← België

Arrest 133264 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.264 Rolnummer: A. 77994/VII-16549 Zaak: Arrest 133264 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:45 Fiche Arrest nr 133.264 van 29 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.264 van 29 juni 2004 in de zaak A. 77.994/VII-16.

  1. In zake : de b.v.b.a. Mark DESMEDT, wonende te DIEGEM, Oude Haachtsesteenweg 30 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. Mark DESMEDT op 24 maart 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 januari 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij haar op grond van artikel 45 van Vlarem I ingediend verzoek tot wijziging van een vergunningsvoorwaarde met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het breken en zeven van bouw- en sloopafval, gelegen aan de Westvaartdijk 73 te Grimbergen, niet wordt ingewilligd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 28 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2004; VII-16.549-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. DE MUNCK die, loco Advocaat P. MENSALT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat. 1.
  4. De b.v.b.a. MARK DESMEDT exploiteert een breek- en zeefinstallatie voor bouw- en sloopafval aan de Westvaartdijk 73 te Grimbergen. De inrichting is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen in een industriegebied. 1.
  5. De inrichting heeft in het verleden het voorwerp uitgemaakt van verschillende exploitatie- en milieuvergunningen. Relevant in het kader van voorliggend geding is het besluit van 28 maart 1997 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij aan de verzoekende partij vergunning is verleend voor de uitbreiding van de inrichting met onder meer een zeefinstallatie met een geïnstalleerde drijfkracht van 54 kW en een dieselmotor voor de aandrijving van de breek- en zeefinstallatie met een nominaal vermogen van 300 kW. Bij voormeld besluit is aan de exploitant de volgende bijzondere voorwaarde opgelegd : "Geluidsberm : Rondom het bedrijfsterrein, behalve achteraan waar zich de hangar bevindt, moet een geluidsberm worden aangelegd met een hoogte van 4 meter. Op deze berm moet streekeigen beplanting worden aangebracht in het eerstvolgende plantseizoen". VII-16.549-2/10 1.
  6. Op 26 augustus 1997 dient de n.v. MAVA namens de b.v.b.a. MARK DESMEDT een aanvraag in tot (gedeeltelijke) wijziging van bovenvermelde bijzondere voorwaarde. De exploitant vraagt meer bepaald dat de geluidsberm niet aangelegd moet worden langs de noorderzijde van het bedrijfsterrein die grenst aan de percelen 52/g en 63/w (aangrenzende percelen die respectievelijk gebruikt worden door het afvalverwerkingsbedrijf All Belgian Recycling (A.B.R.) en door een handelaar in voertuigwrakken). Het verzoek, ingediend op grond van artikel 45 van Vlarem I, wordt als volgt gemotiveerd : "Conform een bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde, opgenomen in de milieuvergunning dd. 28/03/1997, dient de b.v.b.a. Mark Desmedt rondom haar bedrijfsterrein een geluidsberm aan te leggen, behalve achteraan het terrein waar zich de hangaar bevindt. In onderhavig geval betekent dit dat aan de zijde waar het terrein grenst aan de bedrijfsterreinen van de firma All Belgian Recycling eveneens een 4-meter hoge geluidsberm dient aangelegd te worden. Rondom de terreinen van de firma All Belgian Recycling (A.B.R.) welke identiek dezelfde activiteiten uitoefent als de b.v.b.a. Mark Desmedt, namelijk het breken en zeven van inerte materialen, bevindt zich reeds een metershoge geluidsberm die aangeplant is met streekeigen gewassen. De aanleg van een geluidsberm aan deze zijde van het terrein (zie voorstel- ling bijgevoegd plan), op de percelen van de firma Desmedt heeft ons inziens dan ook geen enkel nuttig effect. Immers wat betreft het aspect voorkoming van geluidshinder naar de omgeving toe is het zinloos deze werken uit te voeren, aangezien op het naastliggend terrein, door de firma ABR identiek dezelfde activiteiten worden uitgevoerd, welke, gezien de grootte van dit bedrijf, zo mogelijk nog meer geluidsoverlast produceren. De reeds bestaande geluidsberm op de terreinen van de firma A.B.R. biedt reeds voldoende geluidsbescherming naar de omgeving toe, zowel voor wat betreft haar eigen activiteiten als voor de activiteiten van de b.v.b.a. Mark Desmedt. Tussen de breek- en zeefinstallatie van de b.v.b.a. Mark Desmedt en de perceelsgrens met perceel 52/g, bevinden zich de bulkopslagplaatsen van het te breken en te zeven inert materiaal. Deze opslagplaatsen, welke eveneens een hoogte van +/- 4 meter, hebben doen op zich al dienst als geluidsberm naar de omgeving toe, bijgevolg lijkt het ons dan ook zinloos om een extra geluidsberm op deze plaats aan te leggen. Tevens zullen door de firma Desmedt aan de aanwezige breekinstallatie de nodige geluidsdempende materialen worden aangebracht. Zo beschikt de firma eveneens over een bouwvergunning voor het plaatsen van een afdak boven de breekinstallatie. Deze constructie beschermt de breek- en zeefinstallatie niet alleen tegen de weersomstandigheden, maar zorgt er ook voor dat de geproduceerde geluidsgolven worden weerkaatst naar de breekin- stallatie toe. Alzo wordt voorkomen dat de ontstane geluiden zich kunnen voortplanten in de omgeving. Aan de perceelsgrens met de terreinen van de firma A.B.R., waar een geluidsberm dient aangelegd te worden, bevindt zich reeds een groenscherm. Door de exploitant zal dit bestaande groenscherm verder worden uitgebreid, zodat een voldoende breed en hoog groenscherm ontstaat, samengesteld uit streekeigen groenblijvende gewassen. Wij verzoeken u dan ook hierbij een afwijking toe te staan van de bijzondere vergunningsvoorwaarde aangaande het aanleggen van een 4-meters hoge geluidsberm rondom de bedrijfsterreinen en deze bijzondere vergunningsvoor- waarde zo te wijzigen dat daar waar de terreinen van de firma Desmedt grenzen aan de percelen 63/w en 52/g geen geluidsberm dient aangebracht te worden". VII-16.549-3/10 1.
  7. In de maand augustus 1997 laat de verzoekende partij een volledig akoestisch onderzoek uitvoeren aangaande de geluidsbelasting van de breek- en zeefactiviteiten voor de omgeving. De verwerende partij wordt in kennis gesteld van het verslag met betrekking tot dat onderzoek. 1.
  8. Over het verzoek tot wijziging van de bijzondere vergunnings- voorwaarde worden vervolgens een aantal adviezen uitgebracht. a. Op 12 november 1997 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies over het verzoek. b. De afdeling Milieuvergunningen Vlaams-Brabant stelt in haar advies van 13 november 1997 dat er geen aanleiding bestaat om in te gaan op de vraag tot wijziging van de betrokken vergunningsvoorwaarde. Dat advies steunt louter op de vaststelling dat "aan de consideransen van het ministerieel besluit, die geleid hebben tot het opleggen van voormelde bijzondere voorwaarde, geen nieuwe feiten worden toegevoegd en dus hun waarde blijven behouden". c. Het hoofdbestuur Milieuvergunningen, advies verlenend op 2 december 1997, is daarentegen van oordeel dat wel ingegaan kan worden op het verzoek van de exploitant. Aan dat voorstel gaan onder meer volgende beschouwin- gen vooraf : "Gelet op de ligging van de inrichting in een industriegebied volgens het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977; Overwegende dat de inrichting volgens het voormelde gewestplan gelegen is : - ten noorden op ongeveer 150 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - ten zuidoosten op ongeveer 300 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, gescheiden door een natuurgebied; - ten oosten van en grenzend aan een natuurgebied; - ten westen van en grenzend aan de Willebroekse Vaart; Overwegende dat met deze aanvraag tot wijziging van de voorwaarden wordt gevraagd om langs de zijde waar het terrein grenst aan de percelen 63w en 52g geen geluidsberm aan te leggen; dat desbetreffende berm voorzien is langs de noorderzijde van het terrein en zou grenzen aan de terreinen van All Belgian Recycling en van een autohandelaar; dat het gebied ten noorden van het terrein tevens als bestemming industriegebied heeft; dat het dichtste woongebied gelegen is ten zuiden van de inrichting; dat de omgeving dun bebouwd is; (...) Overwegende dat de exploitant eind augustus 1997 een volledig akoestisch onderzoek heeft laten uitvoeren, waaruit blijkt dat er geen overschrijdingen zijn van de milieukwaliteitsnormen en richtwaarden in open lucht; Overwegende dat langs het achterste deel van de rechterzijde van het terrein van Mark Desmedt de firma A.B.R. grenst over een lengte van ongeveer 125 m; dat A.B.R. dezelfde activiteiten uitoefent als de b.v.b.a. Mark Desmedt; dat de werkzaamheden op beide terreinen op milieuhygiënisch vlak, namelijk voorna- melijk op gebied van geluidshinder, stofhinder en luchtverontreiniging een VII-16.549-4/10 gelijkaardige vorm van hinder veroorzaken; dat de mate van hinder die het ene bedrijf op het andere veroorzaakt relatief klein is in vergelijking met de hinder waaraan het zelf onderhevig is door de uitoefening van de eigen activiteiten; Overwegende dat rondom het terrein van A.B.R. reeds een metershoge berm is aangelegd, die beplant is met streekeigen beplanting; dat het overigens om planologische noch stedenbouwkundige redenen dwingend is om een geluidswal tussen identieke bestemmingen te voorzien; dat langs deze grens, op het terrein van b.v.b.a. Mark Desmedt, zich opslagplaatsen bevinden van het te zeven en te breken materiaal; dat deze opslagplaatsen tevens dienst doen als geluidsbuffer; Overwegende dat er zich in de onmiddellijke omgeving in de noordelijke richting geen hindergevoelige gebieden situeren; dat het bijgevolg onnodig is, om langs de grens met het perceel 52g, een tweede geluidsberm aan te leggen tussen beide inrichtingen, die dezelfde activiteit uitoefenen; Overwegende dat vooraan langs de rechterzijde van het terrein, tussen A.B.R. en b.v.b.a. Mark Desmedt, een autohandelaar in voertuigwrakken is gevestigd; dat beide inrichtingen aan elkaar grenzen over een lengte van in totaal 125 m; dat de inrichting van deze autohandelaar tevens in industriegebied is gelegen; Overwegende dat er momenteel tussen beide inrichtingen geen geluidsberm aanwezig is; dat beide inrichtingen verschillende activiteiten uitoefenen; dat het uitgevoerde akoestisch onderzoek aantoont, dat ten gevolge van de activiteiten van de breekinstallatie de richtwaarden in open lucht in het industriegebied niet worden overschreden; dat bijgevolg langs de grens met het perceel 63w geen geluidsberm moet worden aangelegd; (...)". d. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 5 december 1997 voorgesteld om de betrokken bijzondere vergunningsvoorwaarde te wijzigen zoals gevraagd door de exploitant. 1.
  9. Met het bestreden besluit van 25 januari 1998 weigert de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling echter positief gevolg te geven aan de vraag van de verzoekende partij tot wijziging van de bijzondere vergunnings- voorwaarde opgelegd bij besluit van 28 maart 1997;
  10. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring ondertekend is "door een niet nader omschreven persoon die ondertekent voor de B.V.B.A. Mark Desmedt", zodat niet nagegaan kan worden of "een gemachtigd/bevoegd persoon de B.V.B.A. Mark Desmedt in rechte vertegenwoordigt"; 2.
  12. Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij repliceert dat het verzoekschrift ondertekend is door haar raadsman; VII-16.549-5/10 2.
  13. Overwegende dat aan de hand van de neergelegde stukken, inzonderheid het begeleidend schrijven bij het ingediende verzoekschrift, vastgesteld kan worden dat de handtekening onderaan het verzoekschrift tot nietigverklaring afkomstig is van advocaat P. MENSALT; dat dienvolgens de exceptie niet opgaat;
  14. De gegrondheid van het beroep 3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij het derde middel afleidt "uit een manifeste beoordelingsfout" doordat in het bestreden besluit wordt overwogen dat het uitgevoerde geluidsonderzoek aantoont dat op een meetpunt, gesitueerd op circa 300 m van de breekinstallatie, een specifiek geluid van 51 dB (A) werd vastgesteld en de Vlarem-richtwaarde voor de dag en voor woongebieden op minder dan 500 m van een industriegebied slechts 50 dB(A) bedraagt, terwijl, zo betoogt de verzoekende partij, bijlage 2.2.
  16. van het Vlarem II-besluit van 1 juni 1995 m.b.t. de milieukwaliteitsnormen en richtwaarden voor geluid in open lucht een richtwaarde van 60 db(A) voor industriegebieden vooropstelt en haar inrichting aan die richtwaarde voldoet aangezien uit de uitgevoerde geluidsmetingen blijkt dat het specifiek geluid op het industrieterrein 51 dB(A) bedraagt; dat, voorts, de verzoe- kende partij nog stelt dat zij een bouwaanvraag heeft ingediend voor de aanleg van de betrokken geluidsberm, maar dat de gemachtigde stedenbouwkundige ambtenaar over die aanvraag ongunstig advies heeft uitgebracht om redenen die verband houden met de goede plaatselijke ordening, zodat zij geconfronteerd zou worden met tegenstrijdige beslissingen die haar werking blokkeren; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij daarop volgend antwoord geeft : "Het bestreden besluit overweegt t.a.v. het voorgebrachte akoestisch onderzoek voornamelijk : 'dat de geluidssituatie ten aanzien van andere omgevingspunten, inzonderheid de in andere richting gelegen woningen en het aangrenzend bedrijf voor voertuigwrakken, in voormeld geluidsrapport niet nader werd onderzocht.' en leidt daaruit af dat geen nieuwe feiten werden toegevoegd aan het dossier die een wijziging van het ministerieel besluit van 28/03/1997 verantwoorden. Er is dus geenszins een 'manifeste' beoordelingsfout. Wat het argument van 'tegenstrijdige' beslissingen betreft, stelt verwerende partij vast dat verwezen wordt naar een advies en niet naar een beslissing. In het kader van deze afwijkingsaanvraag werd weliswaar op 12/11/1997 een gunstig advies uitgebracht door de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van AROHM, doch dit advies gaat niet zover te stellen dat de geluidsnorm stedenbouwkundig niet zou kunnen. VII-16.549-6/10 De minister kan bij de beoordeling van de afwijkingsaanvraag uiteraard enkel rekening houden met de door hem gekende en voorgelegde adviezen, zodat er geenszins sprake kan zijn van een 'manifeste' beoordelingsfout"; 3.
  18. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoe- kende partij als volgt repliceert : "De beslissing van 25 januari 1998 erkent dat verzoekster een volledig akoestisch verslag heeft bijgebracht; De beslissing overweegt evenwel dat 'de in de andere richting gelegen woningen en het aangrenzend bedrijf voor voertuigwrakken, in het geluidsrap- port niet werd onderzocht'; De deskundige(n) die het onderzoek uitvoerde heeft voorafgaandelijk een grondig terreinonderzoek uitgevoerd en heeft hierbij geen bewoonde gebouwen opgemerkt. Het bedrijf voor voertuigwrakken is gelegen in een industriegebied, waar een richtwaarde van 60 dB geldt. Overigens is dit geen bewoond gebouw. Aldus dient de meting te gebeuren op 200 meter afstand van de terreingrens. Door dit onderzoek wordt aangetoond dat de uitbating in haar huidige samenstelling geen geluidsoverlast zal meebrengen. Ten overvloede meldt verzoekster dat bij brief van 31 3 1998 - dus na neerlegging van huidig verzoekschrift - de gemeente Grimbergen aan verzoek- ster haar weigeringsbeslissing tot het oprichten van aarden geluidsbermen met beplanting liet kennen. Dat de motivering van deze weigeringsbeslissing luidt : 'Door deze constructies, die een volledige bedrijfssite afsluiten van een internationale en hoogwaardige waterweg wordt aan- en afvoer van deze bulkmaterialen per schip onmogelijk gemaakt. Dit is in strijd met de plaatselijke goede ordening door de creatie van een overmatige verkeersdruk op de hiertoe niet geschikte wegenis en in een feitelijke zone voor water gebonden bedrijvigheid.' Dat verzoekster feitelijk en juridisch in de onmogelijkheid gesteld wordt haar verplichting tot oprichting van een geluidsberm uit te voeren"; 3.4.
  19. Overwegende dat de bestreden weigeringsbeslissing zijn motivering vindt in volgende overwegingen : "Overwegende dat de exploitant nu een rapport dd. 1 september 1997 voorlegt met verslag van een volledig akoestisch onderzoek uitgevoerd door bvba Mark Desmedt; dat dit geluidsonderzoek betrekking heeft op een referentiemeetpunt op circa 5 m van de breekinstallatie en één meetpunt gesitueerd op circa 300 m van de breekinstallatie; dat het specifiek geluid op dit laatste meetpunt 51 dB(A) bedroeg; dat de VLAREM-richtwaarde voor de dag en voor woongebieden op minder dan 500 m van een industriegebied 50 dB(A) bedraagt; dat de geluidssituatie ten aanzien van andere omgevingspunten, inzonderheid de in andere richting gelegen woningen en het aangrenzende bedrijf voor voertuigwrakken, in voormeld geluidsrapport niet nader werd onderzocht; Overwegende dat, zoals in het voormelde advies van 13 november 1997 van de afdeling Milieuvergunningen is gesteld, aan de overwegingen van het voormelde ministerieel besluit AMV/00034442/600 van 28 maart 1997 die geleid hebben tot het opleggen van bewuste bijzondere voorwaarde, geen nieuwe feiten worden toegevoegd en dus hun waarde blijven behouden; VII-16.549-7/10 Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde wijziging van de opgelegde bijzondere voorwaarden opgenomen in het ministerieel besluit nr. AMV/00034442/600 van 28 maart 1997 te weigeren"; dat uit die motivering, in het bijzonder uit de eerste overweging, blijkt dat de verwerende partij, zich steunend op het akoestisch onderzoek van 1 september 1997, van oordeel is dat de in Vlarem II vermelde milieukwaliteitsnormen en richtwaarden voor geluid in open lucht door de exploitatie worden overschreden; 3.4.
  20. Overwegende dat, zoals de verzoekende partij terecht betoogt, uit het verslag van de n.v. ACOUSTICAL ENGINEERING over het volledig akoestisch onderzoek blijkt dat het bedoelde meetpunt gesitueerd was "op het terrein van de firma Desmedt op ca. 100 meter van de dichtstbijzijnde woning/appartement", dat ter hoogte van dat meetpunt het specifiek geluid van de breekinstallatie 51 dB(A) bedroeg, maar dat via extrapolatie een geluidsdrukniveau van ca. 49 dB(A) bekomen werd ter hoogte van de in woongebied gelegen woningen aan de Verbindingsweg en de Humbeeksesteenweg; dat op grond van bovenstaande vaststellingen wordt geconcludeerd dat de geluidsdrukniveaus "conform" zijn aan de "richtwaarden uit Vlarem II voor de dagperiode"; dat het hoofdbestuur Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie in hun adviezen van respectievelijk 2 december 1997 en 5 december 1997 eveneens stellen dat uit het volledig akoestisch onderzoek blijkt dat "er geen overschrijdingen zijn van de milieukwaliteitsnormen en richtwaarden in open lucht"; 3.4.
  21. Overwegende dat het bestreden besluit uit de geluidsmetingen een verkeerde conclusie trekt; dat, immers, in die conclusie eraan wordt voorbijgegaan dat het specifiek geluid van 51 d(B)A werd gemeten op een meetpunt dat in industriegebied was gesitueerd, alwaar volgens Vlarem II een richtwaarde van 60 d(B)A geldt; dat het bestreden besluit dan ook ten onrechte een geluidsdrukniveau dat in industriegebied 60 d(B)A mag bedragen vergelijkt met de lagere "Vlarem-richtwaarde voor de dag en voor woongebieden op minder dan 500 m van een industriegebied"; dat daarenboven de geluidssituatie ten zuiden van de inrichting, dit is de richting van de dichtstbijzijnde woningen aan de Verbindingsweg en de Humbeeksesteenweg in casu niet relevant is, daar de verzoekende partij enkel gevraagd heeft om vrijgesteld te worden van de aanleg van een geluidsberm aan de noordzijde van haar bedrijfsterrein; dat in acht genomen het advies van de Gewestelij- ke Milieuvergunningscommissie waarin wordt gesteld dat "er zich in de onmiddellijke omgeving in de noordelijke richting geen hindergevoelige gebieden situeren", de aansluitende overweging dat "de geluidssituatie ten aanzien van andere omgevings- VII-16.549-8/10 punten, inzonderheid de in de andere richting gelegen woningen en het aangrenzend bedrijf voor voertuigwrakken in voormeld geluidsrapport niet nader werd onder- zocht" evenmin een afdoend weigeringsmotief vormt, zoals de verzoekende partij terecht doet gelden; Overwegende, tenslotte, dat in het bestreden besluit nog wordt overwogen dat aan de overwegingen van het ministerieel besluit van 28 maart 1997, die geleid hebben tot het opleggen van bewuste bijzondere voorwaarde, geen nieuwe feiten werden toegevoegd en zij dus hun waarde blijven behouden; dat uit het verweer van de verwerende partij bij het tweede middel blijkt dat deze overweging onlosma- kelijk samenhangt met en het louter gevolg is van het hiervoren besproken weigeringsmotief; dat immers de verwerende partij daar stelt dat "het enige nieuwe argument" van de verzoekende partij het akoestisch onderzoek van 1 september 1997 uitmaakt, maar dat "de resultaten van dit onderzoek de afwijkingsaanvraag niet konden ondersteunen", en daaruit concludeert dat terecht werd overwogen dat aan het ministerieel besluit van 28 maart 1997 waarin de kwestieuze bijzondere voorwaarde werd opgelegd, geen nieuwe feiten worden toegevoegd en deze dus hun waarde blijven behouden; dat hiervoren is gebleken dat de verwerende partij de conclusie van deze studie op grond van niet pertinente en deugdelijke motieven heeft terzijde geschoven; dat dienvolgens de overweging dat geen nieuwe feiten werden aangebracht evenmin als deugdelijk kan worden aangemerkt, terzijde gelaten de vraag of artikel 45 van Vlarem I wel vereist dat het verzoek van de exploitant tot wijziging van een voorheen opgelegde vergunningsvoorwaarde dient gemotiveerd te zijn door nieuwe feiten; Overwegende dat het derde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Vernietigd wordt het besluit van 25 januari 1998 van de Vlaamse minister van leefmilieu en tewerkstelling waarbij het op grond van artikel 45 van Vlarem I ingediend verzoek van de b.v.b.a. Mark DESMEDT tot wijziging van een vergunningsvoorwaarde met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het breken en zeven van bouw- en sloopafval, gelegen aan de Westvaartdijk 73 te Grimbergen, niet wordt ingewilligd. VII-16.549-9/10 Artikel
  23. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.549-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.