id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.233 Rolnummer: A. 111493/XIV-6939 Zaak: Arrest 133233 - - 28/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:42 Fiche Arrest nr 133.233 van 28 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.é van 28 juni 2004 in de zaak A. 111.493/XIV-
- In zake : XXX, wonende te 1080 BRUSSEL, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 februari 1974 en van Guinese nationaliteit, op 12 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van 13 september 2001, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-6939-1/5 Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 juni 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.P. VIDICK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 13 november 1999 en verklaart zich vluchteling op 16 november
- 1.
- Op 8 februari 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 juni 2000 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing dat verder onderzoek noodzakelijk is. 1.
- Op 20 juni 2000 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Op 16 januari 2001 bevestigt de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen voornoemde beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
- Op 26 februari 2001 dient verzoeker een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 20 december 2001 verklaart de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag onontvankelijk. XIV-6939-2/5 1.
- Op 13 september 2001 geeft de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijk- heid opwerpt wegens gebrek aan belang in hoofde van verzoeker; dat de verwerende partij aanvoert dat “de bestreden maatregel geen uitwerking (kreeg) ingevolge het uitblijven van de beslissing omtrent de aanvraag om tot voorlopig verblijf te worden toegelaten”; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf een beslissing heeft genomen op 20 december 2001; dat verzoeker bijgevolg getuigt van het rechtens vereiste actueel belang; dat de exceptie wordt verworpen; Overwegende dat de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van de vrijheidsberovende maatregel; dat deze maatregel niet meer actueel is, vermits verzoeker op dit ogenblik een vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- Over de gegrondheid. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en tevens machtsafwending en machtsoverschrijding aanvoert, strijdig met artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker uiteenzet dat de bestreden beslissing geen verwijzing inhoudt naar zijn aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, noch naar zijn asielaanvraag; dat hij daaraan toevoegt dat hij wel beschikt over middelen van bestaan, met name een OCMW-uitkering; dat een verwijzing naar verzoekers occasionele tewerkstelling van korte duur de bestreden beslissing niet verantwoordt; dat verzoeker in zijn land van herkomst zal worden vervolgd; Overwegende dat de in de wet van 29 juli 1991 voorgeschreven uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat hij kan oordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat verzoeker kritiek uitbrengt op de inhoud van de motivering, zodat de schending van de materiële motiveringplicht wordt aangevoerd en het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat in de bestreden beslissing verwezen wordt naar artikel 7, eerste lid, 1/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet): “verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: de XIV-6939-3/5 betrokkene is niet in het bezit van een paspoort voorzien van een visum” en naar artikel 7, eerste lid, 8/, van dezelfde wet: “oefent een beroepsbedrijvigheid als zelfstandige in ondergeschikt verband uit, zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste machtiging”; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing tevens aanstipt dat verzoeker niet met eigen middelen kan vertrekken, dat er een risico bestaat op illegale arbeid, aangezien verzoeker zich daaraan reeds schuldig heeft gemaakt; dat de bestreden beslissing bijgevolg zowel de juridische als feitelijke motieven vermeldt waarop zij is gesteund; dat deze motieven pertinent en draagkrachtig zijn en op afdoende wijze de bestreden beslissing schragen; dat de verwijzing door verzoeker naar de asielprocedure en naar artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet ter zake dienend is, vermits zowel in de asielprocedure als in de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf eindbeslissingen zijn tussengekomen en verzoeker zich bijgevolg illegaal op het grondgebied bevindt, zoals op goede gronden wordt overwogen in het bestreden bevel; Overwegende dat verzoeker de aangevoerde schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet uitwerkt; dat dit onderdeel van het middel niet tot de nietigverklaring van het bestreden bevel kan leiden; dat de verwerende partij verantwoordelijk is voor de effectieve tenuitvoerlegging van het bestreden bevel; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat verzoeker geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van het bestreden bevel kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-6939-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6939-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.