← België

Arrest 133174 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.174 Rolnummer: A. 148326/IX-4079 Zaak: Arrest 133174 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-05 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:37 Fiche Arrest nr 133.174 van 28 juni 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.174 van 28 juni 2004 in de zaak A. 148.326/IX-

  1. In zake : Hendrik BOGAERT, die woonplaats kiest bij advocaten S. RONSE en D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, die woonplaats kiest bij advocaat A. HAELTERMAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Marsveldplein
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik BOGAERT op 3 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 9 januari 2004 tot uitvoering van de artikelen 2, § 1, zevende lid, 4, § 2, 6, § 3, tweede lid, en 10, van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-4079-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaten A. HAELTERMAN en B. WILMS, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal;
  3. Over het voorwerp van de vordering. Overwegende dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker zijn vordering tot schorsing beperkt tot artikel 3 van het voornoemde koninklijk besluit;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.
  5. De wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte (hierna: EBA) geeft aan bepaalde natuurlijke personen de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een regularisatie te verkrijgen van sommen, kapitalen of roerende waarden die niet werden vermeld in een in België wettelijk verplichte boekhouding of aangifte of waarop de in België verschuldigde belasting niet werd geheven of die voortspruiten uit inkomsten die niet werden vermeld in een in België wettelijk verplichte boekhouding of aangifte of waarop de in België verschuldigde belasting niet werd geheven. 2.
  6. Luidens artikel 10, tweede lid, van de voornoemde wet van 31 december 2003 wordt de Koning gemachtigd om de nadere regels vast te stellen volgens welke de bijkomende bijdrage van 6 %, van het aangegeven bedrag wordt gestort die krachtens dat artikel verschuldigd is wanneer de persoon die een EBA doet, geen rekening houdt met de voorwaarden die door de wet worden voor- IX-4079-2/11 geschreven in het geval ofwel de aangifte betrekking heeft op roerende waarden die niet gedeponeerd zijn op een rekening in het buitenland, in welk geval de aangever ertoe gehouden is die waarden te deponeren op een rekening bij een kredietinstelling of een beursvennootschap en die er gedeponeerd te laten gedurende een ononder- broken periode van drie jaar (artikel 2, § 1, vijfde lid, van voornoemde wet), ofwel de aangever de eenmalige bijdrage van 6 % betaalt, waarvan de toepassing afhankelijk is van de voorwaarde dat hij het aangegeven bedrag investeert binnen dertig dagen na indiening van de aangifte en voor een periode van ten minste drie jaar op de wijze bepaald wordt bij koninklijk besluit (artikel 4, § 2 van de voor-noemde wet van 31 december 2003). 2.
  7. Het bestreden artikel 3 bepaalt dat de aangever met de in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of de verzekeringsonderneming bij wie de aangifte werd gedaan een bijzondere overeenkomst dient te sluiten waarbij hij, in de gevallen waarop artikel 10 van de wet betrekking heeft, instemt met de “blokkering”, in contanten of roerende waarden, van een bedrag gelijk aan de bijkomende bijdrage die krachtens dat artikel verschuldigd zou kunnen zijn, bij wijze van waarborg voor de betaling ervan, en waarbij hij aan de kredietinstelling, de beursvennootschap of de verzekeringsonderneming de toestemming geeft om die bijkomende bijdrage op 1 juli 2008 aan de Schatkist te betalen als de aangever of zijn rechtsopvolger tussen 1 februari en 30 juni 2008 niet het bewijs heeft geleverd dat voldaan is aan de verplichting tot deponeren gedurende drie jaar of aan de verplichting tot het investeren gedurende drie jaar. 2.
  8. Wanneer de EBA betrekking heeft op sommen of roerende waarden die op een rekening in het buitenland worden aangehouden, in welk geval de aangifte moet worden ingediend bij de Federale Overheidsdienst Financiën (artikel 2, § 1, vierde lid, van de wet), wordt de blokkering waarin het bestreden artikel 3 voorziet, vervangen door de verplichting voor de aangever om aan die dienst een zakelijke zekerheid, een bankwaarborg of een andere persoonlijke zekerheid te verlenen voor een bedrag gelijk aan de bijkomende bijdrage die eventueel verschul- digd kan zijn krachtens artikel 10 van de wet. 2.
  9. De Federale Overheidsdienst Financiën kan die zekerheid vanaf 1 juli 2008 aanwenden ter inning van de verschuldigde bijkomende bijdrage als de aangever of zijn rechtsopvolger tussen 1 februari en 30 juni 2008 niet het bewijs heeft IX-4079-3/11 geleverd dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting tot deponeren of tot investeren (het bestreden artikel 3, vierde lid). 2.
  10. Het bestreden artikel 3, zevende lid, heeft betrekking op het geval dat de kredietinstelling, de beursvennootschap of de verzekeringsonderneming niet overtuigd zou zijn door de bewijzen die de aangever heeft aangebracht van de naleving van, naargelang van het geval, zijn verplichting om gelden of geldswaardig papier gedurende drie jaar op een rekening aan te houden of gedurende drie jaar te investeren: de tekst bepaalt dat in dat geval de betwisting zal worden voorgelegd aan een bijzonder college, dat naargelang van het geval wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger aangewezen door Febelfin of door de BVVO, en voorts bestaat uit een lid aangewezen door de minister van Financiën en een lid aangewezen door de minister van Justitie. Dat college moet een beslissing nemen binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanhangigmaking van de betwisting. 2.
  11. Artikel 10 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte luidt als volgt : “Indien de belastingplichtige niet heeft voldaan of niet langer voldoet aan de in artikel 2, § 1, vijfde lid, gestelde deponeringsvoorwaarden of aan de in artikel 4, §
  12. vervatte investerings- of herinvesteringsvereiste, is op de aangegeven sommen, kapitalen of roerende waarden een bijkomende bijdrage verschuldigd van zes pct. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke die bijkomende bijdragen worden gestort.” 2.
  13. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 januari 2004 tot uitvoering van de artikelen 2, § 1, zevende lid, 4, § 2, 6, § 3, tweede lid, en 10 van de wet van 31 december 2003 luidt als volgt : “Op het ogenblik van de betaling van de eenmalige bevrijdende bijdrage, wordt al naargelang van het geval: 1/ door de in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of verzekeringsonderneming bij wie de aangifte werd gedaan, een bedrag gelijk aan de krachtens artikel 10 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte desgevallend verschuldigde bijkomende bijdrage geblokkeerd bij wijze van waarborg ter voldoening van deze verschul- digde bijkomende bijdrage; 2/ door de indiener van de aangifte voor een bedrag gelijk aan de krachtens artikel 10 van de wet 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte desgevallend verschuldigde bijkomende bijdrage aan de aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën een zakelijke zekerheid, een bankwaarborg of andere persoonlijke zekerheid gevestigd. De blokkering bij wijze van waarborg en de vestiging van de zakelijke zekerheid, bankwaarborg of andere persoonlijke zekerheid, kan betrekking IX-4079-4/11 hebben op, voortkomen uit of gebaseerd worden op zowel de sommen, kapitalen of roerende waarden waar de aangifte specifiek betrekking op heeft, als andere sommen, kapitalen of roerende waarden. Deze blokkering van de sommen, kapitalen of roerende waarden maakt het voorwerp uit van een bijzondere overeenkomst tussen de aangever en respectievelijk de kredietinstelling, de beursvennootschap of de verzekeringsonderneming waarbij die overeenkomst uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor de betrokken instellingen te voldoen aan de verplichtingen vervat in dit artikel. De aldus bij wijze van waarborg geblokkeerde sommen, kapitalen of roerende waarden zijn definitief voor de Schatkist verworven op 1 juli 2008, tenzij de indiener van de aangifte of zijn rechtsopvolger vanaf 1 februari 2008 en ten laatste op 30 juni 2008 aantoont dat voldaan werd aan de in de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte opgelegde deponerings- en/of investeringsverplichting. De aan de aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën verstrekte zakelijke zekerheid, bankwaarborg of andere persoonlijke zekerheid kan door de aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën aangewend worden ter inning van de verschuldigde bijkomende bijdrage. De inning van de bijkomende bijdrage door uitwinning van de zakelijke zekerheid of door een beroep te doen op de bankwaarborg of andere persoonlijke zekerheid is definitief mogelijk vanaf 1 juli 2008 tenzij de indiener van de aangifte of zijn rechtsopvolger vanaf 1 februari 2008 en ten laatste op 30 juni 2008 aantoont dat voldaan werd aan de in de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte opgelegde deponerings- en/of investeringsverplichting. Voldoet de betrokkene aan de bewijsplicht zoals vermeld in het derde en vierde lid, dan worden de geblokkeerde sommen, kapitalen of roerende waarden onmiddellijk ter zijner beschikking gesteld, of dan vervalt de verstrekte zakelijke zekerheid, bankwaarborg of andere persoonlijke borgstelling. Ingeval de betrokkene niet voldoet aan de in het derde lid vermelde bewijsplicht en de blokkering heeft betrekking op roerende waarden, dan worden deze waarden door de kredietinstelling, beursvennootschap of verzekerings- onderneming desgevallend vanaf 1 juli 2008 aangehouden voor rekening van de Schatkist. De aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën geeft aan de kredietinstelling, beursvennootschap of ver-zekeringsonderneming de vereiste instructies met het oog op de tegeldemaking van deze roerende waarden. Betwistingen tussen de kredietinstelling, beursvennootschap of verzekerings- onderneming en de indiener van de aangifte wat betreft de aanvaardbaarheid of geldigheid van de in het kader van deze bepaling voorgelegde bewijzen, worden op verzoek van één van de betrokken partijen binnen de 60 dagen voorgelegd aan een bijzonder college, met als voorzitter een vertegenwoordiger aangeduid door Febelfin indien de betwisting een kredietinstelling of beursvennootschap betreft, of als voorzitter een vertegenwoordiger aangeduid door de Beroeps- vereniging van verzekeringsondernemingen indien de betwisting een ver- zekeringsonderneming betreft, en dat voor het overige bestaat uit een lid aangeduid door de Minister van Financiën en een lid aangeduid door de Minister van Justitie. Betwistingen moeten schriftelijk worden ingediend vóór 1 juli
  14. Dit college neemt terzake een beslissing binnen de 6 maanden. Wat betreft de werkzaamheden van dit college zijn de leden onderworpen aan een volstrekte verplichting van geheimhouding, tenzij tegenover de betrokken indiener van de aangifte en de betrokken kredietinstelling, beursvennootschap of verzekerings- onderneming. De Minister van Financiën regelt de nadere werkzaamheden van dit college. In geval van betwisting ingediend bij het college vóór 1 juli 2008, blijven de sommen, kapitalen of roerende waarden door de kredietinstelling, IX-4079-5/11 beursvennootschap of verzekeringsonderneming geblokkeerd tot op de datum van de beslissing.”;
  15. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  16. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voor- waarde de schending aanvoert van de artikelen 42, 53, 105, 108, 145, 170, en 172 van de Grondwet, van het beginsel van de scheiding der machten, van het legaliteits- beginsel en van artikel 10 van de genoemde wet van 31 december 2003; dat hij hierbij onder verwijzing naar het advies nr. 36.326/2 van de afdeling wetgeving van de Raad van State uiteenzet dat de artikelen 42, 53, 105 en 108 van de Grondwet, samen gelezen, bepalen dat het aan de wetgevende organen toekomt, waartoe verzoeker behoort, om wetten te maken en dat de Koning uitsluitend de bevoegdheid heeft om deze uit te voeren, zonder de wetten zelf te mogen schorsen, of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen; dat te dezen de Koning in artikel 3 van het bestreden besluit tot tweemaal toe zijn grondwettelijke bevoegdheid heeft overschre- den, waardoor de prerogatieven van verzoeker als lid van de Kamer van Volksverte- genwoordigers op manifeste wijze geschonden worden; dat artikel 10, tweede lid, van de wet van 31 december 2003 aan de Koning enkel de bevoegdheid verleent tot het bepalen van de modaliteiten volgens dewelke de bijkomende bijdrage van zes percent van het aangegeven bedrag worden gestort bij niet naleving van de voorziene voorwaarden inzake investering en deponering; dat het bestreden besluit daarentegen een complex systeem van preventieve waarborgen en zekerheden invoert, hetgeen verder gaat dan het regelen van de modaliteiten van storting van de bijkomende bijdragen; dat de aangever immers door het bestreden besluit verplicht wordt zekerheid te stellen voor de betaling van de bijkomende heffing op een ogenblik dat hij zijn verplichting tot investering en deponering nog moet aanvatten, terwijl de bijkomende heffing in feite slechts kan verschuldigd zijn indien na afloop van de periode van drie jaar zou blijken dat de aangever niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot investering of deponering; dat aldus een bijkomende last wordt IX-4079-6/11 opgelegd aan de aangever, zelfs indien hij stipt de verplichting tot investering en deponering naleeft gedurende de hele periode van drie jaar; dat verzoeker ook nog aanvoert dat het bestreden besluit ook zonder machtiging een administratief rechtscollege opricht voor het beslechten van betwistingen betreffende de rechtsgel- digheid of de geldigheid van de stukken die de aangever aanvoert als bewijs van de gedane investeringen of deponering; dat het bestreden besluit daarenboven aan de minister van Financiën de bevoegdheid verleent om “de nadere werkzaamheden” van dit college te regelen; dat het vervangen van het woord “uitspraak”, zoals het voorkwam in ontwerp dat aan de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd door het woord “beslissing” de ware aard van het college niet verandert; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met op- merkingen daarop samengevat antwoordt dat, al vermag de uitvoerende macht bij de uitoefening van de opdracht welke artikel 108 van de Grondwet haar toekent, de strekking van de wet niet te verruimen noch te beperken, het toch de Koning toekomt om uit het beginsel van de wet en haar algemene economie de gevolgtrekkingen af te leiden welke daaruit natuurlijk voortvloeien volgens de geest die aan het ontwerpen van de wet ten grondslag lag en de doeleinden die zij nastreeft; dat de door de Koning in artikel 3 van het bestreden besluit uitgewerkte regeling met betrekking tot de waarborgen en zekerheden enerzijds, en met betrekking tot het bijzonder college anderzijds, kadert binnen het principe dat het de Koning toekomt uit het beginsel van artikel 10 van de wet van 31 december 2003 en haar algemene economie de gevolgtrekkingen af te leiden welke daaruit natuurlijk voortvloeien volgens de geest die aan het ontwerpen van de wet ten grondslag lag en de doeleinden die zij nastreeft alsmede binnen de maat die artikel 10 van de wet voor de Koning heeft gezet op het vlak van zijn uitvoeringsbevoegdheid; dat de door artikel 3 van het bestreden besluit uitgewerkte waarborgsystemen alsook het gecreëerde bijzonder college “perfect kaderen binnen de uitwerking van de modaliteiten volgens dewelke de verschuldige bijdrage van 6 % moet worden gestort”; dat de getroffen regeling de enige redelijke regeling is om het door de wet beoogde doel te bereiken; dat voorts het bijzonder college niet beantwoordt aan de criteria vereist om als een administratief rechtscollege te worden beschouwd; 3.
  18. Overwegende dat ook al kan de uitvoerende macht bij de uitoefening van zijn opdracht op grond van artikel 108 van de Grondwet, de strekking van de wet niet verruimen noch beperken, het aan de Koning toch toekomt om uit het beginsel van de wet en haar algemene economie de gevolgtrekkingen af IX-4079-7/11 te leiden welke daaruit natuurlijk voortvloeien volgens de geest die aan het ontwerpen van de wet ten grondslag lag en de doeleinden die zij nastreeft; dat de Koning nochtans de draagwijdte van de wet niet mag uitbreiden noch beperken, en evenmin, in de gevallen waarin de wetgever de grenzen van zijn verordenende bevoegdheid uitdrukkelijk heeft bepaald, die grenzen te buiten gaan; dat te dezen met betrekking tot de problematiek van de niet-naleving van deponerings-, investerings- en herinvesteringsvoorwaarden de wet die grenzen heeft vastgesteld; dat inderdaad de wet aan de Koning de opdracht geeft om de modaliteiten te bepalen volgens welke de bijkomende bijdragen zullen worden gestort; dat de organisatie van het blokkeren van gelden of effecten bij een private instelling die de EBA ontvangt of het stellen van zekerheden ten gunste van de Federale Overheidsdienst Financiën voor het geval de bijkomende bijdrage waarin artikel 10 van de wet van 31 december 2003 voorziet, verschuldigd zou zijn, op het eerste gezicht buiten die bevoegdheid valt die aan de Koning wordt opgedragen bij artikel 10, tweede lid, van de voornoemde wet; dat die bevoegdheid immers beperkt is tot het bepalen van de modaliteiten volgens dewelke de bijkomende bijdragen zullen worden gestort; dat het verrichten van een storting of een betaling alleen maar mogelijk is ingeval een schuld effectief en opeisbaar is; dat het in het besluit vastgestelde systeem verder gaat en een waarborg tot betaling inbouwt voor een nog niet effectieve en opeisbare schuld; dat dit systeem klaarblijke- lijk niet door de wet is beoogd; dat voorts de oprichting van een bijzonder college dat betwistingen moet behandelen die precies betrekking hebben op de bewijzen van de goede uitvoering van de verplichtingen van de aangever om te ontsnappen aan de verplichte storting van de bijkomende bijdrage van 6 % evenmin lijkt te kaderen in die opdracht tot het bepalen van de modaliteiten volgens welke de bijkomende bijdragen worden gestort; dat het middel ernstig is; 3.
  19. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde er vooraf op wijst dat hij als lid van de Kamer van Volksvertegen- woordigers een functioneel belang erbij heeft dat de Koning, door de Hem bij de Grondwet en de wet toegekende bevoegdheid te overschrijden geen afbreuk doet aan de prerogatieven van de wetgevende macht; dat hij daarna aanvoert dat hij ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat doordat hij thans moet gedogen dat een besluit, dat de Koning genomen heeft buiten zijn bevoegdheid, zoals geregeld in de artikelen 105 en 108 van de Grondwet, gevolgen met zich meebrengt die “in het rechtsverkeer moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt”; dat volgens hem te dezen effectief situaties en rechtsgevolgen in het leven dreigen te worden geroepen, “buiten de wil van de wetgever om, die zo goed als onomkeerbaar zullen zijn en waarvoor IX-4079-8/11 een gebeurlijke annulatie binnen een aantal jaren geen soelaas kan bieden”; dat hij meer specifiek wijst op het feit “dat er een administratief rechtscollege wordt gecreëerd door het bestreden besluit dat lopende de annulatieprocedure ongetwijfeld talloze jurisdictionele beslissingen zal nemen, allen zonder wettelijke basis, en dit zonder dat verzoeker in zijn hoedanigheid van lid van de wetgevende macht heeft kunnen participeren aan een debat ten gronde over de oprichting van zulk college”; dat enkel de wetgevende macht bevoegd is om zulk administratief rechtscollege op te richten - overeenkomstig artikel 145 van de Grondwet - en verzoeker “in zijn prerogatieven gefnuikt wordt” door de bestreden beslissing; dat enkel een gebeurlijke schorsing een afdoend rechtsherstel voor hem kan teweegbrengen “gelet op zijn prangend functioneel belang terzake”; dat zoveel als mogelijk voorkomen moet worden dat het administratief rechtscollege, “zonder daartoe over enige wettelijke basis te beschikken”, effectief beslissingen zal nemen, “anders dreigt de rechts- zekerheid op ernstige wijze in het gedrang te komen en dreigen (...) onmogelijke situaties te ontstaan”; dat zulks eveneens het geval is voor het instellen van een complex systeem van preventieve waarborgen en zekerheden omdat ook hier lopende de annulatieprocedure aan talloze rechtsonderhorigen een systeem dreigt opgedrong- en te worden met verregaande financiële implicaties “zonder enige wettelijke basis”; dat een wetgeving op grote schaal uitvoerbaar dreigt te worden “die tegengesteld is aan de bedoeling van de wetgever”; 3.
  20. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar nota met opmerkingen vooraf opmerkt dat verzoekers argumentatie met betrekking tot de omvang van de vermeende schending aangevoerd in de annulatiemiddelen “juridisch geheel irrelevant” is omdat het bestaan van een onwettigheid niet gekoppeld kan worden aan het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat zij voorts ontkent dat het bestreden besluit gevolgen heeft die in het rechtsverkeer moeilijk ongedaan gemaakt zullen kunnen worden; dat zelfs al gaat men ervan uit dat er een administratief rechtscollege wordt opgericht de gevolgen niet moeilijk uit het rechtsverkeer verwijderd zullen kunnen worden; dat immers het bijzonder college ten vroegste op 1 juli 2008 voor het eerst enige “beslissing” zal kunnen treffen; dat ook wat betreft de instelling van een zogenaamd complex systeem van preventieve waarborgen en zekerheden verzoeker helemaal niet uitlegt hoe daaraan zal kunnen geremedieerd en dat enkel een zeer klein gedeelte van de gedeponeerde roerende waarden of verrichte investering aanleiding geeft tot een bijzondere blokkering, waarvan het onwaarschijnlijk is dat deze voor de uitspraak ten gronde reeds aanleiding zou kunnen geven tot een doorstorting en, voor zover dat wel het geval zou zijn, het euvel gewoon kan worden hersteld door een terugbetaling; IX-4079-9/11 3.
  21. Overwegende dat uit wat voorafgaat is gebleken dat verzoeker de vordering instelt in zijn hoedanigheid van lid van de Kamer van Volksvertegen- woordigers en dat hij terecht aanvoert dat zijn prerogatieven als lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers worden geschonden; dat voor zover hij het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoert, dat nadeel enkel verband kan houden met het functioneel belang dat hij inroept; dat het dus irrelevant is te stellen, zoals de verwerende partij doet, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden bepalingen geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel meebrengen voor zij die gebruik wensen te maken van het systeem van de EBA; dat echter in de perceptie van de recht zoekende wanneer de gewraakte bepalingen op hem toegepast worden, de bestreden regelingen tot stand zijn gekomen niet alleen met de volledige goed- keuring van het wetgevend orgaan doch ook door de uitoefening van de prero- gatieven van de rechtstreeks door de rechtszoekenden verkozen volksvertegen- woordiging en derhalve alle waarborgen biedt van legaliteit terwijl op het eerste gezicht het tegendeel blijkt; dat verzoeker weliswaar niet concreet aantoont dat een vernietiging te laat zal komen om het nadeel dat hij als volksvertegenwoordiger daadwerkelijk ondergaat, met name het niet kunnen uitoefenen van zijn prerogatieven, nog te kunnen verhelpen, maar dat, rekening houdend met de graad van ernst van het hierboven besproken middel en met het feit dat de duur van het mandaat van volksvertegenwoordiger onzeker is, een schorsing zal beletten dat verzoeker voor een onherstelbare situatie komt te staan; dat om die reden wordt aangenomen dat de schorsingsvoorwaarde betreffende het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld is”, BESLUIT: Artikel
  22. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 januari 2004 tot uitvoering van de artikelen 2, § 1, zevende lid, 4, § 2, 6, § 3, tweede lid, en 10, van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte. IX-4079-10/11 Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4079-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.174 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.028 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.