id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.262 Rolnummer: A. 76173/VII-16077 Zaak: Arrest 133262 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:45 Fiche Arrest nr 133.262 van 29 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.262 van 29 juni 2004 in de zaak A. 76.173/VII-16.
- In zake : Christianus CHRISTIANEN, wonende te HOOGSTRATEN-MEERLE, Schuivenoord 13 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christianus CHRISTIANEN op 28 oktober 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 31 juli 1997 houdende bevestiging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 april 1993, waarbij hem de vergunning tot uitbreiding van een varkensbedrijf gevestigd te 2328 Hoogstraten (Meerle), kadastraal gekend sectie E, perceelnummers 5f-g, 6d-e, 7h, 8c, 9s-t, wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 4 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; VII-16.077-1/5 Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DAEL die, loco Adovcaat A. DESMEDT verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat A. DE SCHAMPHELEIRE die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker baat te Hoogstraten een varkenskwekerij uit waarvoor hij op 11 januari 1983 en 10 april 1985 vergunningen verkreeg die verstrijken op 1 september
- 1.2 Op 27 september 1990 dient hij een aanvraag in tot uitbreiding van het bestaand bedrijf. 1.
- Op 29 april 1993 weigert de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen de vergunning voor de uitbreiding van de varkenshouderij. 1.
- Verzoeker stelt een administratief beroep in tegen dit weigeringsbe- sluit. 1.
- In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht. In het advies van de Vlaamse landmaatschappij wordt gesteld dat de VII-16.077-2/5 aanvraag niet verenigbaar is met artikel 5.9.8.3, §3, van Vlarem II, omdat de bedrijsfmatige mestoverschotten in het aanslagjaar 1993 niet op ecologisch verant- woorde wijze werden afgezet. 1.
- Op 31 juli 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen. De vergunning wordt geweigerd op grond van het door de Vlaamse Landmaatschappij vooropgestelde;
- De gegrondheid van het beroep 2.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 5.9.8.3., § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), doordat de milieuvergunningsaanvraag onverenigbaar werd geacht met deze bepaling, terwijl deze bepaling op zich geen grond verschaft om een milieuvergunningsaanvraag te weigeren en zij bovendien betrekking heeft op de exploitatievoorwaarden van de toekomstige uitbating en niet op de in het verleden al dan niet gerealiseerde mestafzet; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat uit de gegevens van het dossier niet alleen blijkt dat in het verleden de mestoverschotten van het bedrijf op een niet- ecologisch verantwoorde wijze werden afgezet, maar ook en vooral dat verzoeker op geen enkele wijze reageerde op verzoeken van de Vlaamse Landmaatschappij om nu en voor de toekomst de nodige bewijsstukken en documenten voor te leggen in verband met de mestafzet, en dat het niet onredelijk is om, indien verzoeker niet de minste moeite doet om minstens waarschijnlijk te maken dat hij zich naar de geldende reglementering zal gedragen, de ingediende aanvraag op die grond negatief te beoordelen; 2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker repliceert dat artikel 5.9.8.3, § 3, van Vlarem II niet impliceert dat de aanvrager reeds voordien bewijzen van toekomstige mestafzet moet voorleggen , doch dat het betekent dat de exploitant in de toekomst een met het meststoffendecreet conforme mestafzet dient te realiseren; dat hij stelt dat de Raad van State in het verleden het op artikel 5.9.8.3, § 3, van Vlarem II gebaseerde weigeringsmotief nooit heeft aanvaard en dat, indien de verwerende partij voorhoudt dat niet zozeer de mestafzet doch de houding van verzoeker de reden vormde voor het weigeren van de vergunning, zulks in ieder geval niet uit de bestreden beslissing blijkt; VII-16.077-3/5 2.
- Overwegende dat blijkens de aanhef van de bestreden beslissing de weigering van de milieuvergunning is gebaseerd op het volgende motief : “Overwegende dat volgens het voormelde advies van de Vlaamse Landmaat- schappij de bedrijfsmatige mestoverschotten in het aanslagjaar niet op ecologisch verantwoorde wijze werden afgezet; dat onderhavige aanvraag bijgevolg niet verenigbaar is met het artikel 5.9.8.3, § 3, van titel II van het Vlarem”; dat artikel 5.9.8.3, § 3, van Vlarem II luidt als volgt : “De geproduceerde dierlijke mest dient overeenkomstig het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en zijn uitvoeringsbesluiten afgezet opeen ecologisch verant- woorde wijze”; dat, zoals verzoeker terecht betoogt, deze bepaling betrekking heeft op de mestafzet eenmaal de vergunning is verkregen, en niet op de mestafzet in het verleden; dat deze bepaling aldus niet toelaat eventuele tekortkomingen in het verleden op het vlak van de mestafzet aan te grijpen om de vergunning te weigeren; dat voorts nergens uit het bestreden besluit blijkt dat een bijkomend weigeringsmotief was dat verzoeker niet is ingegaan op de vraag van de Vlaamse Landmaatschappij om “nu en voor de toekomst” de nodige bewijsstukken en documenten in verband met de mestafzet voor te leggen; dat, overigens, artikel 5.9.8.3, § 3, van Vlarem II, zoals geredigeerd ten tijde van het bestreden besluit, evenmin de vergunningverlenende overheid toeliet om op grond van de te verwachten mestproductie en de voorziene afzet ervan een milieuvergunningsaan- vraag tot het uitbreiden van een varkenshouderij te weigeren; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 31 juli 1997 houdende bevestiging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 april 1993, waarbij aan Christianus CHRISTIANEN de vergunning tot uitbreiding van een varkensbedrijf gevestigd te 2328 Hoogstraten (Meerle), kadastraal gekend sectie E, perceelnummers 5f-g, 6d-e, 7h, 8c, 9s-t, wordt geweigerd. VII-16.077-4/5 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R.STEVENS staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE VII-16.077-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.262 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.