeginsel aanvoert doordat de opgelegde tuchtstraf in kennelijke wanverhouding staat tot te feiten, te weten “een ruzie tussen twee dronken mannen in de bar van een legerkamp”; 4.
  22. Overwegende dat de verwerende partij, wat de verwijzing naar het afwachten van het resultaat van het gerechtelijk onderzoek betreft, verwijst naar haar bespreking van het tweede middel; dat zij voort stelt dat de Raad van State voor de beoordeling van de zwaarte van een tuchtstraf slechts over een marginale toetsings- bevoegdheid beschikt; 4.
  23. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat de feiten zich hebben voorgedaan na de diensturen zodat het tuchtrecht hier wordt aangegrepen om feiten uit de privé-sfeer, die niets te maken hebben met de uitoefening van het ambt, te bestraffen zonder dat de voorwaarden, bepaald in artikel 8 EVRM vervuld zijn; dat hij ook nog beklemtoont dat het slachtoffer geen klacht ingediend heeft en dat het ook geen schadeclaim heeft ingediend; 4.4.
  24. Overwegende dat bij de bespreking van het tweede middel vastgesteld is dat het tuchtrecht los staat van het strafrecht, in die zin dat de tuchtoverheid niet hoeft te wachten op de uitspraak van de strafrechter om een disciplinaire procedure te voeren; dat zulks in het kader van het hier besproken midden betekent dat de tuchtoverheid op basis van haar discretionaire bevoegdheid ter zaken, buiten elke gerechtelijke uitspraak om, de zwaarte van de straf kan bepalen; IX-2389-7/13 4.4.
  25. Overwegende, wat de evenredigheid betreft tussen de door verzoeker gepleegde feiten en de opgelegde tuchtstraf, dat de Raad van State, binnen de marginale toetsingsbevoegdheid die hij ter zake bezit, vaststelt dat de onderzoeks- raad unaniem geoordeeld heeft dat de feiten ernstig zijn en dat zij onverenigbaar zijn met de staat van onderofficier; dat de onderzoeksraad bij de ernst van de feiten de volgende beschouwingen heeft gemaakt : " Het plegen van gewelddaden is ons inziens op zich reeds een ernstig feit. Het gepaard gaan ervan met zwaar alcoholmisbruik tijdens de dienst is een verzwarende omstandigheid. Daarenboven is het feit van 02Mar99 geen alleenstaand feit maar heeft gedaagde zich daarvoor reeds enkele malen schuldig gemaakt aan gelijkaardige of verwante incidenten waarvoor hij veroordeeld of gestraft werd. Zijn eerste veroordeling en de erop volgende straffen waren een onvoldoende waarschuwing voor hem. Alle feiten, ook het laatste gekende van 02Mar99, mogen dan nog overkomen als 'een eerste of zoveelste dwaling van betrokkene', maar moeten vanuit het oogpunt van een militair eveneens als geheel worden geëvalueerd. Hierbij stelt men vast dat drankmisbruik, misbruik van vertrouwen en leugens als een rode draad doorheen de loopbaan van betrokkene lopen. De herhaling van daden van agressie in de hoedanigheid van kaderlid gelden als verzwarende omstandigheid . (...)". dat de onderzoeksraad de onverenigbaarheid van de gepleegde inbreuk met de staat van onderofficier als volgt gemotiveerd heeft : " De motivering is gestoeld op de confrontatie van de houding van betrokke- ne (zoals af te leiden uit het geheel der feiten en de beoordeling van zijn wijze van dienen) en de erecode van onderofficier.

(1)Erecode onderofficier (Par 106 - SOO Div Instr, nu Div GevSp) (in extenso) Ik zal mij volledig inzetten om mijn plichten als onderofficier met waardig- heid, eerbied en toewijding te vervullen. Ik zal zowel in mijn privaat leven als beroepshalve een voorbeeld zijn. Ik zal mijn chefs eerbiedigen. Ik zal mijn ondergeschikten rechtvaardig en vastberaden behandelen. Ik zal voortdurend mijn morele moed, fysieke conditie, kennis en sociale zin ontwikkelen. Ik zal onder alle omstandigheden verantwoordelijkheid nemen, blijk geven van beschikbaarheid, enthousiasme en doeltreffendheid. Ik zal steeds een onvoorwaardelijke verdediger zijn van de mensenrechten en de menselijke waardigheid. Getrouw aan mijn eed luidt mijn leuze : Mijn koning en mijn land dienen. IX-2389-8/13 Ieder onderofficier onderschrijft deze code op het moment van toetreding tot het Korps der Onderofficieren. Hij ontvangt hiertoe een bundel die de gewoonten en gebruiken in de schoot van dit Korps herneemt, het is tevens een gids om zich vlot in dit militaire midden te bewegen.
(2)Evaluatie houding en wijze van dienen van betrokkene Uit meerdere bronnen (evaluatienota's, adviezen op Mod B, strafblad, ...) valt uit te maken dat betrokkene het niet zo nauw neemt met gezag en discipline, dit vooral in combinatie met drankmisbruik. Wanneer nuchter, is betrokkene een goed militair. Doch het beheersen van zijn drankgebruik kan hij blijkbaar niet en wanneer hij dan gedronken heeft is zijn gedrag onverenigbaar met de menselijke waardigheid : gewelddadig, verbaal agressief en black-outs. Hij is zich daarvan bewust maar heeft tot na de laatste feiten van 02 Mar 99 hiervoor niets ondernomen. Zelfs dan nog minimaliseert hij zijn probleem want een 10 weken durende behandeling bij CMILA leek hem te veel. Pas op 20 Jul 99 herneemt hij dit initiatief nu bij het Centrum voor Crisis Psychologie.
(3)Een OOffr is een kaderlid : hij neemt deel aan de BEVELVOERING, dit wil zeggen dat hij medeverantwoordelijk is voor de verwezenlijking van de opgelegde doelstellingen. Daartoe wordt hem GEZAG verleend. Anderzijds staat hij, als leider van de uitvoering, rechtstreeks in contact met de soldaat. Als Chef heeft hij, vooral naar hen toe, een belangrijke voorbeeldfunctie te vervullen, ook inzake morele kwaliteiten. Hoe kan iemand gezag afdwingen wanneer hijzelf dit gezag meerdere malen openlijk negeert, zelfs in het bijzijn van ondergeschikten. Onbeschoft gedrag tegenover meerderen, agressief gedrag en vernieling van meubilair in bijzijn van ondergeschikten in bar BV zijn er de schrijnende voorbeelden van.
(4)Van ieder kaderlid wordt beroepsbekwaamheid verwacht. De onderofficier stelt belang in het werk en streeft ernaar alles tot in de details te kennen. Hier haalt betrokkene een pluspuntje vooral in zijn laatste evaluatienota van 1997. Maar deze beoordeling is zo opvallend en buitengewoon en is volgens ons niet representatief voor het normale wat eerder neigt naar een VOLDOENDE (score 4 is de hoogste quotering in '96).
(5)Het militair leven in de eenheid is niet te vergelijken met dit in het burgerleven. De prestaties op het gebied van de inwendige dienst, Oef en Man, alarm en speciale opdrachten brengen met zich mee dat men op onregelmatige uren werkt, soms met een minimum aan comfort. Dit brengt ook met zich mee dat betrokkene een zekere vorm van 'fysieke en morele paraatheid' moet naleven, incompatibel met overdreven drankgebruik. De uitspattingen van betrokkene brengen hemzelf en zijn collega's in gevaar (zie incident met TPF en behandeling van Mun na een 'zware' nacht met black-out naar aanleiding van drankmisbruik). Kortom, de houding van betrokkene druist in tegen de staat van onder- officier. De ten laste gelegde feiten zijn daar een gevolg van". dat de onderzoeksraad uiteindelijk het volgende advies aan de minister heeft gegeven : IX-2389-9/13 "a. Gezien het voorstel van de KorpsComd en het advies van de hiërarchische chefs teneinde betrokkene te laten verschijnen voor een onderzoeksraad uit hoofde van feiten die niet verenigbaar zijn met de staat van onderofficier; b. overwegende dat de feiten vaststaan; c. dat betrokkene de ernst der feiten NIET aanvaardt zoals voorgesteld door zijn hiërarchische meerderen, met inbegrip van de onverenigbaarheid der feiten met zijn ambt als onderofficier, van wie men terecht een onbesproken gedrag kan verwachten; d. dat de negatieve houding van betrokkene de goede naam van de Strijd- krachten in het algemeen en van het Korps der Onderofficieren in het bijzonder aantast; e. dat zijn houding een gevaar is voor zichzelf en zijn omgeving; f. dat zijn hiërarchische chefs de handelswijze van betrokkene volledig afkeuren, het vertrouwen in betrokkene volledig is geschokt en herhaling werd vastgesteld; g. dat betrokkene ONGESCHIKT is om verder te dienen als onderofficier bij gebrek aan tuchtzin, verantwoordelijkheidszin en plichtsbewustzijn; h. dat betrokkene alsdus NIET recupereerbaar is als onderofficier;" Overwegende dat de minister in de motivering van het bestreden besluit het advies van de onderzoeksraad in de volgende overwegingen bijgevallen is : " Overwegende dat de feiten afbreuk doen aan de waardigheid van zijn ambt van beroepsonderofficier; Overwegende dat het slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid betreft, het passend is een statutaire maatregel op te leggen om de ernst van het vergrijp te onderstrepen; Dat betrokkene voor deze feiten diende te verschijnen voor een onderzoeks- raad; Dat deze raad de feiten bewezen, ernstig en onverenigbaar achtte met de staat van beroepsonderofficier; Dat betrokkene, door het recht in eigen handen te nemen, getuigt van weinig burgerzin; Dat de feiten tevens getuigen van een volslagen gebrek aan respect tegenover zijn meerderen; Dat elke militair eveneens een voorbeeld dient te zijn van zelfdiscipline en tucht; Overwegende dat er enkel verzwarende omstandigheden in acht kunnen genomen worden; Overwegende dat in 1991 tegen betrokkene voor gelijkaardige feiten reeds statutair diende opgetreden te worden; Dat gelet op de hem gegeven waarschuwingen betrokkene de lijn van agressiviteit doortrekt; IX-2389-10/13 Dat betrokkene de gebeurde feiten toegeeft tijdens het verhoor van de onderzoeksraad; Overwegende dat het vertrouwen in betrokkene te zeer geschokt is en het risico dat hij in dergelijk gedrag zou hervallen niet kan uitgesloten worden; Overwegende dat betrokkene met zijn gedrag de operationaliteit van de Krijgsmacht, welke gebaseerd is op discipline, in het gevaar kan brengen; Dat een nieuwe tijdelijke ambtsontheffing niet meer als nuttig voorkomt; Dat enkel een definitieve verwijdering uit de Krijgsmacht de gepaste maatregel lijkt;" Overwegende dat, rekening houdend met die uiteenzettingen, de Raad van State van oordeel is dat de opgelegde tuchtstraf niet elke redelijkheid te buiten gaat; dat er immers uit blijkt dat de door verzoeker gepleegde feiten niet beperkt zijn tot een eenmalige dronkemansruzie, dat de feiten zich ook niet uitsluitend binnen de privé-sfeer van verzoeker situeren en dat verzoeker over een tuchtverleden beschikte dat de verwerende partij terecht bij de zaak kon betrekken; 4.4.
  1. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 5.
  2. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat hij tuchtrechtelijk gestraft is voor het toebrengen van slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid, terwijl het gerechtelijk onderzoek over de hem ten laste gelegde feiten nog niet was afgerond, het dus niet vast stond of de feiten wel bewezen waren en er derhalve ernstige reden is om te twijfelen aan de feitelijke juistheid van de motivering; 5.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat de Raad van State alleen kan nagaan of het bestuur rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, dat verzoeker heeft toegegeven dat hij eerste sergeant-majoor DE COCK drie kopstoten heeft gegeven zodat er geen reden is om te twijfelen aan het bestaan van de feiten; IX-2389-11/13 5.
  4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de geneesheer die eerste sergeant-majoor DE COCK onderzocht heeft, niet met zekerheid heeft kunnen vaststellen of de werkonbekwaamheid van één dag het gevolg was van toegebrachte slagen en verwondingen en dat zijn persoonlijk dossier er blijk van geeft dat hij als militair diverse onderscheidingen heeft gekregen; dat hij daar ook aan toevoegt dat het advies van de onderzoeksraad steunt op een evaluatienota uit 1999 die onregelmatig tot stand is gekomen; 5.
  5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog benadrukt dat de tenlastelegging ook verwijst naar werkonbekwaamheid van eerste sergeant- majoor DE COCK maar dat zulks niet bewezen wordt, zodat de motivering van het bestreden besluit onjuist is; 5.5.
  6. Overwegende dat bij de bespreking van het tweede middel vastgesteld is dat de verwerende partij haar beslissing niet moest uitstellen totdat de strafzaak beëindigd was en dat de minister over voldoende bewijskrachtige gegevens beschikte om de zaak op tuchtrechtelijk vlak af te handelen; dat, inzonderheid wat de verwijzing naar de werkonbekwaamheid van eerste sergeant-majoor DE COCK betreft, de onderzoeksraad beschikte over een geneeskundig attest waarin de militaire geneesheer bevestigt dat DE COCK een “contusio voorhoofd + whiplash + licht commotio cerebri (...) vertoonde” die hem een werkonbekwaamheid van één dag opleverde en dat hij voor de oorzaak van dat letsel verwees naar het verslag van de rijkswacht en de getuigen; dat uit het verder onderzoek terdege gebleken is dat DE COCK tijdens de vechtpartij met verzoeker van de trap gevallen is; dat de verweren- de partij daarmee het bestaan van werkonbekwaamheid terdege voor bewezen mocht houden; dat het middel niet gegrond is; 5.5.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord ook verwijst naar het in aanmerking nemen van een onregelmatig tot stand gekomen evaluatienota uit 1999; dat hij daarmee een nieuw middel formuleert, zonder daarbij aan te tonen dat hij het niet in zijn oorspronkelijk verzoekschrift kon aanvoeren of dat het van openbare orde is; dat om die reden het middel onontvankelijk is, IX-2389-12/13 BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2389-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.