id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.219 Rolnummer: A. 150334/IX-4478 Zaak: Arrest 133219 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:42 Fiche Arrest nr 133.219 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.219 van 28 juni 2004 in de zaak A. 150.334/IX-
- In zake : Bruno CRUYT, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Graanmarkt
- tussenkomende partij : Peter CALLIAUW, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bruno CRUYT op 2 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 januari 2004 waarbij Peter CALLIAUW wordt benoemd tot notaris ter standplaats Gent, ter vervanging van Bernard CRUYT, ontslagnemer, en van de daarin besloten weigering om verzoeker in dat ambt te benoemen; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-4478-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Bij koninklijk besluit van 8 december 1999 wordt Peter CALLIAUW benoemd tot notaris ter standplaats Gent, ter vervanging van Bernard CRUYT, ontslagnemer. De aan dat besluit voorafgaande procedure is gerelateerd in het hierna vermelde arrest nr. 126.
- 1.
- Het koninklijk besluit van 8 december 1999 wordt, op beroep van de huidige verzoeker Bruno CRUYT, door de Raad van State nietig verklaard bij arrest nr. 126.152, van 8 december 2003, behalve voor zover het de impliciete weigering zou hebben bevat om verzoeker te benoemen in het vacante ambt. 1.
- Bij het thans bestreden koninklijk besluit van 28 januari 2004 wordt Peter CALLIAUW opnieuw benoemd tot notaris met standplaats Gent. Dat besluit bevat de volgende motivering : IX-4478-2/11 “Gelet op het arrest nr. 126.152 van 8 december 2003 waarin de Raad van State het K.B. van 8 december 1999 waarbij Peter Calliauw wordt benoemd tot notaris ter standplaats Gent, ter vervanging van Bernard Cruyt, ontslagnemer, heeft vernietigd op grond van de ontoereikende motivering van het benoemingsbesluit; Overwegende dat, om die reden en in het belang van de continuïteit van het kantoor en zijn cliënteel, de procedure wordt hernomen op grond van de ten tijde van de vernietigde benoeming geldende wetsbepalingen, regelen en criteria en, wat het te begeven notariaat betreft, van de voorliggende dossiers van kandidaten, met de alsdan overgelegde adviezen; Overwegende dat Peter Calliauw in 1988 het diploma van licentiaat in de rechten behaalde aan de Universiteit Gent en in 1989 het diploma van licentiaat in het notariaat aan diezelfde universiteit; overwegende dat hij na zijn militaire dienst in oktober 1990 een voltijdse stage bij notaris Vandamme te Brugge heeft aangevat die hij als eerste klerk heeft beëindigd; dat hij sedert 1 juni 1994 voltijdse medewerker werd van notaris Maeterlinck te Gent; dat hij vanaf 1 maart 1999 voltijds medewerker was van notaris Butin, te Gent-Zwijnaarde die, op dat ogenblik, eveneens ontslagnemend was; Overwegende dat Peter Calliauw in verschillende stedelijke kantoren een grote en veelzijdige ervaring als voltijdse medewerker van een notaris heeft opgebouwd; dat Peter Calliauw, na een stage in een notariskantoor te Brugge, sedert 1 juni 1994 medewerker is in notariskantoren die, zoals het te begeven kantoor, eveneens te Gent zijn gevestigd; Overwegende dat de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent met betrekking tot Peter Calliauw een gunstig advies heeft gegeven; dat de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent met betrekking tot één andere kandidaat, Bruno Cruyt, een zeer gunstig advies heeft gegeven; Overwegende dat Bruno Cruyt in 1995 het diploma van licentiaat in de rechten behaalde aan de Universiteit Leuven en in 1996 het diploma van licentiaat in het notariaat aan diezelfde universiteit; overwegende dat hij na zijn studies gedurende drie maanden, van 1 augustus 1996 tot 21 oktober 1996 een voltijdse stage bij notaris Cruyt te Gent heeft aangevat; dat hij van 21 oktober 1996 tot 30 mei 1997 2 dagen per week bij notaris Cruyt en van 21 oktober 1996 tot 30 april 1998 3 dagen per week bij notaris Van den Weghe te Leuven heeft gewerkt; dat hij van 29 mei 1997 tot 30 april 1998 2 dagen per week medewerker was bij notaris Duerinck te Nevele; dat hij vanaf 1 mei 1998 voltijds als eerste klerk in dat laatste kantoor heeft gewerkt; Overwegende dat dit zeer gunstig advies van de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent m.b.t. Bruno Cruyt grondslag vindt in de overweging dat de kandidaat na het behalen van zijn diploma in de rechten zijn stage heeft aangevat op het te begeven kantoor en zich reeds op dit kantoor zou hebben kunnen inwerken en in de overweging dat hij een vertrouwensrelatie zou hebben opgebouwd met het kliënteel en het personeel zodat hij voor het kantoor waarvoor hij postuleert het meest geschikt zou zijn; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat Bruno Cruyt de drie jaar stage op het ogenblik van de vacature slechts sinds korte tijd beëindigd heeft; dat de kandidaat enkel in het begin van zijn stage, eerst voltijds en nadien deeltijds, in het te begeven kantoor heeft gewerkt; dat de kandidaat sedert 30 mei 1997 niet meer in dit kantoor werkt; dat, zoals de Raad van State in zijn hierboven vermeld arrest aangeeft, de verbondenheid van Bruno Cruyt met het te begeven kantoor dus beperkt is; dat de kandidaat hoofdzakelijk zijn stage heeft doorlopen in kantoren te Leuven en te Nevele; dat de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent die kantoren als provinciale kantoren omschrijft; dat die kantoren niet in de Stad Gent zijn gelegen; IX-4478-3/11 Overwegende dat, in die omstandigheden, voornoemde overwegingen uit het advies van de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrrondissement Gent niet kunnen opwegen tegen de beroepsgeschiktheid van Peter Calliauw, zoals die blijkt uit een ervaring van meer dan negen jaar als voltijdse medewerker van een notaris, de omstandigheid dat die ervaring in stedelijke kantoren is verworven evenals de omstandigheid dat de twee kantoren waar Peter Calliauw sedert 1 juni 1994 heeft gewerkt eveneens te Gent zijn gelegen; dat geen van de andere elementen uit het advies van de Kamer der Notarissen m.b.t. Bruno Cruyt toelaten om die vaststellingen terzijde te laten; Overwegende dat ten tijde van de vernietigde benoeming de andere kandidaten Rose-Marie Baetens, Marc Cailliau, Martine De Meyer, Jacques Hulsbosch, Francis Lemey, Erika Redel, Jozef Ruysseveldt, Bart Van De Keere, Bernard Van Steenberge en Henk Vandamme waren; dat uit de gegevens van hun dossier blijkt dat geen van de kandidaten, die nog in aanmerking komen voor de benoeming, daarvoor specifieke titels of verdiensten kunnen doen gelden die deze van Peter Calliauw inzake beroepsvoorbereiding evenaren.”;
- Overwegende dat Peter CALLIAUW met een verzoekschrift van 28 april 2004 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat aangezien hij de begunstigde is van het bestreden besluit op dat verzoek moet worden ingegaan;
- Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij twee excepties opwerpen, namelijk dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is in zoverre de vordering gericht is tegen de impliciete weigering om verzoeker te benoemen en dat het belang van verzoeker niet opweegt tegen de schade welke een nietigverklaring voor de tussenkomende partij teweeg zou brengen; dat over die excepties slechts uitspraak moet worden gedaan indien de voorwaarden voor schorsing vervuld zijn;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het beginsel van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, van het algemeen rechtsbeginsel volgens welk de overheid op gelijke, serieuze en IX-4478-4/11 concrete wijze de vaardigheden, de titels en de bekwaamheden van de kandidaten dient te vergelijken en van het algemeen beginsel volgens welk elke bestuurshandeling in rechte en in feite moet steunen op juiste, pertinente en afdoende motieven, van het adagium “patere legem quam ipse fecisti” en van de kennelijke beoordelingsfout; dat dit middel uit vijf onderdelen bestaat; 5.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel stelt dat de overweging in het bestreden besluit als zou het zeer gunstig advies van de kamer van notarissen met betrekking tot verzoeker zijn grondslag vinden in de beoordeling van de continuïteit van de dienstverlening, op een verkeerde lezing van dat advies berust; dat volgens verzoeker bij de toetsing van zijn kandidatuur ook rekening moest worden gehouden met zijn intellectuele en professionele vaardigheden en dat het zeer gunstig advies van de kamer van notarissen niet alleen betrekking had op het criterium van de continuïteit van de dienstverlening, maar ook op de beoordeling van de twee andere criteria, namelijk wetenschappelijke vaardigheden en professionele en sociale vaardigheden, en het zeer gunstig advies van de kamer mede daarop gebaseerd is; dat verzoeker daarbij vaststelt dat wat betreft die vaardigheden de bewoordingen van het advies uitgebracht over verzoeker ook gunstiger zijn dan die van het advies uitgebracht over de tussenkomende partij; 5.1.
- Overwegende dat noch ten aanzien van verzoeker noch ten aanzien van de tussenkomende partij de kamer van notarissen op het stuk van de voormelde vaardigheden erg lovende of opvallend afwijkende bewoordingen blijkt te hebben gehanteerd: verzoeker heeft “de intellectuele vaardigheid om een goed notaris te worden” terwijl de tussenkomende partij “beschikt over al de nodige (intellectuele) vaardigheden”; qua professionele en sociale vaardigheden wordt van verzoeker gezegd dat hij op twee verschillende provinciale doch drukke kantoren volledig voldoening heeft gegeven aan zijn stagemeesters en dat hij zijn menselijke kwaliteiten, van sociale omgang tot leidinggevende maturiteit, via zijn actieve inzet in de jeugdbeweging heeft uitgediept; van de tussenkomende partij wordt vermeld dat hij sinds 1990 werkzaam is in het notariaat, vaktijdschriften leest en deelneemt aan recyclage-activiteiten, dat hij vooral werkt in vennootschapsdossiers en verbintenissenrecht, handelt met een zekere zelfstandigheid en cliënteel ontvangt, dat hij bepaalde hobby’s beoefent, zonder formeel te zijn ingeschakeld in het verenigingsleven; dat louter op professioneel vlak die beoordeling gunstiger klinkt voor de tussenkomende partij terwijl verzoeker dan weer socialer ingesteld lijkt te zijn; dat hetgeen de kamer van notarissen bewogen heeft om verzoekers kandidatuur IX-4478-5/11 zeer gunstig te beoordelen en die van de tussenkomende partij alleen maar gunstig, dan ook blijkt te liggen in de onderscheiden beoordelingen die in de rubriek "Continuïteit" gegeven worden, waar het voor de tussenkomende partij luidt: "de kandidaat is niet werkzaam op het kantoor waarvoor hij thans postuleert. In huidig geval kan dit criterium niet gelden" en voor verzoeker: "de kandidaat heeft na het behalen van zijn diploma van licentiaat in het notariaat zijn stage aangevat op het kantoor waarvoor hij thans postuleert en heeft zich aldus reeds op dit kantoor kunnen inwerken. Hij heeft reeds een vertrouwensrelatie kunnen opbouwen met het hoofdzakelijk familiaal cliënteel van het kantoor en het personeel, zodat hij voor het kantoor waarvoor hij postuleert de meest geschikte kandidaat is"; dat het bestreden besluit de draagwijdte van het advies van de kamer van notarissen over verzoeker dan ook niet lijkt te miskennen door vast te stellen “dat dit zeer gunstig advies van de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent m.b.t. Bruno Cruyt grondslag vindt in de overweging (...) dat hij een vertrouwensrelatie zou hebben opgebouwd met het cliënteel en het personeel zodat hij voor het kantoor waarvoor hij postuleert het meest geschikt zou zijn”; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 5.2.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van het middel stelt dat het bestreden besluit, door te onderzoeken of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel, het criterium van de continuïteit van de dienstverlening verkeerd heeft toegepast; dat hij wat dat betreft betoogt dat bij de beoordeling van dit criterium eerst de band van de kandidaten met het betrokken kantoor moet worden onderzocht en de benoemende overheid pas in tweede instantie, wanneer geen enkele kandidaat een band heeft met het te begeven kantoor, het criterium “continuïteit” ruimer mag interpreteren en nagaan of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; dat aangezien verzoeker in het begin van zijn stage eerst voltijds en nadien deeltijds in het kantoor gewerkt had en er dus een band was met het te begeven kantoor, de benoemende overheid niet mocht nagaan of de kandidaten ervaring hadden opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; 5.2.
- Overwegende dat redelijkerwijze met “continuïteit van de dienstverlening” in eerste instantie wordt bedoeld dat de kandidaat met het betrokken kantoor zelf een hechte band heeft, en dit vooral omdat hij als medewerker van de ontslaggevende notaris heeft gefungeerd, terwijl pas in tweede instantie de benoemende overheid vermag het begrip "continuïteit" ruimer te interpreteren en IX-4478-6/11 bijvoorbeeld nagaan of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; dat de verbondenheid met het te begeven kantoor evenwel reëel en recent moet zijn, dat wil zeggen dat de betrokken kandidaat niet pro forma als stagiair of eerste klerk is ingeschreven maar er gedurende geruime tijd echt gewerkt heeft; dat verzoeker weliswaar de zoon is van de ontslaggevende notaris en op diens kantoor heeft gewerkt, maar slechts gedurende korte tijd en een aantal jaren voordien: voltijds van 1 augustus tot 21 oktober 1996, twee dagen per week van 21 oktober 1996 tot 30 mei 1997, of samen negen maanden waarvan zeven maanden deeltijds; dat hij zelfs niet de hoedanigheid van eerste klerk had; dat aldus de verwerende partij geen onredelijke beoordeling lijkt te hebben gedaan door de voorkeur te geven aan een kandidaat die negen jaar in het notariaat werkzaam was, de meeste tijd daarvan in een notariskantoor van dezelfde stad, eerder dan aan een kandidaat die in het verleden voor slechts korte tijd in het kantoor zelf werkzaam was geweest; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 5.3.
- Overwegende dat verzoeker in het derde onderdeel van het middel stelt dat, zelfs indien het begrip continuïteit ruim geïnterpreteerd moet worden en rekening wordt gehouden met de ervaring van de kandidaten in een kantoor met een gelijkaardig profiel, de benoemende overheid dat criterium niet op gelijke wijze heeft toegepast en derhalve de beslissing niet regelmatig heeft gemotiveerd; dat hij dienaangaande laat gelden: - dat de anciënniteit van de kandidaten in het notarieel werk, alsmede het feit dat zij voltijds of deeltijds gewerkt hebben, niet relevant is bij de beoordeling van de ervaring opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; - dat het feit dat hij zijn stage kort voor de vacature beëindigd had, terwijl de benoemde kandidaat sinds meer dan negen jaar als voltijds medewerker van een notaris werkzaam is, irrelevant is om de ervaring te beoordelen in een kantoor met een gelijkaardig profiel; - dat het bestreden besluit slechts de stageperiode van verzoeker onderzoekt, terwijl voor de benoemde kandidaat ook rekening wordt gehouden met de periode na de stage; - dat het bestreden besluit vermeldt dat de benoemde kandidaat een “grote en veelzijdige ervaring” heeft opgebouwd, zonder dat die ervaring wordt vergeleken met de ervaring van verzoeker; - dat het bestreden besluit vermeldt dat verzoeker zijn stage hoofdzakelijk doorlopen heeft in kantoren in Leuven en Nevele, zonder rekening te houden met het feit dat hij een deel van zijn stage in Gent in het te begeven kantoor was begonnen; IX-4478-7/11 - dat het bestreden besluit vermeldt dat de kantoren in Leuven en Nevele provinciale kantoren zijn en de benoemde kandidaat ervaring heeft opgedaan in stedelijke kantoren, terwijl de kantoren in Leuven en Nevele evengoed stedelijke kantoren zijn; - dat het bestreden besluit geen rekening houdt met de vermelding in het advies van de kamer van notarissen dat de kantoren waar verzoeker gewerkt heeft “drukke kantoren” zijn; 5.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit vaststelt dat verzoeker “enkel in het begin van zijn stage, eerst voltijds en nadien deeltijds, in het te begeven kantoor heeft gewerkt; dat de kandidaat sedert 30 mei 1997 niet meer in dit kantoor werkt; dat, zoals de Raad van State in zijn hierboven vermeld arrest aangeeft, de verbondenheid van Bruno Cruyt met het te begeven kantoor dus beperkt is; dat de kandidaat hoofdzakelijk zijn stage heeft doorlopen in kantoren te Leuven en te Nevele; dat de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent die kantoren als provinciale kantoren omschrijft; dat die kantoren niet in de Stad Gent zijn gelegen”; dat wat de benoemde kandidaat betreft het bestreden besluit vaststelt dat hij meer dan negen jaar ervaring heeft in stedelijke kantoren en dat de twee kantoren waar hij sedert 1 juni 1994 heeft gewerkt eveneens te Gent zijn gelegen; Overwegende dat niet valt in te zien waarom, zoals verzoeker betoogt, de benoemende overheid geen rekening mocht houden met “de anciënniteit” en met het feit dat hij voltijds of deeltijds gewerkt heeft; dat zoals gezien verzoekers verbondenheid met het te begeven kantoor “beperkt” was, aangezien hij er enkel bij het begin van zijn stage een aantal maanden, meestal deeltijds, gewerkt heeft en daarna niet meer, terwijl Peter CALLIAUW sedert 1 juni 1994 gewerkt heeft in kantoren die te Gent gelegen zijn -Zwijnaarde maakt deel uit van de stad Gent- en verzoeker, buiten een beperkt deel van zijn stage, uitsluitend werkzaam was in kantoren buiten Gent; dat Peter CALLIAUW bovendien ook nog vier jaar -van 1990 tot 1994- buiten Gent heeft gewerkt; dat de beoordeling van de kandidaten die het bestreden besluit maakt op basis van het criterium “continuïteit van de dienstverlening” dan ook niet kennelijk onredelijk is en zij op afdoende wijze het zeer gunstig advies dat de kamer van notarissen op basis van dat criterium over verzoeker heeft uitgebracht, vermag te weerleggen; dat de overige argumenten die verzoeker in het derde onderdeel van het middel aanvoert geen betrekking hebben op de toetsing van het criterium “continuïteit van de dienstverlening”, maar veeleer op de beoordeling van de professionele bekwaamheid van de kandidaten, welke hierna bij IX-4478-8/11 de bespreking van het vierde onderdeel van het middel aan bod komt; dat het derde onderdeel van het middel niet ernstig is; 5.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde onderdeel stelt dat de anciënniteit van de kandidaten in het notarieel werk, alsmede het feit dat zij voltijds of deeltijds gewerkt hebben, niet relevant is om hun professionele vaardigheden te beoordelen, dat bovendien de ligging van het kantoor en zijn al dan niet stedelijk of provinciaal karakter op zich niet bepalend is, aangezien rekening moet worden gehouden met het type cliënteel en dossiers, alsmede met het aantal verleden akten om de ervaring van de kandidaten te kunnen beoordelen; dat volgens verzoeker het bestreden besluit er zich toe beperkt te stellen dat de benoemde kandidaat een grote en veelzijdige ervaring heeft opgebouwd, zonder de redenen te vermelden die aan die beoordeling ten grondslag liggen, en geen rekening houdt met het feit dat verzoeker in een kantoor in de stad Gent gewerkt heeft en dit kantoor, zoals de kantoren in Nevele en Leuven, stedelijke kantoren zijn, terwijl het kantoor in Gent-Zwijnaarde, waar de benoemde kandidaat sinds 1994 werkt, buiten de stad Gent gelegen is; dat de aangevochten beslissing ook geen rekening houdt met het feit dat de kantoren waar verzoeker werkzaam was door de kamer van notarissen als “drukke kantoren” gekenmerkt worden; dat zij zich beperkt tot algemeenheden die de professionele geschiktheid van de benoemde kandidaat niet concreet aantonen en niet aangeeft waarom wordt afgeweken van het advies van de kamer van notarissen dat de professionele vaardigheden van verzoeker gunstiger beoordeeld heeft; 5.4.
- Overwegende dat, zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel van het middel is gebleken, vooreerst niets erop wijst dat de kamer van notarissen de professionele bekwaamheid van verzoeker gunstiger zou hebben beoordeeld dan die van de tussenkomende partij en dat de beoordeling van het criterium “continuïteit” voor de kamer van notarissen de determinerende reden was om over verzoeker een “zeer gunstig” en over de tussenkomende partij een “gunstig” advies uit te brengen; dat het bestreden besluit overweegt dat de redenen welke ten grondslag lagen aan het zeer gunstig advies dat de kamer van notarissen over verzoeker uitbracht “niet kunnen opwegen tegen de beroepsgeschiktheid van Peter Calliauw, zoals die blijkt uit een ervaring van meer dan negen jaar als voltijdse medewerker van een notaris, de omstandigheid dat die ervaring in stedelijke kantoren is verworven evenals de omstandigheid dat de twee kantoren waar Peter Calliauw sedert 1 juni 1994 heeft gewerkt eveneens te Gent zijn gelegen”; IX-4478-9/11 Overwegende dat, ook al moet de anciënniteit van de kandidaten op zichzelf niet als doorslaggevend worden beschouwd, de benoemende overheid niettemin in redelijkheid kon oordelen dat, daar waar verzoeker zijn drie jaar stage bij het ontstaan van de vacature slechts sinds kort beëindigd had, de tussenkomende partij vanwege haar aanzienlijk langere beroepservaring in stedelijke kantoren - meer bepaald sedert 1 juni 1994 ook in Gent - grotere aanspraken op de benoeming kon doen gelden; dat, anders dan verzoeker stelt, de benoemende overheid bij die beoordeling geen rekening heeft gehouden met het feit of de kandidaten voltijds of deeltijds gewerkt hebben, welk deeltijds karakter van verzoekers activiteit maar ter sprake komt bij de beoordeling van diens verbondenheid met het te begeven kantoor; dat men de verwerende partij voorts niet kan verwijten er de aandacht op te hebben gevestigd dat de benoemde kandidaat sinds 1 juni 1994 werkt in kantoren in Gent, terwijl verzoeker hoofdzakelijk werkzaam was in kantoren in Leuven en Nevele, hetgeen -daargelaten de vraag of die kantoren in navolging van het advies van de kamer van notarissen “provinciale kantoren” genoemd kunnen worden- erop wijst dat zijn professionele verbondenheid met de omgeving waar hij het geambieerde notarisambt zou uitoefenen, in vergelijking met die van de benoemde kandidaat beperkt is; dat de omstandigheid dat die kantoren “drukke kantoren” zijn aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat het vierde onderdeel van het middel niet ernstig is; 5.5.
- Overwegende dat verzoeker in het vijfde onderdeel van het middel uit de vier vorige onderdelen afleidt dat de motieven van het bestreden besluit als enig doel hebben de tussenkomende partij te benoemen, en dat derhalve een “vooroordeel en willekeur” en geen objectieve, onpartijdige en gemotiveerde analyse en vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt; 5.5.
- Overwegende dat het vijfde onderdeel van het middel geen nieuwe argumenten bevat; dat de argumenten uiteengezet in de andere onderdelen, zoals gezien, niet overtuigend lijken; dat ook het samenlezen ervan niet op onwettigheid of onredelijkheid wijst; dat geen onregelmatigheid kan worden ontwaard in het feit dat de verwerende partij, wier eerste benoemingsbesluit vernietigd werd wegens een ontoereikende motivering, haar besluit herneemt met ditmaal wel een afdoende motivering; dat ook het vijfde onderdeel van het middel niet ernstig is; IX-4478-10/11
- Overwegende dat de vaststelling dat aan een der voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Peter CALLIAUW in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4478-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.219 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.