id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.271 Rolnummer: A. 74415/VII-29107 Zaak: Arrest 133271 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:46 Fiche Arrest nr 133.271 van 29 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.271 van 29 juni 2004 in de zaak A. 74.415/VII-29.
- In zake : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van GRIMBERGEN tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus
- ------------------------------------------------------------------------------------------------------ D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Grimbergen op 21 mei 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing van het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn dd. 27 maart 1997 houdende beperking voor het eerste en het tweede kwartaal van 1996 van de bijscholingstoelage aan de gezins- en bejaardenhelpsters tot 40 uur per helpster per 2 jaar”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-29.107-1/11 Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Juridisch en feitelijk kader Overwegende dat het juridisch en feitelijk kader als volgt kan worden geschetst : 1.
- Met een nota van 4 februari 1997 wordt aan de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, waaronder ook de dienst van de verzoekende partij, medegedeeld wat volgt: “Betreft: - Berekening van de prestatietoelage van de help(st)ers gedurende het 1ste kwartaal 1996 - Berekening van de bijscholingstoelage van de help(st)ers voor het 1ste kwartaal 1996 - Interdepartementaal Begrotingsfonds. Hiermede heb ik de eer u, als bijlage, de berekening van de prestatietoelage en de berekening bijscholingstoelage voor het 1ste kwartaal 1996 in drie exemplaren te laten geworden. Mag ik u verzoeken deze aanvraag te willen nazien en alle exemplaren gedateerd en ondertekend terug te sturen. Het is in het belang van uw dienst dat deze bescheiden zo vlug mogelijk bij mijn dienst terugkomen. Ze dienen alleszins in mijn bezit te zijn vóór 18 februari a.s. Op de subsidieaanvraag zelf mag U geen verbeteringen, veranderingen, of opmerkingen aanbrengen. Indien sommige help(st)ers niet op de subsidieaanvragen voorkomen, dient u op een afzonderlijk schrijven uw bemerkingen mede te delen, dat u dan samen met deze ondertekende bescheiden opstuurt. Om een vlugge korrektie mogelijk te maken is het van belang dat u in uw bemerkingen duidelijk de naam en voornaam van de desbetreffende help(st)er vermeldt. VII-29.107-2/11 Ook zou ik willen vragen teneinde alle verwarring uit te stellen enkel maar bemerkingen te maken over de u toegezonden subsidieaanvragen”. Als bijlage bij de nota zit een berekening van de bijscholingstoelage van de helpsters voor het eerste kwartaal van 1996, en deze heeft voor de verzoekende partij betrekking op in totaal "12 1" subsidieerbare uren. 1.
- Met een brief van 13 februari 1997 gericht aan het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, administratie voor gezin en maatschappelijk welzijn, dienst voor gezins- en bejaardenzorg, deelt de verzoekende partij mee wat volgt: “Betreft: opmerkingen bij de bijscholingstoelage van de help(st)ers voor het 1ste trimester
- Hiermee zenden wij u de berekening van de bijscholingstoelage voor het 1ste trimester 1996 in drie exemplaren, gedateerd en ondertekend, terug. We stellen vast dat van de 52 uren collectieve en individuele bijscholing die onze helpsters volgden tijdens het 1ste trimester 1996 slechts 12u15 in aanmerking worden genomen voor betoelaging. Het besluit van 22 juni 1988 van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, afdeling 4, artikel 15, bepaalt dat per help(st)er per twee jaar 40 uur aan bijscholing moet worden besteed, waarvan ten hoogste 12 uur als individuele begeleiding. In ditzelfde besluit staat echter niet dat de subsidies voor de bijscholing beperkt zouden zijn tot maximum 40 uur per helpster per twee jaar. Wij zijn dan ook van mening dat er geen wettelijke basis bestaat om de subsidies voor de bijscholing van het 1ste trimester van 1996 te verminderen”. 1.
- Met een nota van 18 maart 1997 wordt aan de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, waaronder ook de dienst van de verzoekende partij, medegedeeld wat volgt: “Betreft: - Berekening van de prestatietoelage van de help(st)ers gedurende het 2de kwartaal 1996 - Berekening van de bijscholingstoelage van de help(st)ers voor het 2de kwartaal 1996 - Interdepartementaal Begrotingsfonds. Hiermede heb ik de eer u, als bijlage, de berekening van de prestatietoelage en de berekening bijscholingstoelage voor het 2de kwartaal 1996 in drie exemplaren te laten geworden. Mag ik u verzoeken deze aanvraag te willen nazien en alle exemplaren gedateerd en ondertekend terug te sturen. Het is in het belang van uw dienst dat deze bescheiden zo vlug mogelijk bij mijn dienst terugkomen. Ze dienen alleszins in mijn bezit te zijn vóór 9 april a.s. Op de subsidieaanvraag zelf mag U geen verbeteringen, veranderingen, of opmerkingen aanbrengen. Indien sommige help(st)ers niet op de subsidieaanvragen voorkomen, dient u op een afzonderlijk schrijven uw bemerkingen mede te delen, dat u dan samen, met deze ondertekende bescheiden opstuurt. VII-29.107-3/11 Om een vlugge korrektie mogelijk te maken is het van belang dat u in uw bemerkingen duidelijk de naam en voornaam van de desbetreffende help(st)er vermeldt. Ook zou ik willen vragen teneinde alle verwarring uit te stellen enkel maar bemerkingen te maken over de u toegezonden subsidieaanvragen”. Als bijlage bij de nota zit een berekening van de bijscholingstoelage van de helpsters voor het tweede kwartaal van 1996, en deze heeft voor de verzoekende partij betrekking op in totaal 20 subsidieerbare uren. 1.
- Met een brief van 25 maart 1997, gericht aan het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, administratie voor gezin en maatschappelijk welzijn, dienst voor gezins- en bejaardenzorg, deelt de verzoekende partij het volgende mee: “Betreft: opmerkingen bij de bijscholingstoelage van de help(st)ers voor het 2de trimester
- Hiermee zenden wij u de berekening van de bijscholingstoelage voor het 2de trimester 1996 in drie exemplaren, gedateerd en ondertekend, terug. We stellen vast dat van de 81 uren collectieve en individuele bijscholing die onze helpsters volgden tijdens het 2de trimester 1996 slechts 20 uren in aanmerking worden genomen voor betoelaging. Het besluit van 22 juni 1988 van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, afdeling 4, artikel 15, bepaalt dat per help(st)er per twee jaar 40 uur aan bijscholing moet worden besteed, waarvan ten hoogste 12 uur als individuele bijscholing. In ditzelfde besluit staat echter niet dat de subsidies voor de bijscholing beperkt zouden zijn tot maximum 40 uur per help(st)er per twee jaar. Wij zijn dan ook van mening dat er geen wettelijke basis bestaat om de subsidies voor de bijscholing van het 2de trimester van 1996 te verminderen”. 1.
- Een brief van 27 maart 1997 deelt de bestreden beslissing aan de verzoekende partij mee: “Betreft: opmerkingen bij de bijscholingstoelage van de help(st)ers voor het 1ste en 2de kwartaal 1996 Geachte Heer Voorzitter, Ingevolge uw bovengenoemd schrijven deel ik u mede dat volgens het besluit van 22 juni 1988 van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, de help(st)ers per twee jaar 40 uur aan bijscholing moeten besteden waarvan ten hoogste 12 uur aan individuele werkbegeleiding. Deze 40 uur wordt als maximum grens voor subsidiëring geïnterpreteerd. In de nabije toekomst zal er gewerkt worden aan een nieuw subsidiemechanisme waarbij een soepelder (sic) systeem de basisvoorwaarde zal zijn”;
- Ontvankelijkheid van de vordering VII-29.107-4/11 2.1.
- Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord als excepties opwerpt: “II.1 Algemeen kan gesteld worden dat het verstrekken van een inlichting of het meedelen van een intentie in beginsel geen voor vernietiging vatbare handeling is, behoudens indien er een beslissing in vervat zit. Een beginselverklaring, een principiële stellingname of een gedragslijn is niet aanvechtbaar voor de Raad van State. Enkel de concrete toepassing in een bepaalde beslissing is aanvechtbaar. Evenmin is een interpretatie van wettelijke bepalingen of commentaar daarop een voor vernietiging vatbare handeling. II.2 In casu kan het schrijven dd. 27 maart 1997 slechts beschouwd worden als een inlichting omtrent de interpretatie van het Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 1988 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en van de opleidingscentra voor gezins- en bejaardenhelp(st)ers. Een interpretatie die toegepast werd bij de berekening en de toekenning van de subsidie-aanvraag van verzoekende partij voor het tweede kwartaal van 1992, het eerste kwartaal 1996 en het tweede kwartaal
- Het schrijven dd. 27 maart 1997 is echter niet de beslissing omtrent de subsidie-aanvraag van verzoekende partij nopens het eerste en tweede kwartaal
- Deze beslissing werd reeds vroeger genomen. Het schrijven dd. 27 maart 1997 is enkel een uitleg die aan verzoekende partij wordt gegeven omtrent reeds genomen beslissingen. II.3 De beslissing tot het subsidiëren van maximum 40 uren bijscholing zit vervat in het schrijven dd. 4.2.1997 voor het eerste kwartaal 1996 en in het schrijven dd. 18.3.1997 voor het tweede kwartaal
- Deze principiële beslissing kwam uiteraard niet in aanmerking voor 'verbetering of correctie'. De opmerkingen die verzoekende partij naar aanleiding van de hiervoor (ver)melde beslissingen kon formuleren maakte geen (georganiseerde) administratieve beroepsprocedure uit, ze was enkel bedoeld om administratieve vergissingen te corrigeren. De beslissing om maximum 40 uren bijscholing te subsidiëren werd aldus definitief genomen en aan verzoekende partij meegedeeld op 4.2.1997 (eerste kwartaal 1996) en op 18.3.1997 (tweede kwartaal 1996). II. 4 De beslissing om maximum 40 uren bijscholing te subsidiëren werd overigens ten aanzien van verzoekende partij reeds genomen met betrekking tot het tweede kwartaal
- (stuk 4) De beslissing met betrekking tot het tweede kwartaal 1992 werd door verzoekende partij aanvaard. De nu genomen beslissingen met betrekking tot het eerste en tweede kwartaal 1996 zijn slechts een bevestiging van de principiële beslissing die ten aanzien van verzoekende partij reeds genomen werd met betrekking tot het tweede kwartaal 1992"; 2.1.2 Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord betoogt: “
- De beslissing dd. 27 maart 1997 betreffende de beperkte subsidiëring van de opleiding van gezins-en bejaardenhelpsters kan geenszins worden gelijkgesteld VII-29.107-5/11 met verstrekken van een inlichting, het meedelen van een intentie of nog een principiële stellingname. Integendeel, deze beslissing die door de overheid genomen werd na de vraag van het OCMW om het dossier nogmaals te onderzoeken is een nieuwe beslissing die rechtsgevolgen beoogt en waartegen aldus op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vernietigingsberoep open staat. Het feit dat die nieuwe beslissing in casu de oorspronkelijke beslissing integraal bevestigt doet geen afbreuk aan de mogelijkheid een vernietigingsberoep in te stellen.
- Het beroep is gericht tegen de beslissing tot beperking van de subsidiëring zonder wettelijke basis ongeacht in welk schrijven de beslissing vervat ligt. Verzoekende partij gaat ervan uit dat deze beslissing vervat ligt in het schrijven (van) 27.3.97 aangezien de vorige brieven enkel een voorlopige beslissing inhielden, door de vraag van de overheid aan het OCMW om eventuele bemerkingen over te maken. Zelfs indien -quod non- de beslissing van 27 maart 1997 niet beschouwd wordt als zijnde de eigenlijke beslissing over de subsidiëring maar wel de onderscheiden beslissingen van 4.2.97 en 18.3.97, dan nog heeft dit geen invloed op de ontvankelijkheid van de vordering. Door het niet vermelden van de beroepsmogelijkheid in gelijk welk schrijven zijn op grond van artikel 19 lid 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de termijnen tot het indienen van hoger beroep niet ingegaan waardoor ook de onderscheiden beslissingen van 4.2.97 en 18.3.97 geviseerd kunnen worden door het beroep en dit ook zullen worden en wel in de mate dat de Raad van State zou oordelen dat het in deze 2 brieven is dat de overheid de definitieve beslissing nam.
- Het feit dat het OCMW in 1992 geen beroep instelde tegen de toenmalige beslissing doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om dit tegen een nieuwe beslissing genomen voor de kwartalen van 1996 wel te doen. Bovendien werden er in het jaar 1992 niet meer dan 40 uur per 2 jaar per helpster aan opleiding gevolgd zodanig dat hoger beroep sowieso zonder voorwerp zou zijn geweest vermits in die optiek elke gevolgd uur aan opleiding tevens werd gesubsidieerd”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat de brief van 27 maart 1997 geen nieuwe, voor vernietiging vatbare beslissing bevat, maar slechts een uitleg na een bezwaar van de verzoekende partij en dat de verzoekende partij een annulatieberoep had moeten instellen tegen de beslissingen van 4 februari 1997 en 18 maart 1997; 2.
- Overwegende dat de bestreden akte meer inhoudt dan alleen de mededeling van een inlichting of van de interpretatie van de regelgeving; dat die akte, op grond van een nieuw onderzoek van de zaak, een beslissing inhoudt over de bezwaren die de verzoekende partij had doen gelden tegen de door de verwerende partij in de nota’s van 4 februari 1997 en 18 maart 1997 ingenomen standpunten en derhalve definitief oordeelt over de desbetreffende toelagen; dat overigens dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij in haar bedoelde nota’s geen melding heeft gemaakt van de mogelijkheid van de verzoekende partij om er beroep tegen in te stellen bij de Raad van State; dat het feit dat de verzoekende partij akkoord zou zijn gegaan VII-29.107-6/11 met de berekening van de toelagen voor andere perioden haar rechten om zich te voorzien tegen de bestreden beslissing onverkort laat; dat de excepties niet opgaan;
- Ten gronde 3.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen t.a.v. het tweede middel de volgende argumenten doen gelden : 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift als volgt een tweede middel aanvoert: “De bevoegdheid van het ministerie heeft de redelijkheid als grens. Het ministerie beperkt in zijn beslissing dd. 27 maart 1997 de subsidies voor de bijscholing tot maximum 40 uur per helpster per 2 jaar, zich hierbij baserend op het besluit van de Vlaamse Regering dd. 22 juni 1988, afdeling 4, artikel 15; Dit artikel bepaalt dat per helpster per 2 jaar 40 uur bijscholing moet worden besteed waarvan ten hoogste 12 uur als individuele begeleiding; Nergens, noch in artikel 15 noch in enig ander artikel van het besluit wordt echter bepaald dat ook de subsidies voor de bijscholing beperkt zouden zijn tot een maximum van 40 uur per helpster per 2 jaar; Een dergelijke beperking van subsidie steunt dus louter op een verkeerde interpretatie van het besluit door het ministerie en heeft geen enkele wettelijke basis. Meer nog, het ministerie voegt door het nemen van een dergelijke beslissing rechtsregels toe aan de bestaande wetgeving. Door die handelswijze te volgen maakt het ministerie zich schuldig aan machtsoverschrijding, aangezien het ministerie geenszins de bevoegdheid heeft om eenzijdig rechtsregels toe te voegen aan bestaande wetgeving”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hierop repliceert: “ In casu kan echter geen sprake zijn van machtsoverschrijding. Verwerende partij heeft artikel 15 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 1988 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en van de opleidingscentra voor gezins- en bejaardenhelp(st)ers, geïnterpreteerd rekening houdend met de bedoeling van de regelgever en het geheel van de subsidieregeling In de argumentatie onder I heeft verwerende partij aangetoond dat onder de oude regeling het maximum subsidieerbare uren bepaald was op 30 uren per jaar. In de oude regeling was de dertig uur bijscholing evenwel geen verplichting. In de nieuwe regeling is de klemtoon komen te liggen op de vereiste om 40 uren bijscholing te verplichten per help (st) er per twee jaar: per help(st)er moet per twee jaar 40 uur aan bijscholing besteed worden, waarvan ten hoogste 12 uur als individuele begeleiding. VII-29.107-7/11 Uit de ganse context van de contingentering blijkt dat het de bedoeling was maximum 40 uur te subsidiëren. Sedert de jaren 80 is gezins- en bejaardenhulp budgettair beheersbaar geworden door de subsidieerbare uren die bij de cliënt aan huis worden (sic) aan contingenten te binden. In het geheel van de regeling ware het dan ook totaal onlogisch om de bijscholing ongelimiteerd toe te laten en artikel 15 als dusdanig te interpreteren. Dergelijke interpretatie ware strijdig met de bedoeling van de regelgever en subsidieregeling. Van in het begin is de grens van 40 uren dan ook als minimum vereiste én als maximum subsidieerbaar geïnterpreteerd geworden. Door alle diensten gezins-en bejaardenhulp is deze interpretatie aanvaard en toegepast sedert l juli
- Ook verzoekende partij heeft deze interpretatie in het verleden aanvaard”; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, nog antwoordt: “
- In het Besluit van de Vlaamse regering van 22 juni 1988 wordt nergens een maximumgrens op de subsidieerbare uren aan opleiding gevolgd door de gezins-en bejaardenhelpsters gesteld. De verplichting om 40 uur per 2 jaar en per helpster te volgen aan opleiding kan enkel beschouwd worden als een minimumgrens aan opleiding doch geenszins als een maximumgrens aan subsidieerbaarheid. Enerzijds legt men op dat er minimum 40 uur per 2 jaar per helpster aan opleiding dient te worden gevolgd en anderzijds zou men elk uur boven die minimumgrens weigeren te subsidiëren. Dit is een contradictio in terminus (sic). Wanneer aldus een overheid de moeite neemt om niet louter de minimumvereiste aan opleiding te verschaffen aan haar werknemers doch een bijkomende inspanning zou leveren om meer opleiding te geven, zou dit door het aldus toepassen van artikel 15 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 1988, streng afgestraft worden. Als men dan toch zoals verwerende partij doet de oude regelgeving onderzoekt om de bedoeling van de Vlaamse regering te achterhalen, dat men de lijn dan volledig doortrekt en de maximumgrens aan subsidieerbare uren vastlegt op 30 uur per jaar per helpster wat toch zou neerkomen op een 10 uur per jaar extra die gesubsidieerd worden.
- Bovendien vermeldt de verwerende partij in haar schrijven van 27 maart 1997 zelf dat gewerkt wordt aan een soepeler subsidiemechanisme waaruit ten overvloede blijkt dat het gehanteerde systeem nu te streng is en ons inziens niet kan verantwoord worden door het verwijzen naar artikel 15 van het Besluit van 22 juni 1988 aangezien dit artikel, noch enig ander artikel van het Besluit grondslag biedt voor het huidig subsidiemechanisme”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanstipt dat door een nieuw besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1997 het aantal uren bijscholing dat voor subsidie in aanmerking komt, wordt begrensd tot 2% van het toegekende urencontingent, dat die versoepeling niet het loslaten van de subsidiegrens betreft, maar wel het koppelen van de grens aan iedere helpster afzonderlijk en dat de betwiste interpretatie van het besluit van 22 juni 1988 logisch is en op de bedoeling van de regelgever duidt; 3.
- Bespreking VII-29.107-8/11 Overwegende dat de bovenvermelde argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld: Artikel 15 van het besluit van 22 juni 1988 van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en van de opleidingscentra voor gezins- en bejaardenhelp(st)ers, bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing wat volgt: “Art.
- Per help(st)er moet per 2 jaar 40 uur worden besteed aan bijscholing, waarvan ten hoogste 12 uur als individuele begeleiding. De individuele werkbegeleiding moet genoteerd worden in een beknopt schriftelijk verslag, dat door de dienst wordt bewaard. Verschillende diensten mogen samen een collectieve bijscholing inrichten”. Artikel 16 van hetzelfde besluit bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing wat volgt: “Art.
- §
- Erkende diensten die collectieve bijscholing of individuele werkbegeleiding geven aan de help(st)ers, kunnen per uur bijscholing per help(st)er een subsidie krijgen van 515,14 frank. Deze toelage is uitgedrukt tegen 100 % op basis van de spilindex van toepassing op 1 januari
- Binnen de perken van de begroting wordt deze toelage geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De voormelde koppeling aan het indexcijfer wordt evenwel berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. Binnen de perken van de begroting wordt deze toelage verhoogd met hetzelfde bedrag waarmee, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste alinea, de toelage vermeld in artikel 11, § 1, 1/ wordt verhoogd. De toelage wordt slechts toegekend als de duur van de individuele werkbegeleiding minstens 1 uur of van de collectieve bijscholing minstens 2 uur bedraagt en er aan de collectieve bijscholing minstens 12 help(st)ers deelnemen. §
- De Minister dient ten minste 15 dagen vooraf schriftelijk in kennis gesteld van elke collectieve bijscholing waarvoor de subsidie zal worden aangevraagd, met daarbij een duidelijke omschrijving van het programma en vermelding van het aantal deelnemers. §
- De in § 1 voorziene toelage wordt toegekend na afloop van het semester tijdens hetwelk de bijscholing gegeven werd. De subsidieaanvragen moeten ingediend worden binnen de maand volgend op het semester tijdens hetwelk de bijscholing werd gegeven. In geval van onregelmatigheden, kan de Minister de gevraagde subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren”; Artikel 15 bepaalt welke minimale bijscholing door bejaardenhelp(st)ers moet worden gevolgd (40 uur per twee jaar), doch bepaalt niet hoe de bijscholing wordt gesubsidieerd. Het stelt dus ook geen maximumgrens aan de VII-29.107-9/11 betoelaging, en bepaalt inzonderheid niet dat de betoelaging beperkt is tot ten hoogste 40 uur per twee jaar. Artikel 16 bepaalt het bedrag en de berekeningsmodaliteiten van die betoelaging (515,14 frank per uur, wat overeenkomt met de in artikel 11, 1/ voorziene betoelaging per gepresteerd uur). Ook artikel 16 bevat geen maximumgrens voor de betoelaging van de bijscholing. Het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 22 juni 1988 bevat elders evenmin enige bepaling die de betoelaging van de bijscholingen beperkt tot 40 uur per twee jaar. De verwerende partij toont niet aan dat zij, gelet op de budgettaire middelen, alleen met toepassing van de gewraakte regel de aanvragen tot het verkrijgen van de bedoelde toelagen kon beoordelen, en dat daartoe geen criteria die zich situeren binnen het regelgevend kader, konden worden aangewend; Overwegende dat het middel derhalve gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van 27 maart 1997 houdende beperking voor het eerste en het tweede kwartaal van 1996 van de bijscholingstoelage aan de gezins- en bejaardenhelpsters van het O.C.M.W. van Grimbergen tot 40 uur per helpster per 2 jaar. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : VII-29.107-10/11 Mevr. M.-R. BRACKE , kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-29.107-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.