← België

Arrest 133270 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.270 Rolnummer: Zaak: Arrest 133270 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-04 07:52 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 133.270 van 29 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.270 van 29 juni 2004 in de zaken A. 65.528/VII-21.463 A. 65.559/VII-21.454. In zake : I. de v.z.w. FEDERATIE VAN DE RUSTOORDEN VAN BELGIE (FERUBEL), II. de b.v.b.a. DUBECI, die woonplaats kiezen bij advocaten B. en L. CAMBIER, kantoor houdende te BRUSSEL, J.-B. Meunierstraat 22. tegen : I + II de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van sociale zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. FEDERATIE VAN DE RUSTOORDEN VAN BELGIE (FERUBEL) op 9 september 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “het ministerieel besluit van 5 april 1995 ‘tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de in artikel 34, 12/, van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen’, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 1995, blz. 19.532 tot 19.538" (zaak A. 65.528/VII-21.463); Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DUBECI op 12 september 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van hetzelfde ministerieel besluit (zaak A. 65.559/VII-21.454); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 12 juli 2000 tot voeging van de zaken; VII-21.463-1/12 Gelet op de beschikking van 12 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. SMOUT die, loco advocaten B. en L. CAMBIER verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adjunct- adviseur P. MYLEMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de volgende feitelijke gegevens van belang zijn voor de behandeling van de zaak : 1.1. Met het arrest nr. 49.991 van 28 oktober 1994, vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 19 mei 1992 tot vaststelling van de tegemoet- koming, bedoeld in artikel 25, § 9, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor de in artikel 23, 13/, van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen. Deze vernietiging is gebaseerd op een schending van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, omdat het ontwerpbesluit niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd, en de hoogdringendheid, ingeroepen om het advies niet te vragen, niet afdoende gemotiveerd was. VII-21.463-2/12 1.2. Ingevolge deze vernietiging gaat de verwerende partij over tot het ontwerpen van nieuwe besluiten (geldig voor verschillende perioden). 1.3. Op 30 november 1994 stelt de Dienst voor geneeskundige verzorging aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Rijksinsti- tuut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering voor de vernietigde bepalingen over te nemen met terugwerking tot de datum van uitwerking van het vernietigde besluit. 1.4. Op 5 december 1994 stemt het Verzekeringscomité voor geneeskun- dige verzorging in met dit voorstel. 1.5. Op 31 januari 1995 legt de Dienst voor geneeskundige verzorging aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging onder meer het ontwerp dat het bestreden besluit zal worden voor. 1.6. Op 6 februari 1995 verleent het Verzekeringscomité voor geneeskundige verzorging een gunstig advies. 1.7. Op 14 februari 1995 legt de Dienst voor geneeskundige verzorging de onder punt 1.5 bedoelde nota voor aan de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het R.I.Z.I.V. 1.8. Op 20 februari 1995 verleent de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging eveneens een gunstig advies. 1.9. Op 5 april 1995 wordt het thans bestreden besluit genomen. De aanhef van het besluit bevat de volgende vermeldingen : "Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het thans geldende ministerieel besluit van 10 april 1991 tot vaststelling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 25, § 9, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor de in artikel 23, 13/, van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 24 december 1991, een aantal mistoestanden in de hand kan werken op het vlak van de beroepsbekwaam- heid van het verzorgingspersoneel en op het vlak van de continuïteit aan verzorging en verpleging en dit zo vlug mogelijk dient verholpen te worden en overwegende dat de door de Regering vooropgestelde besparingsmaatregelen gevaar lopen om niet gerealiseerd te worden, is het noodzakelijk dat dit besluit zo vlug mogelijk ter kennis wordt gebracht". VII-21.463-3/12 1.10. Het bestreden besluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 1995; 2. Ten gronde - bespreking van het eerste middel : schending van artikel 3, § 1, R.v.St.-wet 2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten ontwikkelen : 2.1.1. In de verzoekschriften wordt het eerste middel als volgt geformuleerd: "§ 1 - Eerste middel : Hoogdringendheid Middel genomen uit de schending van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, o.a. het artikel 3, §1; Uit de schending van de substantiële of op nietigheid voorgeschreven vormvereisten; Uit de afwezigheid, de dwaling, de ontoereikendheid of de tegenstrijdigheid in de oorzaken of de motieven; Eerste Onderdeel : Termijn Doordat het bestreden besluit in haar preambule de dringende noodzakelijkheid aanhaalt om de niet-raadpleging van de Raad van State, Afdeling Wetgeving te verrechtvaardigen; Terwijl het bestreden besluit werd aangenomen op 5 april 1995, nl. 5 maand na het vernietigingsarrest van de Raad van State; Dat een termijn van 5 maanden voor de goedkeuring van bepalingen, die identiek is met degene die werden vernietigd, de vermeende hoogdringendheid tegenspreekt; Dat het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging drie maanden nodig had om een advies te verlenen; dat indien het bestreden besluit werkelijk bij hoogdringendheid moest worden genomen, het praktisch zeker is dat een advies had kunnen worden gevraagd en verkregen binnen een kortere termijn; Dat de hoogdringendheid nog minder gerechtvaardigd is wanneer men in ogenschouw neemt dat er nog twee maand zijn verlopen tussen het verlenen van het advies en de goedkeuring van het bestreden besluit; dat de lengte van deze termijn en de vergelijkbaarheid van de vernietigde teksten met het bestreden besluit het inroepen van de hoogdringendheid niet toelaten; Dat bijgevolg de goedkeuringstermijn voor het bestreden besluit aantoont dat er geen hoogdringendheid was; En terwijl het bestreden besluit werd genomen op 5 april 1995, maar slechts werd bekendgemaakt op 14 juli 1995; Dat deze termijn van drie maanden voor de bekendmaking van het bestreden besluit in tegenstrijdigheid is met de ingeroepen hoogdringendheid voor haar inwerkingtreding; Dat deze lange termijn de Afdeling Wetgeving van de Raad van State de tijd had gegeven een advies te verlenen over het bestreden besluit; VII-21.463-4/12 Dat dit lange wachten des te eigenaardiger is wanneer men weet dat een ander ministerieel besluit met een gelijkaardige inhoud en ondertekend op 5 april 1995, een maand eerder werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad; Dat geen enkele reden dergelijk lang dralen kan verantwoorden; Tweede onderdeel : Motivering Doordat de hoogdringendheid als volgt is gemotiveerd : - kwaamheid van het verzorgingspersoneel en op het vlak van de continu- iteit aan verzorging en verpleging en dit zo vlug mogelijk dient verholpen te worden’. - ‘dat de door de Regering vooropgestelde besparingsmaatregelen gevaar lopen om niet gerealiseerd te worden'; Terwijl het bestreden besluit terugwerkt tot 1 april 1994; Dat in die mate het al dan niet sneller nemen van een besluit geen invloed heeft op de stereotiepe redenen (o.a. Dat voor de periode 1 april 1994 tot 14 juli 1995, het bestreden besluit de situatie van het personeel en de organisatie van de gezondheidszorg niet meer kan beïnvloeden daar deze situatie en organisatie toch reeds gekonsolideerd zijn; Terwijl de hoogdringendheid in concreto dient te worden gemotiveerd of uit het dossier van tegenpartij dient te blijken; Dat verzoekster niet begrijpt hoe het ministerieel besluit van 10 april 1991 mistoestanden in de hand zou kunnen werken en dan vooral op het vlak van de beroepsbekwaamheid van het verzorgingspersoneel en op het vlak van de continuïteit; Dat ook niet duidelijk is in welke mate het snel aannemen van het bestreden besluit een invloed zou kunnen hebben op de ‘vooropgestelde besparingsmaatrege- len’ noch om welke maatregelen het zou gaan; En terwijl het ministerieel besluit van 10 april 1991 werd opgeheven door het artikel 5 van het ministerieel besluit van 5 april 1995 ‘tot vaststelling, voor de periode van 1 april 1992 tot 31 maart 1994, van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskun- dige verzorging en uitkeringen, gecoördineerde op 14 juli 1994, voor de in artikel 34, 12/ van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen’. Dat bijgevolg dit ministerieel besluit van 10 april 1991 en haar eventuele gevolgen niet meer dienend zijn als motivering voor de dringende noodzakelijkheid en dus niet als reden kunnen aangehaald worden om het advies van de Raad van State, Afdeling Wetgeving niet te vragen". 2.1.2. De verwerende partij repliceert in haar memories van antwoord : "Eerste middel, eerste onderdeel Het is niet juist dat het Verzekeringscomité drie maanden nodig had om een advies te verlenen. Immers, reeds op 30.11.94 heeft het Comité een standpunt ingenomen omtrent het arrest van de Raad van State dd. 28.10.94, waarbij het M.B. van 19 mei 1992 werd vernietigd (cfr. nota C.G.V. nr. 322/94 van 30.11.94 en de notulen van de vergadering dd. 05.12.94). De lange termijn tussen de datum waarop het bestreden besluit werd genomen (5 april 1995) en de bekendmaking van het besluit in het B.S. (14 juli 1995) kan verklaard worden door problemen die verband hielden met de parlementsverkie- zingen, welke in mei 1995 plaatsvonden. In zijn arrest dd. 18.04.74 (TUMILAIRE en FOERSTER nr. 13.367) heeft de Raad van State aanvaard dat de vertraging waarmee de bekendmaking van een besluit was gebeurd onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze het gevolg VII-21.463-5/12 bleek te zijn van materiële moeilijkheden, die met name gepaard ging, veeleer dan van een tolerantie die niet verenigbaar zou zijn met de dringende noodzakelijkheid. Het is ten andere zo dat de hoogdringendheid moet worden beoordeeld tot op het ogenblik van het nemen van een besluit. Een vertraging achteraf kan niet aan de Minister worden toegeschreven. Eerste middel, tweede (onder)deel De concrete motivering vindt men terug in stuk 4 van het administratief dossier, namelijk de nota C.G.V. nr. 94/322 dd. 30.11.94. Het vernietigde besluit van 19 mei 1992 had een besparende werking; door de vernietiging ervan viel men terug op de toepassing van een eerder genomen besluit, namelijk dat van 10 april 1991; dit besluit bevatte uiteraard niet de besparingsmee- brengende maatregelen uit het latere besluit van mei 1992 waardoor dit systeem duurder uitviel voor de verzekering; het was derhalve aangewezen de uitwerking van dit besluit van 10 april 1991 zo snel mogelijk ongedaan te maken en daarom diende bij hoogdringendheid een nieuw besluit in werking te worden gebracht". 2.1.3. De verzoekende partijen stellen in hun memories van wederantwoord, - met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel : "In de eerste plaats gaan verzoekers in op de lange beslissingstermijn (1/) om het vervolgens te hebben over de bekendmakingstermijn (2/). 1/ Op 28 oktober 1994 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 19 mei 1992, besluit dat hetzelfde voorwerp heeft als huidig bestreden ministerieel besluit. In haar repliek op het elfde middel stelt tegenpartij het als volgt : Gezien deze vaststelling legt tegenpartij echter niet uit waarom het zolang (5 maanden) duurde alvorens uiteindelijk het bestreden besluit werd onderte- kend rekening houdend met het feit dat tegenpartij meende dat er hoogdring- endheid was. Op zich is dergelijke lange termijn niet verenigbaar met de notie hoogdringendheid. In haar memorie wijst tegenpartij enkel op het feit dat het Verzekeringscomité snel reageerde (30.11.1994) op het vernietigingsarrest. Ten eerste blijkt het advies van 5 december 1994 te dateren. Ten tweede valt aldus de termijn tussen het advies en de ondertekening van de bestreden besluiten nog langer uit, waardoor de kritiek van verzoekers nog pertinenter wordt. 2/ In de eerste plaats wijzen verzoekers erop dat de lange termijn voor de bekendmaking op zich reeds een schending uitmaakt (a). Vervolgens tonen verzoekers aan dat er geen reden aanwezig is die de termijn kan rechtvaardigen (b).
  2. a)Huidige bestreden beslissing werd genomen op 5 april 1995, maar slechts bekendgemaakt op 14 juni 1995. Een termijn van meer dan drie maanden voor een bekendmaking is niet meer verantwoord wanneer men voordien de hoogdringendheid heeft ingeroepen om een besluit zo snel mogelijk te kunnen toepassen (zie R.v.St., 29 juni 1979, nr. 19.725; R.v.St., nr. 35.851, R.v.St., nr. 43.727, 6 juli 1993 : 2 maand; R.v.St., 45.533, 29 december 1993 : 1,5 maand).
  3. b)Door een besluit te laten bekend maken na parlementsverkiezingen, terwijl het voor de ontbinding van het Parlement werd ondertekend, misleidde tegenpartij het kiezerspubliek. Tegenpartij neemt regelrecht een loopje met ons democratisch bestel. VII-21.463-6/12 De stelling dat parlementaire verkiezingen een vertraging zouden hebben teweeg gebracht voor de bekendmaking raakt kant noch wal en wordt bovendien niet bewezen in concreto. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de Regering en haar leden om de genomen besluiten te laten toekomen aan de diensten van het Belgisch Staatsblad en daarbij te melden dat de bekendmaking hoogdringend is (art. 4 Wet 1961). Tegenpartij bewijst niet dat zij iets heeft ondernomen om een snelle bekendmaking te verkrijgen. Het arrest TUMILAIRE (R.v.St., nr. 13.367, 18 april 1974) aangehaald door tegenpartij, betreft een zaak waar zowel de beslissing als de bekendma- king na de verkiezingen vallen. Wanneer de nieuwe regering de hoogdring- endheid inroept voor haar beslissing, kunnen vanzelfsprekend geen argumen- ten voor de miskenning van artikel 3 gecoördineerde wetten worden gehaald uit het optreden van de vorige regering die zich niet beriep op de hoogdring- endheid"); - en met betrekking tot het tweede onderdeel : "Verzoekers wensen hier in herinnering te brengen dat het vorig ministerieel besluit vervangen door huidig bestreden besluit door de Raad van State werd vernietigd omdat de motivering van de hoogdringendheid stereotiep en nietszeg- gend was (R.v.St., nr. 49.991, 28 oktober 1994). De motivering van de hoogdringendheid dient essentieel te voldoen aan drie voorwaarden (zie LEROY, M., - de preambule dient de hoogdringendheid nader uit te leggen (1/); - de ingeroepen redenen moeten de hoogdringendheid verantwoorden (2/); - de ingeroepen redenen moeten juist zijn (3/). 1/ Door naar het administratief dossier te verwijzen om de hoogdringendheid uit te leggen geeft tegenpartij toe dat de motivering van de hoogdringendheid reeds niet voldoet aan de eerste voorwaarde. 2/ In een eerste punt gaan verzoekers de motivering na zoals die volgt uit de preambule van het bestreden besluit (a). Vervolgens bekijkt verzoekster, in subsidiaire orde, het advies van het verzekeringscomité (b).
  4. a)In haar preambule vermeldt tegenpartij twee redenen om de hoogdringend- heid te verantwoorden : - Tegenpartij beweert dat het ministerieel besluit van 10 april 1991 opnieuw in werking treedt en dus bepaalde mistoestanden in de hand In de eerste plaats is tegenpartij blijkbaar niet zeker of er inderdaad mistoestanden zullen ontstaan. Bovendien legt zij niet uit hoe het ministerieel besluit van 10 april 1991 deze zou in de hand kunnen werken op het vlak van het verzorgingspersoneel en de continuïteit. Vervolgens bewijst tegenpartij niet dat de snelle inwerkingtreding van het bestreden besluit hieraan iets zou kunnen veranderen. Ten slotte, de motivering slaat nergens op wanneer men rekening houdt met het feit dat het bestreden besluit een retroactieve werking heeft. Voor deze periode heeft het ministerieel besluit van 10 april 1991 zijn uitwerking gehad. VII-21.463-7/12 Het is nochtans aan tegenpartij om de pertinentie van de hoog- dringendheid aan te tonen (R.v.St., nr. 47.121, 29 januari 1994). - Ook toont tegenpartij niet aan hoe de snelle inwerkingtreding van het bestreden besluit een gunstige invloed zou hebben op
  5. b)In elk geval bevat het advies van het verzekeringscomite waar tegenpartij naar verwijst in haar memorie ook geen uitleg betreffende de hoogdringend- heid van het bestreden besluit. Integendeel het verzekeringscomite vindt dat er genoeg tijd is om dit keer een advies aan de Raad van State, afdeling wetgeving te vragen. Hierbij moet opgemerkt worden dat tegenpartij genoeg tijd vond om het verzekeringscomité te raadplegen. Nochtans doet dit Comité in geval van hoogdringendheid uitspraak binnen de 10 dagen, terwijl een raadpleging bij de Raad van State in zulk geval slechts 3 dagen in beslag neemt. Daar dit laatste om een substantiële vormvereiste gaat, begrijpt verzoekster niet - gezien de hoogdringendheid - waarom het Verzekeringscomité wél wordt geraadpleegd en niet de Raad van State. 3/ Artikel 5 van het ministerieel besluit van 5 april 1995 bepaalt dat ‘het ministerieel besluit van 10 april 1991... wordt opgegeven’. Uit de Franse tekst blijkt dat het om een opheffing gaat, waardoor het bestreden besluit in haar preambule onterecht verwijst naar het ministerieel besluit van 10 april 1991 om de hoogdringendheid te motiveren. Daar het is opgeheven kan het ook geen mistoestanden meer in de hand werken ”; 2.2. Bespreking Overwegende dat het middel gegrond is om de hierna volgende redenen : 2.2.1. Artikel 3, § 1, van de Raad van State-wet bepaalt dat, “buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid”, ontwerpen van onder meer reglementaire besluiten voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State worden voorgelegd. 2.2.2. Het bestreden -reglementair- ministerieel besluit werd niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd, op grond van de onder punt 1.9 hierboven geciteerde overwegingen. 2.2.3. Tussen het vernietigingsarrest van 28 oktober 1994 en het thans bestreden ministerieel besluit verliepen ruim 5 maanden. Uit de hoger weergegeven feiten blijkt nochtans dat in het thans bestreden besluit de bepalingen van het vernietigde ministerieel besluit van 19 mei 1992 zonder meer zijn overgenomen. VII-21.463-8/12 2.2.4. Het blijkt niet dat voor het inwinnen van de vereiste adviezen bijzondere spoed aan de dag werd gelegd. Tussen het uitbrengen van het laatste advies, op 20 februari 1995, en de ondertekening van het thans bestreden ministerieel besluit verliepen zes weken. 2.2.5. Het bestreden besluit werd pas ruim drie maanden na zijn goedkeu- ring gepubliceerd. Het argument dat de lange termijn om tot de bekendmaking over te gaan “kan verklaard worden door problemen die verband hielden met de parlementsver- kiezingen, welke in mei 1995 plaatsvonden” overtuigt niet. De verwerende partij verduidelijkt immers niet om welke problemen het ging. Bovendien werd het bestreden besluit genomen op 5 april 1995, d.i. ongeveer vijf weken voor de parlementsverkiezingen. Er blijkt aldus niet dat de bevoegde minister niet het nodige kon doen om het besluit snel aan de diensten van het Staatsblad te bezorgen en om een snelle publicatie ervan te bewerkstelligen. 2.2.6. De relatief langdurige totstandkomingsprocedure en het relatief lang uitblijven van de publicatie van het bestreden besluit spreken de ingeroepen hoog- dringendheid tegen. Zodoende blijkt geenszins dat, opdat het bestreden besluit een nuttig effect zou kunnen hebben, er onvoldoende tijd was om de afdeling wetgeving, eventueel bij hoogdringendheid binnen een termijn van drie dagen, te raadplegen. 2.2.7. De in de aanhef van het bestreden besluit weergegeven motivering van de hoogdringendheid vindt geen steun in de stukken van het administratief dossier. Integendeel, in de onder punt 1.3 vermelde nota werd precies voorgesteld “dit keer wel het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State in te winnen” ! Bovendien werd in de ontwerp-besluiten die aan de diverse adviserende instanties werden voorgelegd en waaraan deze hun goedkeuring hechtten, in de aanhef telkens voorzien dat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State zou worden ingewonnen, en werd nooit een motivering voor hoogdringendheid vooropgesteld. 2.2.8. Er kan dan ook alleen besloten worden dat de ingeroepen formele motivering om aan de bedoelde adviesverplichting voorbij te gaan, in de feiten wordt VII-21.463-9/12 tegengesproken door de procedure van totstandkoming van het bestreden besluit en het tijdsverloop tussen het nemen van het besluit en de publicatie ervan, zodat de in het middel ingeroepen wetsbepaling geschonden is; 3. Handhaving van gevolgen van het vernietigde besluit 3.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie vraagt toepassing te maken van artikel 14ter van de Raad van State-wet, ?omwille van de rechtszekerheid” ; dat zij haar betoog stoffeert met een uiteenzetting waaruit blijkt dat een uitvoering van het vernietigingsarrest met technische moeilijkheden zal gepaard gaan, waardoor die uitvoering ?quasi onmogelijk” zou zijn en dat die uitvoering voor een aantal instellingen negatieve gevolgen kan hebben ; Overwegende dat de verzoekende partijen zich hiertegen verzetten; 3.2.1. Overwegende dat artikel 14 ter van de Raad van State-wet bepaalt: “Zo de afdeling administratie dit nodig oordeelt, wijst zij, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde verordeningsbepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die zij vaststelt”; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij geen specifieke gevolgen aanwijst welke zij wenst behouden te zien, en voor welke periode, doch in wezen vraagt alle gevolgen van het te vernietigen besluit onverminderd te handhaven ; dat het verzoek van de verwerende partij er eigenlijk op neerkomt de vernietiging van het bestreden besluit van al zijn gevolgen te ontdoen ; dat artikel 14ter nochtans impliceert dat de verwerende partij aanduidt welke gevolgen zij wenst gehandhaafd te zien, al dan niet voorlopig, voor welke termijn, en waarom ; dat het bijgevolg niet opgaat zonder meer de onbeperkte handhaving van alle gevolgen te vragen ; Overwegende dat het feit dat bepaalde instellingen nadelige gevolgen van de vernietiging zouden kunnen ondervinden geen reden is om ten nadele van de verzoekende partijen de gevolgen van een vernietigd besluit te handhaven ; dat de vernietiging van een administratieve rechtshandeling in veel gevallen nadelige gevolgen heeft voor andere rechtsonderhorigen ; dat evenwel precies daarvoor de rechtsfiguur van de tussenkomst in de procedures voor de Raad van State is ingesteld ; dat het bovendien aan de verwerende partij toekomt, bij de uitvoering van ‘s Raads vernieti- VII-21.463-10/12 gingsarrest, in de mate van het mogelijke de nadelige gevolgen voor de derden te beperken ; Overwegende dat bij dit alles nog moet worden in rekening gebracht dat de moeilijkheden die de uitvoering van dit vernietigingsarrest meebrengt zeer gemakkelijk hadden kunnen voorkomen worden indien de verwerende partij, nadat zij reeds een eerste maal met een vernietiging op grond van het niet-raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State geconfronteerd was geweest, een minimum aan voorzichtigheid aan de dag had gelegd en hetzelfde duidelijk wetsvoorschrift niet opnieuw naast zich had neergelegd, bovendien tegen administratieve adviezen in ; dat het, indien de zaak hoogdringend was, immers volstaan had, zoals reeds bij de bespreking van het middel opgemerkt, een advies binnen een termijn van drie dagen aan de afdeling wetgeving te vragen ; Overwegende dat bijgevolg op het verzoek van de verwerende partij niet kan worden ingegaan, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 5 april 1995 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de in artikel 34, 12/, van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de beroepen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-21.463-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-21.463-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.