← België

Arrest 133259 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.259 Rolnummer: A. 150572/VII-31962 Zaak: Arrest 133259 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:45 Fiche Arrest nr 133.259 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.259 van 29 juni 2004 in de zaak A. 150.572/VII-31.962 In zake : de n.v. STELIMET, die woonplaats kiest bij Advocaten N. JONCKHEERE en E. DESAIR, kantoor houdende te ANTWERPEN, Uitbreidingstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. STELIMET op 9 april 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 30 januari 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking houdende aanwijzing, overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, van de gronden gelegen aan de Swinnenwijerweg 26 te Genk, kadastraal gekend als 71304 GENK, 4de Afdeling, Sectie E, perceelnr. 432 B, als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad M-R. BRACKE; VII-31.962-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. JONCKHEERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij exploiteert aan de Swinnenwijerweg 26 te Genk een inrichting voor de opslag en verwerking van schroot en voertuigwrakken. Het bedrijfsterrein heeft een totale oppervlakte van 27.240 m
  4. 1.
  5. In de maand maart 1998 wordt met betrekking tot het bedrijfster- rein van de n.v. STELIMET een oriënterend bodemonderzoek opgesteld door een erkend bodemsaneringsdeskundige. Op het perceel wordt een historische bodemver- ontreiniging met voornamelijk minerale olie aangetroffen. Op grond van de onderzoeksresultaten concludeert de erkende bodemsaneringsdeskundige dat “er ernstige aanwijzingen zijn voor ernstige bedreiging”, zowel voor de bodem als het grondwater. Het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek zou zich opdringen om de vastgestelde verontreiniging verder in kaart te brengen. 1.
  6. Bij besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 maart 1997 houdende aanwijzing overeenkomstig het artikel 30, § 2 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering van de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, wordt het perceel kadastraal gekend onder 71304 GENK, 4de Afdeling, Sectie E, perceelnr. 432 B, opgenomen op de lijst van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. Aan de sanering wordt prioriteitscode 3 toegekend, wat wil zeggen dat de vastgestelde historische bodemverontreiniging niet bij voorrang dient te worden aangepakt. 1.
  7. Op 15 januari 2004 stelt de OVAM aan de Vlaamse regering voor om het perceel nr. 432 B aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar VII-31.962-2/8 bodemsanering moet plaatsvinden. In dat voorstel wordt nog steeds verwezen naar de resultaten van het oriënterend bodemonderzoek dat in 1998 werd opgesteld. 1.
  8. Met een besluit van 30 januari 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking worden de gronden gelegen aan de Swinnenwijerweg 26 te Genk, kadastraal gekend 4de Afdeling, Sectie E, perceelnr. 432 B, aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsane- ring moet plaatsvinden. Dit besluit maakt het voorwerp uit van voorliggende vordering tot schorsing. 1.
  9. Inmiddels heeft de verzoekende partij, in het kader van haar periodieke bodemonderzoeksplicht, een nieuw oriënterend bodemonderzoek laten uitvoeren. In dat bodemonderzoek wordt bevestigd dat een historische verontreini- ging van bodem en grondwater met minerale olie aanwezig is ter hoogte van zone B22 en PB20;
  10. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  11. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift de volgende uiteenzetting geeft : “Nu verwerende partij de eerder toegekende prioriteitstelling niet handhaaft in de bestreden beslissing, kan Stelimet op elk moment worden aangemaand tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. OVAM heeft overigens uitdrukkelijk bevestigd dat dit ook effectief zal gebeuren. Door de bestreden beslissing verliest Stelimet inderdaad de garantie dat zij slechts tegen 2036 zal moeten saneren. Momenteel is Stelimet bezig met infrastructuurwerken met het oog op de gehele reorganisatie van de werf en met de bouw van een depollutiecentrum, om zich in regel te stellen met de bepalingen uit onderafdeling 5.5.4.Voertuigwrak- ken of afgedankte voertuigen uit het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). Zo heeft zij reeds een nieuwe betonplaat (waaronder een speciale ondoord- ringbare folie werd geplaatst) gegoten over 15 000 m² oppervlakte van het VII-31.962-3/8 terrein, die zij terug zal moeten opbreken indien zij eerstdaags tot een beschrijvend bodemonderzoek moet overgaan. Momenteel staat de depollutiehal er en dient het bedrijf over te gaan tot het plaatsen van de bestellingen voor de technische installaties. Uiteraard is het vanuit economisch oogpunt zinloos de bestellingen te plaatsen, wetende dat de leveringen niet zullen kunnen plaatsvinden en het centrum niet operationeel zal kunnen zijn hangende het beschrijvend bodemonderzoek. De verplichte stopzetting van het operationeel maken van het depollutiecen- trum brengt evenwel de leefbaarheid van het bedrijf in het gedrang. Stelimet is immers met OVAM in een (juridisch) debat verwikkeld inzake de conformering aan de VLAREA-bepalingen met betrekking tot de erkende depollutiecentra. De nieuwe onderafdeling 5.5.
  12. van het VLAREA trad in werking op 9 juli
  13. Cruciaal is evenwel dat deze regelgeving werd ingevoerd zonder overgangsbepalingen. Nu bedrijven voor de bouw van een depollutiecentrum over een stedenbouwkundige en een milieuvergunning dienen te beschikken, heeft OVAM gedurende enige tijd een gedoogbeleid gevoerd. Het toeval wilde evenwel dat de milieuvergunning van Stelimet nv in 2002 zou verstrijken, met als gevolg dat zij een volledige hervergunningsaanvraag diende in te dienen (terwijl andere schredderbedrijven konden volstaan met een eenvoudige uitbreidingsaanvraag voor hun depollutiecentrum). De vereiste van de volledige hervergunningsaanvraag bracht bovendien met zich dat tevens een milieu-effectenrapport moest worden opgesteld. Hierdoor kon pas op 28 november 2002 een milieuvergunning worden bekomen. Deze werd verleend voor een termijn van 20 jaar. Ook de bouwvergunningsprocedure heeft voor een reeks onverwachte problemen gezorgd. De stad Genk eiste dat Stelimet op haar terrein minimum 15 % groen diende te voorzien. Aangezien er daarvoor op het terrein niet voldoende ruimte is, heeft Stelimet moeten zoeken naar een alternatief in de omgeving wat besprekingen met de Stad, de gemeente Diepenbeek en de Dienst der Scheepvaart vereiste. De bouwvergunning werd uiteindelijk verleend op 18 juni
  14. Zodra de nodige vergunningen voorhanden waren, is Stelimet gestart met de bouw van het depollutiecentrum. De bouw van het centrum is inmiddels reeds ver gevorderd. Stelimet verwacht dat de technische installaties worden geleverd tegen 30 juni
  15. Inmiddels heeft OVAM evenwel het gedoogbeleid dat zij ook ten aanzien van Stelimet hanteerde sinds 9 juli 2000, herzien bij beslissingen van 30 april en 23 juni 2003 (stukken 8 en 9). Dit alles brengt met zich dat Stelimet zo vlug mogelijk in orde dient te zijn met de VLAREA-bepalingen. Het is voor haar van fundamenteel belang dat zij zich dringend in de markt doet gelden, nu de marktaandelen zich verdelen en de markt zich opnieuw positioneert naar aanleiding van de gewijzigde wetgeving. Sinds de discussie met de OVAM inzake het gedoogbeleid ontstond, worden immers steeds minder voertuigwrakken bij Stelimet aangeleverd. De verloren omzet tussen juni 2002 en juni 2003 wordt geschat op 2 168 622,72 EUR (stuk 10). Sindsdien ging nog marktaandeel verloren. Het is evident dat een bedrijf met een totale jaarlijkse omzet van 25 344 898,77 EUR (voor het boekjaar van 1 juli 2002 tot 30 juni 2003), en met lopende investeringen van op korte termijn 2 850 000,00 EUR en, op langere termijn (vijf jaar), van een bedrag tussen 3 595 000,00 EUR en 6 817 000,00 EUR, bedreigd wordt in haar voortbestaan indien deze situatie nog langer aanhoudt. De schorsing en vernietiging van de bestreden beslissing hebben tot gevolg dat de OVAM Stelimet niet zal kunnen aanmanen overeenkomstig artikel 31 van het Bodemsaneringsdecrect. VII-31.962-4/8 Stelimet heeft hier bijgevolg een evident voordeel bij, aangezien zij in dat geval de bouw van het depollutiecentrum en de reorganisatie van de werf op korte termijn kan voltooien. De bouwwerken hebben overigens tot doel te voldoen aan milieurechtelijke verplichtingen. Bovendien rechtvaardigt ook de mogelijkheid tot heroverweging de schorsing (R.v.St. nr. 38.336, 13 december 199 1, A.P.M., 1992, 7)”; 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota opwerpt dat de beweerde nadelen louter hypothetisch zijn omdat pas uit het conformverklaarde bodemsaneringsproject zal blijken wat de saneringswerken concreet zullen inhouden, hoeveel de sanering zal kosten en wat de weerslag ervan zal zijn op de bestaande exploitatie, dat een puur pecuniair nadeel de schorsing hoe dan ook niet kan verantwoorden omdat het hersteld kan worden na een eventueel vernietigingsarrest, dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aantoont of minstens aannemelijk maakt dat haar exploitatie door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in gevaar dreigt te komen en evenmin dat de reeds verloren omzet te wijten zou zijn aan het beweerde gedoogbeleid van de OVAM, dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting louter beperkt tot het opsommen van de gevolgen dewelke de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar meebrengt, dat de bestreden beslissing niet inhoudt dat de verzoekende partij een bodemsaneringsproject moet opstellen en bodemsaneringswerken moet uitvoeren, dat zulks enkel kan blijken uit een “misschien nog uit te voeren” beschrijvend bodemon- derzoek, en, ten slotte, in de hypothese dat de verzoekende partij in de toekomst effectief verplicht zou worden om tot bodemsanering over te gaan, dat de sanering dan slechts zeer geleidelijk zal gebeuren en met gebruikmaking van technieken die de continuïteit van de bestaande exploitatie geenszins in de weg zullen staan; 2.3.
  17. Overwegende dat de bestreden beslissing slechts inhoudt dat de verwerende partij er voorlopig, op grond van het uitgevoerde oriënterend bodemon- derzoek, van uitgaat dat er “ernstige aanwijzingen” zijn dat de historisch verontrei- nigde gronden moeten worden gesaneerd; dat daarmee echter nog niet onomstotelijk vaststaat dat die bodemsanering er ook zal komen; dat krachtens artikel 30, § 3, van het bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995, toegevoegd bij artikel 24, 2/, van het decreet van 26 mei 1998, pas een bodemsaneringsproject wordt opgesteld en bodemsaneringswerken worden uitgevoerd wanneer het beschrijvend bodemonder- zoek aantoont dat de historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt; dat het doel van het, te dezen nog op te stellen, beschrijvend bodemonderzoek er derhalve precies in bestaat een diepgaander en grondiger onderzoek in te stellen naar de “aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreinigde VII-31.962-5/8 stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlakte- water, evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst toe” (artikel 12, § 1, van het bodemsaneringsdecreet) opdat met voldoende kennis van zaken kan uitgemaakt worden of de “ernstige aanwijzingen” van een ernstige historische bodemverontreiniging omgezet kunnen worden in een plicht tot sanering; dat aldus “pas op grond van de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek zal kunnen worden beslist of er effectieve bodemsaneringswerken zullen moeten worden uitgevoerd”; dat ten andere in het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing wordt gesteld dat de verplichting tot bodemsanering ophoudt te bestaan indien “uit het conformverklaard beschrijvend bodemonderzoek blijkt dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging (...)” en dat daarenboven, na een beslissing houdende aanwijzing van een bepaalde grond waarop bodemsanering moet plaatsvinden, voor de daadwerkelijke sanering nog een saneringsbesluit dient te worden genomen; dat de aangevoerde nadelen, gelegen in eventuele saneringswer- ken, niet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; 2.3.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij niet aantoont dat het loutere gegeven dat zij “op elk moment” - in de plaats van het lange termijn perspectief dat haar geboden werd afgaande op de vroegere beslissing van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 - aangemaand kan worden om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert, temeer omdat de verzoekende partij als exploitant van een inrichting die voorkomt op de lijst van de inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken (bijlage 1 bij het VLAREBO-besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996) onderworpen is aan een periodieke bodemonderzoeksverplichting (artikel 4 van het VLAREBO-besluit) en de in die periodiek verplichte oriënterende bodemonderzoeken gedane bevindingen steeds aanleiding kunnen geven tot een bodemsaneringsprocedure; dat ook niet kan worden ingezien hoe het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek zou meebrengen dat de nieuwe betonplaat die de verzoekende partij recent over een oppervlakte van 15.000 m2 heeft laten aanbrengen terug volledig opgebroken zou moeten worden; dat het uitvoeren van een beschrij- vend onderzoek in redelijkheid niet zulk een draconische maatregel vereist; dat evenmin aannemelijk wordt gemaakt dat het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek zou meebrengen dat verzoekster haar depollutiecentrum niet verder operationeel kan maken; dat de problemen die verzoekster zegt te ondervinden of te VII-31.962-6/8 hebben ondervonden om haar bedrijf te conformeren aan de nieuwe bepalingen van het zogenaamde VLAREA-besluit van 17 december 1997, zoals gewijzigd door het besluit van 28 april 2000, met betrekking tot de verwerking van voertuigwrakken of afgedankte voertuigen (onderafdeling 5.5.
  19. van voormeld besluit), annex het verkrijgen van de vereiste hernieuwing van de milieuvergunning en de stedenbouw- kundige vergunning voor de bouw van het depollutiecentrum, geen uitstaans hebben met het thans bestreden besluit; 2.3.
  20. Overwegende dat het feit dat een schorsing nut kan hebben voor de verzoekende partij en dat zij het bestuur tot een heroverweging kan aanzetten op zich niet aantoont dat de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; 2.
  21. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde schorsingsvoor- waarde; dat die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-31.962-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.962-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.259 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.