id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.265 Rolnummer: A. 81612/VII-17491 Zaak: Arrest 133265 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:46 Fiche Arrest nr 133.265 van 29 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.265 van 29 juni 2004 in de zaak A. 81.612/VII-17.491. In zake : de n.v. KODEVA, die woonplaats kiest bij Advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus 1. ----------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. KODEVA op 17 december 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 15 oktober 1998 waarbij het beroep door de Vlaamse Landmaatschappij aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 16 april 1998 houdende, eensdeels, het verlenen van de vergunning op proef aan de verzoekende partij voor het verder exploiteren en het uitbreiden van een varkensfokkerij, gelegen aan de Kortemarkstraat 193 te Torhout, tot een totale capaciteit van 3.795 mestvarkens en de opslag van 5.083 m³ mest en 2.000 liter mazout en, anderdeels, het weigeren van de vergunning voor het verder exploiteren van 1.265 varkens in voormelde inrichting, gegrond wordt verklaard, het bestreden besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning geweigerd; Gelet op het arrest nr. 80.333 van 20 mei 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-17.491-1/13 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 25 februari 2003 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RONSE die, loco Advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij baat te Torhout, aan de Kortemarkstraat 193, een varkensbedrijf uit. VII-17.491-2/13 1.2. Op 8 december 1997 dient zij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag klasse 1 in met als voorwerp het verder exploiteren van haar varkensfokkerij met 5.060 mestvarkens, 5.083 m³ mestopslag en 2.000 liter mazoutopslag. Met een besluit van 24 april 1998 verleent de bestendige deputatie een vergunning voor een termijn van één jaar op proef en dit voor een varkensfokkerij met 3.795 mestvarkens, 5.083 m³ mestopslag en 2.000 liter mazoutopslag. 1.3. De Vlaamse Landmaatschappij tekent op 19 mei 1998 beroep aan tegen deze beslissing, in essentie omdat de inrichting tot een niet als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerde inrichting behoort en omdat met toepassing van artikel 4, §1, 2/, a, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen ( vergunningenbesluit) onvoldoende mestafzet zou zijn bewezen. 1.4. Gedurende de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verstrekt : - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 16 juni 1998 : gunstig voor de in eerste aanleg vergunde inrichting; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg op 30 juni 1998 : gunstig voor de in eerste aanleg vergunde inrichting; - de Vlaamse Landmaatschappij op 30 juli 1998 : ongunstig voor de inrichting; - de hoofdbestuur Milieuvergunningen op 5 augustus 1998 : bevestiging van de beroepen beslissing; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 7 augustus 1998 : volledige weigering van de vergunning. 1.5. Met het bestreden besluit wordt de aanvraag in haar geheel geweigerd, op grond van volgende motivering : "Overwegende dat onderhavige inrichting niet als een gezinsveeteeltbe- drijf kan beschouwd worden; dat volgens de bepalingen van het Vergunning- enbesluit de hernieuwing slechts kan toegestaan worden voor 75 % van de oorspronkelijk vergunde capaciteit, zijnde 3.795 mestvarkens; Overwegende dat deze inrichting een vergunde mestproductie heeft van 25.300 kg P2O5, overeenkomstig 5.060 mestvarkens; dat deze inrichting behoort tot een bedrijf dat een totale vergunde mestproductie heeft van 48.575 kg P2O5, overeenkomstig 7.435 mestvarkens en 60.000 patrijzen; dat VII-17.491-3/13 de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export 23.426,5 kg P2O5 bedraagt; dat niet voldaan wordt aan alle criteria van artikel 4, §1, 2/ van het Vergunningenbesluit vermits de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export niet minstens even groot is als de som van de gewenste vergunde mestproductie van het bedrijf waartoe deze inrichting behoort; dat de vergunning bijgevolg niet kan worden verleend"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel aanvoert wat volgt : "B. Tweede middel : Machtsoverschrijding. Schending van art. 4 par. 2,
- a)van het Vergunningenbesluit. Schending van art. 2, 10/ van het Decreet van 23.1.1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreini- ging door meststoffen. Schending van de art. 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29.7.1991. 1. Art. 4, par. 1, 2/ van het Vergunningenbesluit van 20.12.1995 bepaalt dat, indien de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de hernieuwing van een vergunning of een verandering zonder uitbreiding van de mestproductie, van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een niet-gezinsveeteeltbedrijf, de vergunningsaanvraag slechts kan worden ingewilligd in de mate de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export, minstens even groot is als de som van de vergunde producties van alle inrichtingen van het bedrijf samen. 2. Ten onrechte wordt in de bestreden beslissing ervan uitgegaan dat het bedrijf van verzoekster 'een totale vergunde mestproductie heeft van 48.575 kg P2 O5, overeenkomstig 7.435 mestvarkens en 60.000 patrijzen' waartegenover slechts een mestafzet zou staan van 23.426,5 kg P2O5. 3. Bij de berekening van de vergunde productie houdt verwerende partij rekening met volgende inrichtingen : - KODEVA te Torhout : 5.060 mestvarkens - SEGAERT te Kortemark : 875 mestvarkens - DARRAS te Koekelare : 1.500 mestvarkens (+ 60.000 patrijzen) Tesamen maakt dit 7.435 mestvarkens en 60.000 patrijzen. Nochtans : - wordt in de proefvergunning het aantal dieren te Torhout gereduceerd van 5.060 tot 3.795 mestvarkens, hetgeen een aftrek verantwoordt van 1.265 x 5 = 6.325 kg P2O5 - wordt ten onrechte rekening gehouden met de 1.500 mestvarkens in het bedrijf DARRAS, terwijl deze entiteit per 1.1.1997 werd overgedragen aan de b.v.b.a. DECORTE, hetgeen de Vlaamse Landmaatschappij ten andere erkent, ten bewijze de rectificatie-aangiftes voor de n.v. KODEVA en de b.v.b.a. DECORTE dd. 24.11.98. Aldus is er een bijkomende aftrek vereist van 1.500 x 5 = 7.500 kg P2O5. - kunnen al evenmin de 60.000 patrijzen in rekening gebracht worden die horen tot de inrichting van de heer DARRAS en die nimmer eigendom zijn geweest van verzoekster. Een en ander leidt tot een verdere aftrek van 60.000 x 0,19 = 11.400 kg P2O5. De correcte berekening doet zich als volgt voor : 48.575 - 6.325 - 7.500 - 11.400 = 23.250 kg P2O5, terwijl een mestafzet wordt aanvaard van 23.426,5 kg. VII-17.491-4/13 De mestafzet was aldus voldoende. Slotsom is dat verwerende partij is overgegaan tot een verkeerde berekening en geen reden had om het beroep van de Vlaamse (Land)maatschappij in te willigen, laat staan integraal in te willigen. 4. Verzoekster wijst er trouwens op dat verwerende partij niet de minste motivering geeft over het insluiten van de exploitatie van de heer DARRAS te Koekelare in het bedrijf van verzoekster. Op geen enkele wijze wordt aangegeven dat de entiteit van de heer DARRAS beantwoordt aan één van de casussen bedoeld in art. 2, 1/ van het Mestdecreet van 23.1.1991. Daardoor is de bestreden beslissing niet enkel in strijd met deze bepaling, maar ook met de art. 2 en 3 van de formele motiveringswet en van het algemeen rechtsbeginsel houdende formele en materiële motivering van bestuurshandelingen (vgl. R.v.St., VERMEERSCH e.a., nr. 74.715, 29.6.1998)"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord volgende repliek geeft : "II.2.1. Uitgaande van de verschillende adviezen inzonder het advies van de Vlaamse Landmaatschappij - vereist binnen het kader van de milieuvergunningsprocedure - vermocht de Minister perfect redelijk ervan uitgaan dat verzoekster een totale vergunde mestproductie had van 48.575 kg P2O5, overeenkomstig 7.435 mestvarkens en 60.000 patrijzen, waartegenover slechts een mestafzet stond van 23.426,5 kg P2O5. II.2.2. Verzoekende partij houdt voor dat er een aftrek zou moeten gebeuren van 1.265 x 5 = 6.325 kg P2O5, vermits in de door de bestendige deputatie verleende proefvergunning het aantal mestvarkens tot 3.795 werd gereduceerd. Niets is minder waar ! Zoals ook terecht door de Auditeur in het schorsingsverslag (p. 21) gesteld, dient de Minister, in het kader van het georganiseerd administratief beroep, de milieuvergunningsaanvraag - i.c. de hernieuwingsaanvraag - in haar geheel opnieuw ten gronde te bekijken. De Minister is in dit onderzoek niet gebonden door de beslissingen in eerste aanleg genomen ! De Minister, als beroepsinstantie, moet geen rekening houden met de in eerste aanleg afgegeven milieuvergunning vermits hij, gelet op de devolutieve werking van het bij hem ingesteld beroep, de aanvraag opnieuw ten gronde dient te bekijken. De aanvraag had betrekking op 5.060 mestvarkens en niet op 3.795 mestvarkens. Aldus diende de met 5.060 mestvarkens gepaard gaande mestproductie in aanmerking genomen te worden. Zie ook het schorsingsarrest nr. 80.333 van 20 mei 1999 : Dit impliceert dat de minister de aanvraag die tot het beroepen besluit van de bestendige deputatie heeft geleid diende te onderzoeken. 3.3.2.3. Die aanvraag had betrekking op 5.060 mestvarkens en niet op 3.795 mestvarkens. VII-17.491-5/13 De minister diende dus de met 5.060 mestvarkens gepaarde mestproductie in aanmerking te nemen. Dit impliceert dat volgens de berekeningen van de verzoekende partij zelf, ook wanneer geen rekening zou worden gehouden met de mestproductie van het bedrijf DARRAS (mestvarkens én patrijzen), er meer mestproductie is dan de som van de mestafzet. Derhalve vermocht de minister de aanvraag zoals ze voorlag te weigeren'. II.2.3. Bovendien dateert de bestreden beslissing van 15 oktober 1998, waarbij de toestand bekeken werd op basis van de laatst gekende Mestbankgegevens. De door verzoekende partij aangehaalde rectificatieaangiftes (naar aanleiding van de heffing) zouden dateren van 24.11.1998. Ten onrechte vermeldt verzoekende partij alsdan dat ten tijde van de bestreden beslissing een bijkomende aftrek van 1.500 mestvar- kens x 5 = 7.500 kg P2O5 zou moeten geschied zijn. Tevens moet worden vastgesteld dat, indien de over(name) door de b.v.b.a. DECORTE per 1.1.1997 zou zijn gebeurd en aldus de exploitatie per 31.12.96 werd stopgezet, verzoekende partij dit had moeten laten weten in zijn aangifte aanslagjaar 97 productietoe- stand 1996, dat immers vóór 15.03.1997 moest ingediend zijn. Op geen enkel ogenblik, noch in eerste aanleg noch in de beroepsprocedure, werd verwerende partij op de hoogte gebracht van deze overname. II.2.4. Daarenboven moet vermeld worden dat, zelfs indien 5.935 (5.060 + 875) mestvarkens in rekenschap zouden zijn gebracht, daarmee corresponderend 29.675 kg P2O5, met een aanvaarde mestafzet van 23.426,5 kg P2O5, er nog een tekort zou bestaan van 6.248,5 kg P2O5. Het hierboven gestelde werd ook door de Auditeur in het schorsingsverslag opgeworpen (p. 21-22) : De door verzoekende partij opgegeven grondgebonden mestafzet is aanvaard voor 23.426,5 kg P2O5. Volgens de verwerende partij zou er op basis van 5.060 mestvarkens in de inrichting waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, van 1.500 varkens en patrijzen in de inrich- ting DARRAS een productie van 48.575 kg P2O5 grondgebon- den mestafzet moeten worden bewezen. Welnu, in punt 2 is reeds aangetoond dat prima facie wel degelijk 5.060 varkens en geen 3.975 mestvarkens in aanmer- king moeten worden genomen. De aftrek voor de 1.500 varkens en 60.000 patrijzen in de inrichting DARRAS kan volgens de verzoekende partij zelf 7.500 + 11.400 = 18.900 kg P2O5 bedragen. 48.575 - 18.900 = 29.675 kg P2O5 te bewijzen grondge- bonden mestafzet, daar waar de verzoekende partij een grondgebonden mestafzet van 23.426,5 kg P2O5 bewijst, hetgeen ongeveer 6.200 kg te weinig. Aldus zou, zelfs met de aftrek van de 1.500 mestvarkens en de 60.000 patrijzen van de inrichting DARRAS, niet aan de VII-17.491-6/13 voorwaarden van art. 4, § 1, 2/,
- a)Vergunningenbesluit zijn voldaan. Het valt niet in te zien welk belang de verzoekende partij nog bij dit onderdeel van het middel heeft'. II.2.5. Het onderdeel van het middel waarbij de verzoekende partij opwerpt dat door de verwerende partij niet in het minst zou worden gemotiveerd waarom de entiteit van de heer DARRAS bij het bedrijf van de verzoekende partij wordt gerekend, wordt door de Auditeur terecht in het verslag (lees : schorsingsverslag) als volgt beantwoord (p. 22) : Evenmin is nog van belang of al dan niet afdoende wordt gemotiveerd waarom de inrichting DARRAS als behorende tot het bedrijf van de verzoekende partij en niet tot een ander bedrijf wordt beschouwd'. Aanvullend en subsidiair kan echter worden gesteld dat de Minister terecht, op basis van de feitelijke gegevens in de onderzoeksversla- gen van de Mestbank, alsook het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie volgend, kon vaststellen dat deze inrichting tot een bedrijf behoorde dat nog andere inrichtingen uitbaatte waaronder in de Pereboomstraat 10 te 8610 Kortemark en Molenhoek 3 te 8680 Koekelare. Vervolgens heeft de Minister terecht beslist dat gezien de totale gewenste vergunde mestproductie van het bedrijf waartoe betrok- ken inrichting behoorde, er onvoldoende mestafzetmogelijkheid naar de toekomst was bewezen en er aldus niet voldaan was aan artikel 4, § 1 2/ a. De vergunningverlenende overheid oordeelt discretionair over het al of niet verlenen van de vergunning. In zijn oordeelsvorming betrekt de Minister de uit te brengen adviezen. De Vlaamse Minister heeft de wettige en gegronde redenen aangegeven die hem ertoe hebben aangezet de bestreden beslissing te nemen. De bestreden beslissing is duidelijk formeel gemotiveerd : - de feiten worden weergegeven - de juridische regels die toegepast worden, worden weergege- ven - er wordt aangegeven hoe de feiten op basis van de juridische regels tot de beslissing aanleiding geven (zie terzake : VANDE LANOTTE, J.. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 5 e.v.) De bestreden beslissing is bovendien afdoende gemotiveerd : - de motivering is pertinent : ze heeft duidelijk met de beslissing te maken - de motivering is draagkrachtig : de aangehaalde redenen volstaan om de beslissing te dragen. II.2.6. Het middel mist volkomen grondslag"; VII-17.491-7/13 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord betwist dat de verwerende partij zich diende uit te spreken over de aangevraagde 5.060 varkens; dat zij desbetreffend doet gelden : "(...) Het mag wel duidelijk zijn dat onderhavige zaak het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tot doel had om de vergunning de partij geen beroep aangetekend tegen de eerste beslissing. Ook in de bestreden beslissing wordt in zoveel woorden voorgehouden dat de weigeringsbeslissing voor de exploitatie van 1.265 mestvarkens definitief is geworden. (...) De minister moest en mocht geen rekening houden met een bij 5.060 mestvarkens gepaarde mestproductie bij de beoordeling in het kader van de beroepsprocedure, alwaar de Bestendige Deputatie definitief had beslist over het maximale quantum aan mestvarkens, met name 3.975 en niet 5.060 mestvarkens. Verwerende partij kon zodoende niet zonder artikel 4, § 2, a. van het vergunningenbesluit, artikel 2, 10/ van het meststoffendecreet en de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet te schenden, bij de bereke- ning van de vergunde productie niettemin rekening houden met 5.060 mestvarkens"; dat zij "ondergeschikt" nog volgend betoog houdt : "1. Zelfs indien de overheid rekening moest houden met een mestafzet voor 5.060 mestvarkens, niettegenstaande de beperkte omvang van het beroep (en de automatische afbouwregeling met een kwart), dan nog vermocht verwerende partij die, al dan niet terecht, tot de constatatie kwam dat de mestafzet niet de volledige vergunningsaanvraag dekte, niet de gehele aanvraag te weigeren, eerder dan een vergunning toe te staan voor een capaciteit waarvoor wél voldoende mestafzet bewezen is (3.795 mestvarkens of desgevallend minder). 2. Inderdaad bepaalt artikel 4, § 1, 2/ van het vergunningenbesluit dat, indien de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de hernieuwing van een vergunning of een verandering zonder uitbreiding van de mestproductie, van een bestaande veeteelt horende bij een niet-gezinsveeteeltbedrijf, de vergunningsaanvraag slechts kan worden ingewilligd in de mate de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export minstens even groot is als de som van de vergunde producties van alle inrichtingen van het bedrijf samen. Verwerende partij was er zodoende toe gehouden om de aanvraag minstens te honoreren pro rata de bewezen mestafzet. 3. Ten onrechte zou worden opgeworpen dat (het) hier gaat om een Het tegendeel is waar, zo blijkt bij een lezing van het annulatieberoep : Het is verzoekende partij wel degelijk toe te laten om haar tweede middel in de loop van de procedure nader toe te lichten. Van een nieuw middel is er geen sprake"; VII-17.491-8/13 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie nog in essentie beklemtoont dat de Vlaamse Landmaatschappij de omvang van haar beroep geenszins beperkte, maar een volledige opheffing van de beslissing in eerste aanleg vroeg, hetgeen tot gevolg had dat geen enkel onderdeel van de beslissing van de bestendige deputatie definitief kon worden, dat het geenszins opgaat om de omvang van een beroep van een beroepindiener af te leiden uit het afwezig blijven van het indienen van een beroep door andere belanghebbenden, dat bijgevolg de minister zich diende uit te spreken over de vergunningsaanvraag zoals deze ook voorlag in eerste aanleg en aldus diende rekening te houden met 5.060 mestvarkens en niet met slechts 3.795; dat, wat het in rekening brengen van de vergunde mestproductie van de inrichting DARRAS te Koekelare betreft, de verwerende partij vooreerst wijst op het niet naleven door de verzoekende partij van het beginsel "van behoorlijk burgerschap" wegens enerzijds het niet melden van de stopzetting van de exploitatie van deze inrichting wegens overdracht op 1 januari 1997 en anderzijds door "op geen enkel moment in de vergunningspro- cedure opmerkingen te geven op de wijze van berekenen, om dan met een argument met het karakter van een deus ex machina te komen aandraven eens de laatste beslissing in de administratieve besluitvorming reeds genomen is"; dat zij er aan toevoegt dat, zelfs als zou bij de berekening van de vergunde mestproduc- tie geen rekening gehouden zijn met de inrichting DARRAS te Koekelare er toch nog een tekort zou zijn van 6.248,5 P2O5, zodat de minister overeenkomstig artikel 4, § 2, a), van het vergunningenbesluit de aanvraag zoals ze voorlag vermocht te weigeren, ongeacht of met de inrichting DARRAS rekening mocht gehouden worden bij de berekening van de vergunde productie; 2.5.1. Overwegende dat de verzoekende partij in eerste aanleg de vergunning heeft verkregen voor het exploiteren van, wat het aantal dieren betreft, 3.795 mestvarkens terwijl zij een vergunning had aangevraagd voor 5.060 mestvarkens; dat zij ervoor heeft geopteerd tegen die beslissing geen administra- tief beroep in te stellen; dat zij aldus de beperking tot 3.795 mestvarkens had aanvaard met als gevolg dat de verwerende partij niet de bevoegdheid had om alsnog meer te vergunnen dan de bestendige deputatie had vergund; dat het gegeven dat de Vlaamse Landmaatschappij in haar beroepschrift had gevraagd om de vergunning in haar geheel te weigeren aan die beperkte bevoegdheid van de verwerende partij geen afbreuk doet; dat dienvolgens bij de beoordeling dient te worden uitgegaan van een gevraagde mestproductie van 18.975 kg P2O5 (3.795 x 5) of 6.325 kg P2O5 in min; VII-17.491-9/13 2.5.2. Overwegende, wat de inrichting Molenhoek Koekelare betreft, dat de verzoekende partij een afschrift neerlegt van haar mestbankaangifte voor het aanslagjaar 1998 (productiejaar 1997), gedateerd 6 maart 1998 waarbij ze vermeldt dat de entiteit met mestbanknummer 2301002 9807 zijnde de inrichting Koekelare werd overgedragen aan de b.v.b.a. DE CORTE, vanaf 1 januari 1997; dat zij ook nog een aangifte met dezelfde datum neerlegt, die volgens de verzoekende partij uitgaat van de b.v.b.a. DECORTE, waarbij de overname wordt gemeld van dezelfde entiteit vanaf 1 januari 1997; dat de verwerende partij die aangiftes niet betwist; dat in acht genomen het gegeven dat de voorgelegde mestbankaangiftes reeds dateren van 6 maart 1998, het administratief beroep van de Vlaamse Landmaatschappij pas van 19 mei 1998 en het advies van dezelfde administratie van 3 augustus 1998, de verwerende partij, die verantwoordelijk is voor de goede werking van de Vlaamse Landmaatschappij, wel degelijk in haar beslissing van 15 oktober 1998 rekening had dienen te houden met de gegevens vermeld in de mestbankaangiftes van 6 maart 1998; dat de verwerende partij zich dan ook niet kon steunen op de mestbankaangiftes aanslagjaar 1997 (productie- toestand 1996); dat, voorts, in geen van de mestbankaangiftes van de verzoeken- de partij melding wordt gemaakt van de exploitatie van 60.000 patrijzen en dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de vergunning voor die dieren op naam staat van Dirk DARRAS; dat de verwerende partij de bewering van de verzoekende partij dat de 60.000 patrijzen behoren tot de inrichting van de heer DARRAS en nooit eigendom van haar zijn geweest, niet betwist; 2.5.3. Overwegende dat het gegeven dat de verzoekende partij in haar mestbankaangifte van 1997 (productiejaar 1996) de stopzetting van deze inrichting wegens overdracht op 1 januari 1997 niet had gemeld en tijdens de vergunningsprocedure geen opmerkingen heeft gegeven op de wijze van berekenen nog niet inhoudt dat zij het beginsel "van behoorlijk burgerschap" zodanig heeft geschonden dat de verwerende partij niet ten euvel kon worden geduid in de bestreden beslissing met de gewijzigde situatie geen rekening te hebben gehouden en dit om volgende redenen : 1) de verzoekende partij is er blijkbaar van uitgegaan dat overname en stopzetting van de inrichting samenvielen, daar zij op 31 december 1996 de inrichting nog effectief heeft geëxploiteerd; dergelijke misvatting kan bezwaarlijk als een gebrek aan behoorlijk burgerschap worden beschouwd; 2) de verzoekende partij wenste zich bij de in eerste aanleg gedeeltelijk verleende vergunning neer te leggen zodat er wat haar betreft geen reden VII-17.491-10/13 was om tegen die beslissing administratief beroep aan te tekenen met rectificatie van de in dat besluit globaal -zonder specificatie van de inrichting- en van de verzoekende partij- vermelde mestproductie; 3) de verzoekende partij kon de mening zijn toegedaan en had het recht er van uit te gaan dat de verwerende partij de vergunningsaanvraag zou heronder- zoeken, rekening houdend met de meest recente mestbankaangifte waaruit voldoende bleek dat de betrokken inrichting te Koekelare in 1997 niet langer door de verzoekende partij werd geëxploiteerd; 4) Van de 60.000 patrijzen, waarvan de mestproductie in de bestreden beslissing in rekening werd gebracht, was in het beroepschrift van de Vlaamse Landmaatschappij nog geen sprake. Pas tijdens de behandeling van het administratief beroep is er voor het eerst sprake van de exploitatie van 60.000 patrijzen; 2.5.4. Overwegende dat rekening houdend met de door de verzoeken- de partij neergelegde stukken die door de verwerende partij niet worden betwist, dient te worden besloten dat de mestproductie die diende beoordeeld te worden bij de bestreden beslissing moest worden berekend overeenkomstig de berekening van de verzoekende partij zoals weergegeven in haar verzoekschrift; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 15 oktober 1998 waarbij het beroep door de Vlaamse Landmaatschappij aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 16 april 1998 houdende, eensdeels, het verlenen van de vergunning op proef aan de n.v.KODE- VA voor het verder exploiteren en het uitbreiden van een varkensfokkerij, gelegen aan de Kortemarkstraat 193 te Torhout, tot een totale capaciteit van 3.795 mestvarkens en de opslag van 5.083 m³ mest en 2.000 liter mazout en, anderdeels, het weigeren van de vergunning voor het verder exploiteren van 1.265 varkens in voormelde inrichting, gegrond wordt verklaard, het bestreden besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning geweigerd. VII-17.491-11/13 VII-17.491-12/13 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was sameng- esteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.491-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.265 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.80.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div