← België

Arrest 133220 - - 28/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.220 Rolnummer: A. 64042/X-9622 Zaak: Arrest 133220 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-15 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:42 Fiche Arrest nr 133.220 van 28 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.220 van 28 juni 2004 in de zaak A. 64.042/X-

  1. In zake : Jean BROERS, die woonplaats kiest bij Advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 3400 LANDEN, Brugstraat 17 tegen : het Vlaamse Gewest. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean BROERS op 12 juni 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 december 1994 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende rangschikking als landschap overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 om reden van natuurwetenschappelijke en esthetische waarde van het gebied, "het dal van de Berwijn tussen Moelingen en Berneau" te Voeren (Moelingen), zoals afgebakend op bijgaand plan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 maart 1995; Gelet op het arrest nr. 56.364 van 17 november 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 3 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-9622-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 april 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die, loco Advocaat J. PEETERS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat R. DENYS die, loco Advocaat K. VAN HOOREBEKE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming bij het bestreden besluit van 23 december 1994 heeft gerangschikt als landschap, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen om reden van natuurwetenschappelijke en esthetische waarde "het dal van de Berwijn tussen Moelingen en Berneau" te Voeren (Moelingen), zoals afgebakend op het plan bij het bestreden besluit; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie opwerpt wat volgt : "Verzoekende partij sluit zich aan bij het verslag van de heer Auditeur welke terecht van mening is dat de bestreden beslissing werd genomen met miskenning van de delegatieregels vervat in de artikelen 69 van de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen van 8 augustus 1980 en met miskenning van de artikelen 1 & 2 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 oktober 1992, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Executieve van 07 april 1993; Dat het niet toekwam aan de toenmalige Vlaamse Gemeenschapsminister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming om aan verzoekende partij verbodsbepalingen op te leggen welke behoorden tot het bevoegdheidsdomein van andere leden van de Vlaamse Executieve en/of van de Federale Regering; De verbodsbepalingen opgelegd aan verzoekende partij in artikel 2, A, 1 en 2 van het bestreden besluit behoorden tot het bevoegdheidsdomein van de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening; X-9622-2/5 De verbodsbepalingen opgelegd aan verzoekende partij in artikel 2, A, 8 en 9 van het bestreden besluit behoorden tot het bevoegdheidsdomein van de Vlaamse Minister bevoegd voor Landbouw; (...)"; Overwegende dat de verwerende partij hier als volgt in haar laatste memorie op antwoordt : "(...) (V)oor zover de landschapsbescherming van het landschap van het gebied omschreven in de bestreden beslissing als 'Het Dal van de Berwijn tussen Moelingen en Berneau' en gelegen te VOEREN (deelgemeente Moelingen) noopte tot het opleggen van specifieke beschermingsvoorschriften die eveneens betrekking zouden hebben op ruimtelijke ordening en landbouw, moet gesteld worden dat deze beschermingsvoorschriften noch het landbouwbeleid noch de ruimtelijke ordening doorkruisen en er dus geen sprake kan zijn van een betrokkenheid van de bevoegdheid van andere leden van de Vlaamse Regering, zoals bedoeld in het delegatiebesluit van de Vlaamse Executieve van 20 oktober 1992 gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Executieve van 07 april
  2. Het loutere feit dat er bepalingen in het beschermingsbesluit zouden opgenomen zijn die een beperking zouden kunnen leggen op de uitbating van landbouwondernemingen of die de ruimtelijke ordening betreffen, wat tot de bevoegdheid van een ander lid van de Vlaamse Regering zou behoren, volstaat op zich niet om te spreken van een betrokken bevoegdheid waardoor ook de desbetreffende minister van de Vlaamse Regering mede diende te ondertekenen. Het is inderdaad vereist dat bepaalde bepalingen van het beschermingsbesluit daadwerkelijk het landbouwbeleid beïnvloeden of een impact hebben op de ruimtelijke ordening. Een louter theoretische betrokken bevoegdheid volstaat derhalve niet. (...)"; Overwegende dat het bestreden besluit genomen is door minister J. SAUWENS, die overeenkomstig het besluit van 20 oktober 1992 van de Vlaamse regering tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering bevoegd is voor de monumenten en de landschappen; dat in artikel 2 van het rangschikkingsbesluit verschillende beperkingen aan de rechten van de eigenaars worden gesteld, "voor de behartiging van het nationaal belang"; dat onder meer verboden wordt het oprichten van gebouwen en constructies of het plaatsen van inrichtingen, elke activiteit die een belangrijke wijziging van de waterhuishouding voor gevolg kan hebben, inzonderheid het graven van afwateringskanalen, het uitvoeren van draineringswerken en wateraftappingen, welke van aard zijn het grondwaterpeil zodanig te beïnvloeden, dat de aanwezige flora en fauna of de bestaande beplantingen in gevaar worden gebracht, om het even welk werk dat de aard van de grond, het uitzicht van het terrein of het hydrografisch net zou kunnen wijzigen, inzonderheid het verrichten van opgravingen, boringen of grondwerken, de X-9622-3/5 ontginning van materialen, het aanvoeren van grond en het aanleggen van opspuitterreinen; Overwegende dat de verbodsbepalingen van het bestreden besluit die het oprichten betreft van gebouwen en constructies en het plaatsen van inrichtingen, direct verband houden met de op het ogenblik van het besluit aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden toegewezen bevoegdheden; dat de verbodsbepalingen met betrekking tot de waterhuishouding en het hydrografisch net direct verband houden met de bevoegdheid voor het leefmilieu, de landinrichting, natuurbehoud en het waterbeleid van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting; Overwegende dat volgens het artikel 2, § 1, 1°, van het besluit van 20 oktober 1992 van de Vlaamse regering tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse regering, de leden delegatie hebben voor het nemen van beslissingen, rekening houdend met de bevoegdheidsverdeling, voor de toepassing van onder meer de wetten en decreten; dat, gelet op § 2 van het artikel 2, die delegatie ook geldt wanneer de beslissing wegens de bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse regering tot de bevoegdheid van meer dan één lid behoort, maar de beslissing dan door de bevoegde leden van de Vlaamse regering gezamenlijk moet worden genomen; dat de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, bevoegd voor de monumenten en de landschappen, niet bevoegd was om de bestreden beslissing alleen te treffen; dat de verwerende partij derhalve niet kan worden gevolgd waar zij in haar laatste memorie stelt dat het vereist is dat de bepalingen van het beschermingsbesluit daadwerkelijk een impact hebben op de ruimtelijke ordening en dat een "louter theoretisch betrokken bevoegdheid" niet volstaat; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt het besluit van 23 december 1994 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende rangschikking als landschap overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 om reden van natuurwetenschappelijke en esthetische waarde van X-9622-4/5 het gebied, "het dal van de Berwijn tussen Moelingen en Berneau" te Voeren (Moelingen), zoals afgebakend op bijgaand plan. Artikel
  4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  5. De kantmelding wordt bevolen van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het eerste hypotheekkantoor te Tongeren. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de in artikel 3 van dit arrest vermelde kantmelding komen eveneens ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9622-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.