id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.258 Rolnummer: A. 150030/VII-31895 Zaak: Arrest 133258 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:45 Fiche Arrest nr 133.258 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.258 van 29 juni 2004 in de zaak A. 150.030/VII-31.895. In zake : de stad TIELT, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. BEKAERT, kantoor houdende te TIELT, Hoogstraat 34 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de n.v. L.D.S., gevestigd te ZEDELGEM, Notenbosdreef 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad TIELT op 26 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 22 januari 2004, houdende inwilliging van het beroep ingediend door de n.v. LDS/ASPIRAVI, gevestigd te Zedelgem, Notenbosdreef 2, tegen de beslissing van 30 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Tielt waarbij de vergunning geweigerd wordt voor een inrichting gelegen te Tielt, Szamotulystraat zn, met als voorwerp het exploiteren van twee windturbi- nes; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-31.895-1/18 Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 27 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. BEKAERT die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij en van bestuurssecretaris P. DESENDER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 14 april 2004 de n.v. L.D.S., houder van de bestreden vergunning heeft gevraagd in de debatten te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Op 14 maart 2003 dienen de voorgangers van de tussenkomen- de partij, de n.v. ASPIRAVI en de n.v. ELECTRAWINDS, een milieuvergun- ningsaanvraag klasse 2 in bij het gemeentebestuur van Tielt voor het exploiteren van twee windturbines, gelegen te Tielt, Szamatolylstraat, op de kadastrale percelen, afdeling 2, sectie E, nrs. 609 en 571a. De inrichting is gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie (gewestplan Roeselare-Tielt). 2.2. Naar aanleiding van deze aanvraag wordt schriftelijk bezwaar ingediend door de nabij gelegen n.v. LECOUTER (Concessiehouder BMW Belgium), dat als volgt kan samengevat worden: risico op ongevallen, verwarring omtrent termijn openbaar onderzoek n.a.v. de bouwaanvraag, beperking voor naburige bedrijven qua uitbreiding, hinderlijke slagschaduw, grote lawaaihinder, visuele hinder, verlies van eigendomswaarde, gevaar door ijsafzetting, en het feit dat windmolens niet voorzien zijn in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. VII-31.895-2/18 Er wordt tevens door middel van een typebrief schriftelijk bezwaar ingediend door de echtgenote van de heer LECOUTER en de werknemers van zijn bedrijf. De stedelijke milieudienst is van oordeel dat de aangevoerde bezwaren onvoldoende zwaar wegen en geeft een gunstig advies mits naleving van alle geldende voorschriften. 2.3. Op 30 juli 2003 besluit het college van burgemeester en schepenen van de stad Tielt de aanvraag van de tussenkomende partij te weigeren op grond van de volgende motieven : "Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen als volgt kunnen worden geëvalueerd: - bij de huidige regelgeving moeten turbines met een vermogen tot 1500 kW op minimum 250 meter van woningen worden ingeplant. De huidige afstanden 250,4 en 251,4 meter liggen zeer dicht bij deze minimumwaar- den. Bovendien betreft het hier turbines van 2000 kW, die op dit moment op zee worden voorzien (omzendbrief EME/2000.01). - in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan zal aandacht worden besteed aan de mogelijke inplanting van windmolens; nu al windmolens inplanten op het huidige industrieterrein zou het GRS kunnen compromitteren. Bovendien is de situatie op het industrieterrein zo dat bedrijfswoningen mogen worden opgericht. Deze woningen zouden zich dan binnen een straal van 250 meter bevinden. - Bij de aanleg van het industrieterrein werd geen rekening gehouden met de mogelijke veiligheidsrisico’s van windmolens. Ook de bedrijven die er nu al aanwezig zijn, zijn niet voorzien op de mogelijke risico’s en hinder die windmolens met zich mee kunnen brengen.". Verzoeker neemt op 11 september 2003 kennis van deze beslissing. 2.4. De tussenkomende partij dient op 9 oktober 2003 een uitvoerig gemotiveerd beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Volgende adviezen worden gegeven : - de afdeling Milieuvergunningen adviseert het beroep gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen mits het opleggen van o.m. bijzondere vergunningsvoorwaarden; - het Instituut voor Natuurbehoud (aanbevelingen in het kader van mogelijke impact op vogels) geeft positief advies; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert het beroep gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen mits het opleggen van bijzonde- VII-31.895-3/18 re vergunningsvoorwaarden, zij het dat er tevens een minderheidsstand- punt is m.b.t. de turbine gelegen aan de rand van het industriegebied, grenzend aan landschappelijk waardevol agrarisch gebied; volgens dit standpunt is er zeker een betere schikking van de turbines mogelijk met het oog op het vermijden van zoveel mogelijk hinder. 2.5. Op 22 januari 2004 beslist de bestendige deputatie het beroep gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen mits het naleven van de algemene en bijzondere voorwaarden. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundi- ge en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaan- vraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkun- dige voorschriften; Overwegende dat er zich geen officiële vogel- en habitatrichtlijngebieden, Ramsargebieden of natuurgebieden in de directe omgeving van de locatie bevinden; dat er in de directe omgeving geen bijzonder vogelrijke gebieden gesitueerd zijn; dat er geen belangrijke plaatselijke (en seizoensgebonden) vliegbewegingen over de locatie bekend zijn; dat er dus relatief weinig negatieve effecten op de vogelpopulaties te verwachten zijn; Overwegende dat de uitgangspunten van de uitgevoerde veiligheidsstudie dezelfde zijn dan deze bij vorige aanvragen; dat de aannames en berekening- en geldig blijven voor dit project; dat het immers windturbines van hetzelfde type, merk en vermogen betreft; dat de karakteristieken van de omgeving vergelijkbaar zijn (rand industriegebied met naastgelegen dun bevolkt agrarisch gebied); dat de resultaten van de individuele risicocontouren aantonen dat het risico voor de directe omgeving beperkt wordt tot een aanvaardbaar niveau; dat er overeenkomsten zijn met de eigenaars voor de gronden waarop de windturbines komen te staan, en waarover de wieken komen; dat tengevolge van deze overeenkomst deze eigenaars niet meer als derden te beschouwen zijn; Overwegende dat er van direct groepsrisico slechts sprake is vanaf een ongeval met 10 doden of meer; dat het gebied schaars bevolkt is en een ongeval normaal geen aanleiding zal geven tot een ongeval met meer dan 10 doden bij de omwonenden; dat er dus geen direct groepsrisico is; Overwegende dat de veiligheidsstudie aantoont dat er geen probleem is i.v.m. het direct individueel passanten risico en verwachtingswaarde, noch met de indirecte risico's t.g.v. bedrijven in de nabijheid; Overwegende dat er voldaan kan worden aan de richtlijnen van de omzendbrief EME/2000.01; dat er af en toe overschrijdingen kunnen zijn vooral gedurende de nachtperiode zonder monitoring, afhankelijk van de windrichting en de windsnelheid; dat een monitoring noodzakelijk is en het aangewezen is dat er een verslag wordt opgemaakt van deze monitoring gedurende de eerste twee jaar van de exploitatie, waarin aangetoond wordt dat er effectief altijd kan worden voldaan aan het streefdoel van de Omzend- brief; dat bij het naleven van de Omzendbrief ook de milieukwaliteitsdoelstel- lingen zullen worden gerespecteerd; dat de exploitant een overeenkomst heeft met de dichtstbijgelegen bewoner; VII-31.895-4/18 Overwegende dat er een schaduwstudie is uitgevoerd; dat de conclusies van het rapport als volgt kunnen worden samengevat: - dat bij 1 bedrijfswoning er een beperkte overschrijding is (nl. 35 uur) tegenover de internationaal aanvaarde norm van 30 uur; dat voor deze woning een hoge haag en begroeiing staat die de zon (en dus ook de slagschaduw) deels afschermt; dat de limiet van 30 uur slagschaduw dus normaal niet bereikt zal worden; - dat er nog 2 bedrijfsgebouwen zijn ten noorden van de windturbine 1 die 37 en 38 uren slagschaduw per jaar zullen ondervinden; dat rekening houdend met de niet permanente aanwezigheid (weekends, verlof) de hinder tengevol- ge van slagschaduw beneden de 30 uur zal blijven; dat het toch is aangewezen dat de exploitant een monitoring opstelt, waarbij gedurende de 2 eerste exploitatiejaren, de effectieve uren aan slagschaduw worden geregistreerd; dat op basis van dit verslag later een monitoring van de windturbines kan opgelegd worden indien zou blijken dat de exploitatie teveel hinder onder de vorm van slagschaduw met zich zou meebrengen; Overwegende dat voor het beperken van het flikkereffect de windturbines met een matte grijze verf zullen worden bedekt; Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden: "Het type is al geplaatst in Eeklo en Zedelgem. Dus het kan op land. We hebben een uitgebreide geluidsstudie gemaakt n.a.v. het beroep. Er is een overeenkomst met de dichtstbijgelegen bewoner die akkoord gaat met de exploitatie. Er is een veiligheidsstudie gebeurd door de deskundige dhr. Bergman en het risico blijft aanvaardbaar. De rotor is slechts 70m i.p.v. 80 zodat slagschaduw vermindert met 19 à 20%. Het geluidsvermogen is 105,5 dB(A)."; Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen; Overwegende dat de exploitatie van het toelaatbare deel van de inrichting verenigbaar moet gemaakt worden met de omgeving, zowel wat betreft de risico's voor de externe veiligheid als wat betreft de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting; Dat het daarom noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die technisch haalbaar zijn en voldoen aan de vereiste van best beschikbare schone technologie zonder overmatig hoge kosten; dat de technische criteria en de van toepassing zijnde normen vanuit dit uitgangspunt gehanteerd worden; dat deze voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in bijlage; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering/exploitatie, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning toe te staan;". Artikel 4 van het beschikkend gedeelte luidt als volgt : "De in artikel 1 bedoelde vergunning is afhankelijk van de strikte naleving van de volgende voorwaarden : VII-31.895-5/18 De algemene en sectorale voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van titel II van het Vlarem. Ter informatie volgt hierna een niet-limitatieve opsomming van toepasselijke algemene en sectorale bepalingen uit titel II van het Vlarem (waarvan, in voorkomend geval, enkel de aangeduide artikelen van toepassing zijn) : VO1 : Algemene Milieuvoorwaarden - Algemeen : Hoofdstuk 4.1. en bijlage 4.1.8. V35 : Electriciteit : hoofdstuk 5.12. Dit doet niets af van de strikte naleving van de volgende voorwaarden : Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II, Belgisch Staatsblad dd. 31 juli 1995), gewijzigd bij besluit van 6 september 1995, bij besluit van 26 juni 1996, bij besluit van 3 juni 1997, bij besluiten van 17 december 1997, bij besluit van 24 maart 1998, bij besluit van 6 oktober 1998, bij besluit van 19 januari 1999, bij besluit van 15 juni 1999, bij besluit van 3 maart 2000, bij besluit van 17 maart 2000, bij besluit van 17 juli 2000, bij besluit van 13 oktober 2000, bij besluit van 19 januari 2001 bij besluiten van 20 april 2001, bij besluit van 13 juli 2001, bij besluit van 18 januari 2002, bij besluit van 25 januari 2002, bij besluit van 31 mei 2002, bij besluiten van 14 maart 2003, bij besluit van 21 maart 2003 en het besluit van 19 september 2003; In het geval van verandering (uitbreiding) van een lopende vergunning gelden voor de tot op heden nog niet vergunde inrichtingen in principe steeds de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van titel II van het Vlarem (met uitzondering van de inplantingsregels indien vergroting minder dan 100 % bedraagt), en dit voor zover de sectorale voorwaarden geen afwijkende regeling bevatten. De in de vroegere vergunningen reeds opgelegde voorwaarden blijven eveneens van kracht. Bijzondere voorwaarden : - de veiligheidsmaatregelen voorgesteld in het aanvraagdossier dienen strikt te worden toegepast. - De windturbines moeten minimaal voorzien worden van een dubbele redundante ijsdetectie. - De uitgevoerde veiligheidsstudie moet elke 4 jaar wordt geactualiseerd aan de hand van nieuw verworven kennis i.v.m. de evolutie van de faalkansen, de uitgangspunten van de risicoberekening, de ongevallenca- suïstiek in het algemeen in de tijd, de invloed van de veroudering van de turbines... Deze studie wordt opgestuurd aan de milieuvergunnende overheid en de Afdeling Milieuvergunningen, buitendienst West- Vlaanderen. - Een onderhoudsschema en een periodieke kwaliteitscontrole voor de windturbines wordt uitgewerkt en toegepast voor de verantwoordelijk- heid van een erkend veiligheidsdeskundige. Deze gegevens worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende ambtenaren van Milieu- inspectie. - de exploitant dient een monitoring op te stellen gedurende de eerste twee jaar van de exploitatie, waarin aangetoond wordt dat de windturbines kunnen uitgebaat worden zodat het specifieke geluid ter hoogte van de meest nabije woningen beneden het gestelde streefdoel van de Omzend- brief EME/2000.01 blijft; dit gebeurt onder het toezicht van een erkend geluidsdeskundige; de meetresultaten worden opgestuurd naar de vergunningverlenende overheid, de Afdeling Milieuvergunningen; VII-31.895-6/18 - De exploitant moet een monitoring opstellen gedurende de eerste 2 jaar van de exploitatie, waarin aangetoond wordt dat het windturbinepark kan uitgebaat worden op zodanige wijze dat de hinder tengevolge van slagschaduw ter hoogte van de meeste nabije woningen en burelen beneden een aanvaardbaar niveau blijft. De resultaten van deze monito- ring worden opgestuurd jaar (sic) naar de milieuvergunnende overheid en de Afdeling Milieuvergunningen, buitendienst West-Vlaanderen. - teneinde het flikkereffect te beperken dienen de wieken van de windmo- len te worden uitgevoerd in een matte grijze kleur of een vergelijkbare kleur"; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; dat zij het middel als volgt adstrueert : "De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd (art. 2). De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen. Ze moeten afdoende zijn. 1. Het College van Burgemeester en Schepenen motiveert zijn beslissing als volgt : 'In het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan zal aandacht worden besteed aan de mogelijke inplanting van windmolens; nu al windmolens inplanten op het huidige industrieterrein zou het GRS kunnen compromitteren. Bovendien is de situatie op het industrieterrein zo dat bedrijfswoningen mogen worden opgericht. Deze woningen zouden zich dan binnen een straal van 250 meter bevinden.' In het bestreden besluit is nergens sprake van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. Dit is nochtans een wezenlijk punt. De gemeente is het meest aangewezen niveau voor de bepaling van de locaties voor individuele windturbi- nes of clusters tot 3 windturbines. Vanuit het principe van gedecentreerde bundeling is de meest aangewezen werkwijze dat de gemeente in het kader van het gemeentelijk structuurplanningsproces de locaties aangeeft die vanuit ruimtelijk oogpunt in aanmerking komen voor de clustering van individuele windturbines en dat zij vervolgens deze locaties in gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aftekent. Deze werkwijze schept tevens de mogelijkheid dat de betrokken gemeente de betrokken gronden onteigent of ze in concessie geeft aan geïnteresseerde initiatiefnemers. VII-31.895-7/18 Het is de bedoeling windturbines zoveel als mogelijk te bundelen met het behoud van de nog resterende open ruimte in het sterk verstedelijkte Vlaande- ren. De voorkeur gaat dan ook uit naar het realiseren van windenergie opwekking door middel van een clustering de in het Windplan geselecteerde locaties veel eer dan een verspreide inplanting van verschillende industriële turbines (zie omzendbrief artikel M.4.4.1 17 juli 2000, B.S. 1.09.2000 stuk 8). In het gemeentelijk plan kan de Gemeente voorzien dat er een erfdienstbaar- heidszone komt. Het aanvullend stedebouwkundig voorschrift 'gebied voor windturbines' kan voorzien worden in functie van de rechtszekerheid (zie omzendbrief artikel 4.2). De Bestendige Deputatie gaat hier dan ook volstrekt voorbij aan dit planologisch argument van de stad Tielt, verzoekster. 2. 'bij de huidige regelgeving moeten turbines met een vermogen tot 1500 kW op minimum 250 meter van woningen worden ingeplant. De huidige afstanden 250,4 en 251,4 meter liggen zeer dicht bij deze minimumwaarden.' In de bestreden beslissing wordt nergens op dit argument ingegaan. 3. De stad Tielt overweegt verder: 'Bovendien betreft het hier turbines van 2000 kW, die op dit moment op zee worden voorzien (omzendbrief EME/2000.01).' De Bestendige Deputatie zegt in de bestreden beslissing niets over het feit dat het om turbines gaat die op zee worden voorzien door de omzendbrief (zie p. 10) 4. De stad Tielt overweegt verder: 'Bij de aanleg van het industrieterrein werd geen rekening gehouden met de mogelijke veiligheidsrisico’s van windmolens.' De Bestendige Deputatie zegt niets over de aanleg van het industrieterrein. Bij de aanleg werd niet gedacht aan windmolens en mogelijke veiligheidsrisico’s. Nochtans is dit een wezenlijk gegeven. Windturbines beperken immers de vrije vormen van inrichting van het gebied, wat economisch dient afgewogen te worden. Aan de rand van deze gebieden en langs lijninfrastructuren binnen het industriegebied, kan dit minder spelen, maar zal bij de beoordeling van de mogelijke inplanting van turbines met de mogelijke uitbreiding van het industriegebied moeten rekening gehouden worden. De mogelijke effecten van de inplanting van windturbines ten aanzien van efficiënt bodemgebruik of eventuele verstoring van uitbatingsmogelijkheden dienen in de milieunota beschreven en geëvalueerd te worden. De Bestendige Deputatie zegt in haar beslissing niets over dit wezenlijk punt. 5. De stad Tielt overweegt: 'Ook de bedrijven die nu reeds aanwezig zijn, zijn niet voorzien op de mogelijke risico’s van hinder die de windmolens met zich mee kunnen brengen.' De Bestendige Deputatie zegt niets over inrichting van bedrijven. Door het feit dat de Bestendige Deputatie in het bestreden besluit niet op de wezenlijke argumentatie van de Stad Tielt antwoordt en deze niet weerlegt is het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd. 6. In afwachting van de resultaten van het Windplan Vlaanderen, in afwachting van hetzij het provinciale structuurplan, in afwachting van de opmaak van een specifiek uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg voor de inplanting, kunnen in een aantal specifieke gevallen de windturbines in overweging worden genomen. De Bestendige Deputatie motiveert niet waarom zij deze algemene regel overtreedt en wat er specifieks is om uitzondering te maken. Het middel is ernstig."; VII-31.895-8/18 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert: "De verzoekende partij beweert dat de Bestendige Deputatie de bestreden beslissing niet voldoende gemotiveerd heeft. De Bestendige Deputatie is het hier helemaal niet mee eens. Vooreerst wijst de Bestendige Deputatie er op dat de rechtspraak van de Raad van State helemaal niet vereist dat de Bestendige Deputatie bij het omzetten van een weigering in een milieuvergunning punt per punt de weige- ringsmotieven weerlegt. De Bestendige Deputatie moet wel rechtvaardigen waarom een milieuvergunning stedenbouwkundig en milieutechnisch kan worden afgeleverd. Naar het oordeel van de Bestendige Deputatie is dit bij de bestreden beslissing volledig correct gebeurd. Voor zover als nodig wordt hierna aangetoond dat de elementen waar de gemeente op wijst hetzij totaal naast de kwestie zijn, hetzij ongegrond zijn.
- a)In het bestreden besluit is nergens sprake van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Dit is zo, maar de Bestendige Deputatie begrijpt niet waarom ze op dit aspect nader zou moeten ingaan. Vooreerst is het zo dat er nog helemaal geen goedgekeurd G.R.S. is in Tielt. Verzoekende partij laat trouwens na om in het verzoekschrift te vermelden wat de exacte stand van zaken van hun eigen structuurplan is. Het laatste nieuws wat de provincie hierover vernomen heeft is dat er in 2003 een voorstel van voorontwerp was. M.a.w. procedureel staan we nog een heel eind af van een goedgekeurd G.R.S., zodat niet valt in te zien hoe de Bestendige Deputatie hier nu al mee zou kunnen rekening houden. Verder is de tekst van art. 19 § 6 van het decreet van 18/5/1999 duidelijk: ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor vergunnings- aanvragen. Wie of wat het aangewezen plan niveau is voor het bepalen van eventuele windmolenlocaties staat dus totaal los van de verplichting van de Bestendige Deputatie om binnen dwingende termijn een uitspraak te doen over een beroep inzake milieuvergunningen. In casu is er trouwens een duidelijk planelement: de molens zijn voorzien in gebied voor milieubelastende industrie. Het valt niet in te zien waarom de Bestendige Deputatie in die omstandigheden zou moeten wachten op een planologisch initiatief van de gemeente.
- b)In het bestreden besluit wordt niets vermeld over het feit dat het om turbines gaat die op zee worden voorzien door de omzendbrief In het bestreden besluit wordt inderdaad niet gesproken over windmolens op zee. De Bestendige Deputatie begrijpt helemaal niet waarom ze op dit aspect nader zou moeten ingaan. Vooreerst staat er naar het oordeel van de Bestendige Deputatie nergens expliciet in de omzendbrief dat dergelijke turbines alleen op zee moeten voorzien worden. Dit zou trouwens niet kunnen, vermits het om een Vlaamse omzendbrief gaat en Vlaanderen geen enkele bevoegdheid heeft over wat op zee moet gebeuren (= federale bevoegdheid). Verder verandert dit niets aan het uitgangsgegeven voor de Bestendige Deputatie: er wordt een milieuvergunning aangevraagd voor windmolens in industriegebied, dus moet de Bestendige Deputatie nagaan of een windmolen VII-31.895-9/18 beantwoordt aan dit stedenbouwkundig voorschrift. De Bestendige Deputatie is van oordeel dat dit het geval is, en verzoekende partij kan hiertegen geen enkel zinvol argument inbrengen.
- c)in het bestreden besluit wordt niets gezegd over de aanleg van het industrieterrein of over de mogelijke risico' s voor de aanwezige bedrijven. Dit is pertinent onwaar. Uit het onderzoek door afdeling Milieuvergunningen is gebleken dat de exploitant kan aantonen (d.m.v. veiligheidsstudie) dat er geen veiligheidsprobleem is. Dit wordt uitgebreid besproken in het advies van afdeling Milieuvergunningen. Op basis hiervan en ook gelet op de tijdens de Provinciale Milieuvergunnings- commissie bijkomend bezorgde stukken (bijl. 8a en 8b), worden de conclusies onderschreven door de Provinciale Milieuvergunningscommissie en ook door de Bestendige Deputatie. Dit alles is expliciet weergegeven in de thans bestreden beslissing: 'Overwegende dat de uitgangspunten van de uitgevoerde veiligheidsstudie dezelfde zijn dan deze bij vorige aanvragen; dat de aannames en berekeningen geldig blijven voor dit project; dat het immers windturbines van hetzelfde type, merk en vermogen betreft; dat de karakteristieken van de omgeving vergelijk- baar zijn (rand industriegebied met naastgelegen dun bevolkt agrarisch gebied); dat de resultaten van de individuele risicocontouren aantonen dat het risico voor de directe omgeving beperkt wordt tot een aanvaardbaar niveau; dat er overeenkomsten zijn met de eigenaars voor de gronden waarop de windturbines komen te staan, en waarover de wieken komen; dat tengevolge van deze overeenkomst deze eigenaars niet meer als derden te beschouwen zijn; Overwegende dat er van direct groepsrisico slechts sprake is vanaf een ongeval met 10 doden of meer; dat het gebied schaars bevolkt is en een ongeval normaal geen aanleiding zal geven tot een ongeval met meer dan 10 doden bij de omwonenden; dat er dus geen direct groepsrisico is; Overwegende dat de veiligheidsstudie aantoont dat er geen probleem is i.v.m. het direct individueel passanten risico en verwachtingswaarde, noch met de indirecte risico's t.g.v. bedrijven in de nabijheid'; Verzoekende partij brengt hiertegen geen enkel zinvol element in.
- d)De Bestendige Deputatie miskent het gegeven dat het om een uitzonde- ringssituatie gaat. Naar het oordeel van het provinciebestuur is er helemaal geen sprake van een uitzonderingssituatie: er wordt een milieuvergunningsaanvraag ingediend voor de inplanting van 2 windmolens in een gebied voor milieubelastende industrie. Waar dergelijke hinderlijke inrichtingen beter zouden kunnen gesitueerd worden is de Bestendige Deputatie een raadsel. Er is de Bestendige Deputatie geen enkele bepaling bekend in het milieuvergunningsdecreet of de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) waarin staat dat voor windmo- lens momenteel een uitzonderingssituatie zou gelden. De omzendbrief waar verzoekende partij zo graag naar verwijst vermeldt trouwens expliciet dat windturbines in principe in aanmerking komen voor een inplanting in industriegebied. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat dit middel niet ernstig te noemen is." 3.1.3. De tussenkomende partij doet in haar verzoekschrift tot tussenkomst het volgende gelden: VII-31.895-10/18 "Verzoekende partij stelt terecht dat in de akte de feitelijke en juridische motivering moet worden opgenomen. Dit betekent evenwel niet dat op alle argumenten van de rechtszoekende dient te worden ingegaan: 'De wet verplicht een beroepsinstantie er evenwel niet toe expliciet te antwoorden op alle in het beroepsschrift verwoorde grieven, maar haar beslissing moet er wel blijk van geven dat de argumentatie van betrokkene daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken is. Het bestuur hoeft dus niet te antwoorden op alle door de bestuurde ingeroepen argumenten' (I.Opdebeek en A. Coolsaet, de Formele motivering van bestuurshandelingen, in Adm.bibliotheek, Die Keure, 1999blz.160). Alhoewel dient te worden opgemerkt dat het in casu handelt over een beroep ingesteld bij de bestendige deputatie door tussenkomende partij en niet door huidige verzoekende partij (krachtens de rechtsleer dient de deputatie hoofdorde te antwoorden op de argumenten van nv LDS/ Aspiravi),blijkt uit de motivering dat rekening werd gehouden met de argumentatie van de stad Tielt. 1. de inpasbaarheid Hier verwijst verzoekende partij naar een nog toekomstig gemeentelijk structuurplan, dat tot op heden bijgevolg niet van kracht is en waar er geen duidelijkheid bestaat over de stand van voorbereiding. Alvast werden hierom- trent nergens elementen voorgelegd in het dossier. De inpasbaarheid van het windturbineproject dient dan ook beoordeeld te worden aan de hand van de planologische voorschriften van het industriegebied. De windturbines werden vergund in een zone voor milieubelastende industrie volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, koninklijk besluit van 17.12.1979, gedeeltelijk gewijzigd op 15.12.1998. Windturbines worden immers beschouwd als inrichtingen met een industrieel karakter. De verleende vergunning is wegens deze grondslag wettig genomen. In het besluit van de Bestendige Deputatie werd dit omstandig gemotiveerd: 'Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Roeselare-Tielt.... Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp uitmaakt van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'. 2. afstand tot de bewoning Dat bij de motivering geen rekening werd gehouden met de afstandsregel uit de omzendbrief EME/2000.01 (die gerespecteerd wordt !) is evenmin juist. Bij de overwegingen die de beslissing dragen wordt tweemaal verwezen naar de afstandsregel: 'Overwegende dat beroeper stelt dat er voldaan wordt aan de afstandsregel van 250m; dat het vermogen van de windturbine geen maat is voor het geluidsvermogen dat dergelijke projecten binnen de aanvaardbare veiligheids- normen kunnen geëxploiteerd worden;' 'Overwegende dat voldaan kan worden aan de richtlijnen van de omzendbrief EME 2000/01; dat er af en toe overschrijdingen kunnen zijn vooral geduren- de de nachtperiode zonder monitoring, afhankelijk van de windrichting en de windsnelheid.....'; In de vergunning zelf worden er bijzondere voorwaarden opgelegd teneinde de geluidsemissie in functie van de afstand tussen de bewoning en de windturbi- nes tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In de eerste bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de veiligheidsmaatregelen voorgesteld in het aanvraagdossier VII-31.895-11/18 strikt dienen gerespecteerd te worden. Dit omvat onder andere een mechanisme waarbij bij bepaalde windsnelheden vanuit een bepaalde windrichting, de turbine automatisch op een lager niveau gaat draaien waardoor het geluid beperkt wordt tot een aanvaardbaar niveau. 3. grootte van de turbines Dat bij de motivering geen rekening zou gehouden zijn met de opmerking van de stad Tielt dat het handelt over turbines die op zee voorzien zijn, is evenmin juist. In de beslissing wordt overwogen dat: ' Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milieuvergunnings- commissie als volgt kunnen weergegeven worden “ Het type is al geplaatst in Eeklo en Zedelgem. Dus het kan op land...' Daarenboven dient erop worden gewezen dat de omzendbrief mbt de grootte van de windturbines geen normatieve bepalingen heeft opgelegd. In het schema onder punt 2.2. duurzaam energiegebruik wordt enkel geschetst hoeveel windturbines van een bepaald vermogen er noodzakelijk zijn om tegen 2004 de 3% aan groene stroom te realiseren. In 2000 was de norm voor turbines op zee inderdaad 2 MW. Intussen is er een dermate evolutie in de windturbines dat 1,8 tot 2MW de regel is geworden voor windturbines op land. Op zee zal men met veel grotere turbines werken ( meer dan 3 MW). De grootte van de windturbines heeft vooral te maken met veiligheid, geluid en schaduweffecten. Uit de toegevoegde studies blijkt dat aan de voorwaarden met betrekking tot deze elementen wordt voldaan. 4. aanleg industrieterrein In de beslissing van de bestendige deputatie wordt uitdrukkelijk ingegaan op het veiligheidsaspect zowel voor de industriezone als voor de gebruikers ervan. Hierbij wordt verwezen naar analoge veiligheidsstudies die werden uitgevoerd voor andere projecten met dezelfde windturbines en naar een aanvullende veiligheidsstudie die werd opgemaakt voor het project Tielt. Het betreft de studie opgemaakt door Protec Engeneering in december 2003. De opstellers van deze studie zijn erkende deskundigen externe veiligheid risico's zware ongeval- len. De conclusie luidt: 'Rekening houdende met de conservatieve aannames leidt de hier uitgevoerde analyse tot de volgende bevindingen betreffende de risico's van het turbinepark teweeggebracht op zijn omgeving: - het risico teweeggebracht op omwonenden in de omgeving is aanvaard- baar; - domino-effecten te wijten aan ongevallen met de windturbines geven geen aanleiding tot onaanvaardbare risico's. Uit het oogpunt van de veiligheid is de inplanting van twee windturbines te Tielt zoals voorgesteld in deze studie op basis van de veiligheidsrisico's aanvaardbaar' . De opmerking van verzoekende partij dat geen rekening werd gehouden met hun opmerking mbt de veiligheid is formeel niet juist, daarenboven is deze opmerking inhoudelijk evenmin juist. 5. aanwezige bedrijven Hier kan worden verwezen naar punt 4/supra. 6. inpassing van windturbineproject Vooreerst dient erop worden gewezen dat de omzendbrief enkel een afwegingskader vormt en geen normatieve kracht bezit. Om te oordelen of een bepaald industrieel project realiseerbaar is dient men te kijken naar de geldende bestemming van het gebied. De windturbines werden vergund in een zone voor VII-31.895-12/18 milieubelastende industrie volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, koninklijk besluit van 17.12.1979, gedeeltelijk gewijzigd op 15.12.1998. Windturbines worden immers beschouwd als inrichtingen met een industrieel karakter. In de beslissing werd op meer dan afdoende wijze gemotiveerd waarom de milieuvergunning voor desbetreffend project kan worden afgeleverd. Het volstaat hiervoor om te verwijzen naar de diverse overwegingen uit de beslissing en uit de voorwaarden die werden opgelegd. Daarenboven behoort deze discussie eerder tot het niveau van stedenbouw- kundige vergunning en niet tot deze van de milieuvergunning. Dit middel is niet ernstig"; 3.1.4.1. Overwegende dat in de eerste vijf punten van het middel de verzoekende partij, vertrekkend van een quasi zinsgewijze analyse van de argumenta- tie die haar destijds heeft doen besluiten om in eerste aanleg de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij te weigeren, er ten onrechte van uitgaat dat de verwerende partij al deze argumenten punt per punt diende te weerleggen om tot een afdoende gemotiveerde beslissing te komen; dat uit de sub 1.5. geciteerde motivering van de bestreden beslissing prima facie voldoende de redenen blijken op grond waarvan de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat de gevraagde milieuvergunning kon worden verleend mits het strikt naleven van een aantal in artikel 4 van het bestreden besluit opgelegde milieuvoorwaarden; dat de verwerende partij daartoe in essentie overweegt dat de exploitatie van de inrichting verenigbaar is met de geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, dat er zich geen officiële vogel- en habitatrichtlijngebieden, Ramsargebieden of natuurgebieden in de directe omgeving van de locatie bevinden, noch vogelrijke gebieden zijn gesitueerd, en er relatief weinig negatieve effecten op de vogelpopulatie te verwachten zijn, dat de veiligheids- risico's beperkt zijn tot een aanvaardbaar niveau, dat de inrichting kan voldoen aan de richtlijnen van de omzendbrief EME/2000.01; dat overigens die motieven hun steun vinden in de uitgebrachte adviezen, die alle gunstig waren; 3.1.4.2. Overwegende wat het zesde punt van het middel betreft, dat de verzoekende partij een zinsnede haalt uit de omzendbrief EME/2000.01 van 17 juli 2000 en dit als een "algemene regel" beschouwt die door de verwerende partij werd overtreden zonder enige motivering; dat, vooreerst, evengenoemde omzendbrief prima facie geen bindende rechtsregels bevat, noch vermag te bevatten, zodat er bezwaarlijk sprake kan zijn van een overtreding van "een algemene regel" laat staan van een gebrek aan formele motivering desbetreffend; dat, daarenboven, waar de VII-31.895-13/18 verzoekende partij de geciteerde passage interpreteert als dat als algemene regel windturbines niet toegelaten kunnen worden tenzij in uitzonderlijke gevallen, hetgeen dan volgens haar moet worden gemotiveerd, zij een betekenis geeft aan de omzendbrief die hij niet lijkt te hebben; dat bedoelde passage uit de omzendbrief de aanhef vormt van rubriek 5, "overgangsperiode"; dat prima facie daarmee enkel lijkt te zijn bedoeld dat in de overgangsperiode in specifieke gevallen windturbines in aanmerking kunnen worden genomen; dat verder in de tekst wordt verduidelijkt in welke bestemmingsgebieden de windturbines a priori reeds uitgesloten zijn en in welke gebieden ze wel kunnen worden toegelaten en dat tot deze laatste gebieden industriegebieden behoren; dat dan ook niet valt in te zien hoe in casu wat dat punt betreft de formele motiveringsplicht is geschonden; 3.1.4.3. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het middel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat zij het middel toelicht als volgt : "De materiële motiveringsplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur. Het is een niet geschreven grondrecht. De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar moeten zijn. In de uiteenzetting van de middelen hierboven heeft verzoekster aangetoond dat de motieven niet aanvaardbaar zijn, noch in rechte, noch in feite. Het middel is ernstig."; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "Verzoekende partij beweert dat de Bestendige Deputatie de materiële motiveringsplicht geschonden heeft. De Bestendige Deputatie is het hier absoluut niet mee eens. In de bestreden beslissing is duidelijk aangegeven waarom de Bestendige Deputatie van oordeel is dat de milieuvergunning kan verleend worden: de aanvraag doorstaat de stedenbouwkundige en milieutechnische toets, de veiligheid is verzekerd, de effecten voor de omgeving kunnen beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau en tot slot kunnen de nodige bijzondere voorwaar- den worden voorzien om de uitbating nauwgezet op te volgen. Die voorwaarden zijn effectief opgelegd in het bestreden besluit. VII-31.895-14/18 Naar het oordeel van de Bestendige Deputatie rechtvaardigen die argumenten het afleveren van een milieuvergunning. Verzoeker geeft niet aan waarom dit niet zo zou zijn. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat dit middel evenmin ernstig te noemen is."; 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst als volgt reageert : "Overwegende dat artikel 2, § 1, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administra- tie van de Raad van State vereist dat het verzoekschrift een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en middelen, dat de uiteenzetting van het rechtsmiddel niet enkel vereist dat de rechtsregel wordt aangeduid die zou zijn geschonden maar ook de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden (arr.nr.93 287 van 13 februari 2001, vzw H.I.voor paramedi- sche Beroepen). Dat onder rechtsmiddel wordt verstaan de opgave van een rechtsregel met daarbij een voldoende uiteenzetting van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing wordt miskend ( arr. nr. 98 750 van 10 september 2001). Er dient vastgesteld dat met betrekking tot het tweede middel hier niet wordt aan voldaan. Dat in hoofdorde dient vastgesteld te worden dat dit middel niet ontvankelijk is. Mocht het zo zijn dat de verwijzing naar het eerste middel toch kan volstaan voor een afzonderlijk middel, dan dient voor de repliek te worden verwezen naar wat hiervoor werd uiteengezet. Ook dit middel is niet ernstig."; 3.2.4. Overwegende dat in acht genomen het gegeven dat de verzoekende partij in het eerste middel enkel de schending van de formele motiveringsplicht heeft aangevoerd en de uiteenzetting van het middel daartoe ook heeft beperkt, zij niet louter kan verwijzen ("hierboven") naar dat middel ter aanvoering van de schending van de materiële motiveringsplicht; dat de tussenkomende partij dan ook kan worden gevolgd in haar verweer dat het middel bij gebrek aan een voldoende uiteenzetting van de wijze waarop de materiële motiveringsplicht in casu zou zijn miskend, onontvankelijk is; 3.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij als derde middel de schending aanvoert van de omzendbrief EME 2000/01 van 17 juli 2000 "afwegings- kader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines"; dat zij dit middel als volgt toelicht : VII-31.895-15/18 "Een omzendbrief heeft geen kracht van wet en is niet bindend. Toch is er de plicht van ambtenaren en besturen om deze omzendbrief toe te passen. Hierdoor krijgt de omzendbrief een feitelijke geldingskracht. Wanneer de omzendbrief een veralgemeende toepassing vindt kunnen ze door de rechtssubjecten als algemeen bindend worden aanvaard. Door hun veelvuldige toepassing kunnen ze uiteindelijk een gerechtvaardigde verwachting tot stand brengen die omwille van de rechtszekerheid geëerbiedigd moet worden. Als ze tot doel hebben een nieuwe dwingende rechtsregel in te voeren, spreekt men over een verordenende omzendbrief. De bestreden beslissing gaat op vele wezenlijke punten in tegen deze omzendbrief (zie hiervoor). Het middel is ernstig"; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "Verzoekende partij beweert dat de bestreden beslissing op vele wezenlijke punten ingaat tegen de omzendbrief. De Bestendige Deputatie neemt deze gratuite beschuldiging niet. In het bestreden besluit wordt immers duidelijk punt voor punt uiteengezet waarom de Bestendige Deputatie van oordeel is dat de milieuvergunningsaan- vraag beantwoordt aan de omzendbrief. De diverse daarin opgesomde criteria (veiligheid, natuurwaarden in omgeving, geluid, slagschaduw, bestemmingszone) worden punt voor punt overlopen, en op basis hiervan stelt de Bestendige Deputatie - in navolging van het onderzoek door afdeling Milieuvergunningen en de Provinciale Milieuvergunningscommissie - dat de aanvraag conform de omzendbrief is. De Bestendige Deputatie wil hier nog aan toevoegen dat ze bovendien uiterst zorgvuldig is tewerk gegaan bij het beoordelen van dit beroepsdossier. Niet alleen werden de wettelijk voorgeschreven adviezen ingewonnen, maar bovendien werd ook het oordeel van het Instituut voor Natuurbehoud gevraagd. Alle adviezen waren zonder uitzondering gunstig; geen enkele adviesinstantie vond dat de argumenten van Tielt enige steek hielden. Het gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie - waarop het besluit van de Bestendige Deputatie is gebaseerd - is er slechts gekomen nadat de exploitant de resultaten van de specifiek voor het project in Tielt opgestelde veiligheid- en slagschaduwstudie (zie bijl.8) heeft bezorgd. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat dit laatste middel niet ernstig te noemen is"; 3.3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij doet in haar verzoek- schrift tot tussenkomst het volgende doet gelden : "Overwegende dat artikel 2, § 1, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administra- tie van de Raad van State vereist dat het verzoekschrift een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en middelen, dat de uiteenzetting van het rechtsmiddel niet enkel vereist dat de rechtsregel wordt aangeduid die zou zijn geschonden maar ook de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling VII-31.895-16/18 werd geschonden (arr.nr.93 287 van 13 februari 2001, vzw H.I.voor paramedi- sche Beroepen). Dat onder rechtsmiddel wordt verstaan de opgave van een rechtsregel met daarbij een voldoende uiteenzetting van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing wordt miskend (arr. Kimpe nr. 98 750 van 10 september 2001 en arr. Ockerman nr. 93 554 van 27 februari 2001). Er wordt vastgesteld dat ook met betrekking tot het derde middel hier niet wordt aan voldaan. Dat in hoofdorde dient vastgesteld te worden dat dit middel onontvankelijk is. Mocht het zo zijn dat de verwijzing naar het eerste middel toch kan volstaan voor een ontvankelijk afzonderlijk middel dan dient opnieuw verwezen te worden naar hetgeen als repliek werd gegeven bij het eerste middel. Hieruit blijkt duidelijk dat de niet normatieve bepalingen van het afwegingskader van de omzendbrief EME/2000.01 gerespecteerd werden. Ook dit middel is niet ernstig"; 3.3.4. Overwegende dat prima facie de omzendbrief EME/2000.01 geen verordenend karakter heeft en geen dwingende rechtsregels oplegt; dat hij enkel slechts richtlijnen lijkt te bevatten in verband met het "afwegingskader en randvoor- waarden voor de inplanting van windturbines"; dat daarenboven de verzoekende partij prima facie niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de bestreden beslissing de omzendbrief op vele wezenlijke punten "die in het eerste middel zijn aangehaald heeft miskend"; dat, immers, de omzendbrief de mogelijkheid openlaat om reeds in de "overgangsperiode" windturbines in te planten in industriegebied (zie supra); dat de omzendbrief nergens stelt op welke afstand windturbines met een vermogen hoger dan 1500 kW van woningen moeten worden ingeplant, dat er wel een indicatie ("kan") wordt opgegeven van een minimum afstand van 250 m van woningen voor windturbines met een vermogen tot 1500 kW, maar dat in casu de turbines op meer dan 250 meter van de omliggende woningen blijken te zijn ingeplant; dat uit het loutere feit dat in de omzendbrief onder de rubriek 2.2. "Duurzaam energiegebruik" waarin de planning om de doelstelling van 3 % "groene stroom" per jaar te bereiken wordt behandeld, staat vermeld dat op zee 50 turbines van 2000 kW vereist zijn, niet kan worden afgeleid dat dergelijke windmolens niet op het land zouden mogen worden ingeplant; dat, tenslotte, bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de interpretatie van de verzoekende partij dat windturbines slechts in uitzonderlij- ke gevallen mits bijzondere motivering toegelaten kunnen worden prima facie niet kan worden bijgetreden; dat het middel niet ernstig is; VII-31.895-17/18 3.4. Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. L.D.S. in het administra- tief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.895-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.258 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div