← België

Arrest 133276 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.276 Rolnummer: A. 76645/VII-16182 Zaak: Arrest 133276 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-03 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:47 Fiche Arrest nr 133.276 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.276 van 29 juni 2004 in de zaak A. 76.645/VII-16.

  1. In zake : Martinus VERBERK, wonende te BAARLE-HERTOG, Molenbaan 22a tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Martinus VERBERK op 5 december 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het Ministerieel besluit dd. 13 oktober 1997 over het Beroep aangetekend tegen de weigering van 24 april 1997 van de Mestbank voor de aanvraag van de vergoeding"; Gelet op het arrest nr. 130.720 van 27 april 2004 waarbij de debatten worden heropend en de zaak opnieuw wordt vastgesteld op 10 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, en van Advocaat H. VAN OPSTAL die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-16.182-1/5
  3. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. De toepasselijke regelgeving Artikel 15, §9, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststof- fendecreet) bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing dat de Vlaamse regering de vergoedingen voor inkomstenverliezen vaststelt die voortvloeien uit beperkingen inzake de mestafzet. Die vergoeding wordt vastgesteld op basis van een reeks elementen gemoduleerd volgens bedrijfstype en landbouwstreek. Tot die elementen behoren onder meer de verhoogde mestafzetkosten ingevolge bijkomende overschot- ten door de strengere limieten voor het gebruik van dierlijke mest. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot vaststelling van de vergoedingen, voor de jaren 1996 en 1997, in uitvoering van artikel 15, §9, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 30 december 1995) bepaalt dat aan producenten en gebruikers jaarlijks vergoedingen kunnen worden uitbetaald ter compensatie van inkomstenverliezen. Artikel 2 bepaalt vervolgens hoe de vergoedingen worden berekend. Artikel 2, §2, bepaalt hoeveel de vergoeding voor mestafzet voor de jaren 1996 en 1997 bedraagt. Artikel 3, §3, bepaalt dat de vergoeding voor mestafzet enkel aan de producenten wordt toegekend als er bijkomende mestoverschotten optreden ingevolge de bepalingen uit artikel 15, §§2, 4 en 5 van het decreet. Deze mestoverschotten dienen volgens de bepalingen van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten te worden afgezet. De vergoeding voor mestafzet wordt toegekend voor de totale tot het bedrijf behorende oppervlakte, bebouwd of onbebouwd, gelegen in de gebieden zoals vermeld in artikel 15, §§2, 4 en 5 van het decreet. Artikel 6, §1 van hetzelfde besluit bepaalt dat de mestbank de aanvragen onderzoekt en de betrokkene op de hoogte brengt van de vergoeding die zal worden uitbetaald. Luidens paragraaf 2 kan een administratief beroep worden ingesteld bij de minister. VII-16.182-2/5 1.
  5. De feiten 1.2.
  6. Verzoeker dient in het kader van artikel 15, §9, van het voornoem- de decreet van 23 januari 1991 een vergoedingsaanvraag in. Het daarop volgend bericht van de Vlaamse Landmaatschappij van 24 april 1997, dat betrekking heeft op de berekening van de maximale vergoeding in 1996, maakt geen melding van een eventuele vergoeding voor verhoogde mestafzetkosten. 1.2.2.. Met een aangetekend schrijven van 19 mei 1997 tekent verzoeker bij de Vlaamse minister voor Leefmilieu beroep aan tegen de berekening van de vergoeding zoals die tot uitdrukking komt in de voormelde brief van 24 april 1997 van de Vlaamse Landmaatschappij. Verzoeker wijst erop dat deze geheel ten onrechte vermeldt dat de dierlijke productie op zijn bedrijf 0 kg N en 0 kg P2O5 bedraagt. Hij zet uiteen welke zijn bedrijfssituatie is, hij staat stil bij de mestproductie/aangifteregeling, en licht tenslotte de wettelijke bepalingen toe waarop hij steunt. Inzonderheid wordt aangestipt dat verzoeker een grensoverschrijdend bedrijf heeft. Verzoeker besluit dat op zijn gehele bedrijf de mestoverschotten zijn toegenomen als gevolg van de bepalingen van artikel 15, §4, 1/ van het meststoffen- decreet, en dat hij overeenkomstig artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de vergoeding, voor de jaren 1996 en 1997, in uitvoering van artikel 15, §9, van het meststoffendecreet producent en gebruiker is, en dat de mestoverschotten bovendien, overeenkomstig artikel 3, §3, van dit besluit, niet in strijd met de bepalingen van het decreet zijn afgezet, en hij vraagt dan ook dat hem, naast de vergoeding voor de opbrengstverandering, een vergoeding voor mestafzet zou worden toegekend voor een oppervlakte van 17 hectare. 1.2.
  7. Op 13 oktober 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze verklaart het beroep ongegrond en is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat een bedrijf volgens artikel 2 van het mestdecreet van 23 januari 1991 uit één of meerdere entiteiten kan bestaan waarin het eventueel erin gehouden vee eigendom is van eenzelfde natuurlijke persoon of van echtgenoten of leden van hetzelfde gezin, zodat de productie bepaald wordt per bedrijf op basis van de eigendomstoestand. Volgens aangifte 1996, waren de mestkalveren eigendom van een Nederlandse firma, bijgevolg had de heer Verberk geen dierlijke productie in
  8. Volgens aangifte 1997, waren de mestkalveren in 1996 eigendom van de heer Verberk, bijgevolg zal met de dierlijke productie van de mestkalveren in België rekening kunnen gehouden worden bij de bepaling van zijn mestoverschot in 1997.”; VII-16.182-3/5
  9. De rechtsmacht van de Raad van State Overwegende dat in het arrest nr. 130.720 van 27 april 2004 de Raad van State ambtshalve overwoog “dat het werkelijk voorwerp van het geschil zou kunnen worden beschouwd als een betwisting omtrent subjectieve rechten; dat zich de vraag stelt of de Raad van State, gelet op artikel 144 van de Grondwet, over de nodige rechtsmacht beschikt om van de zaak kennis te nemen; dat een heropening van de debatten aangewezen is ten einde de partijen en het auditoraat toe te laten daarover standpunt in te nemen”; Overwegende dat verzoeker betoogt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing de voorgebrachte stukken verkeerd heeft geapprecieerd en hieraan een onjuiste juridische kwalificatie heeft gegeven; dat hij daaruit afleidt dat de zaak tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort; Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de vergoedingen, voor de jaren 1996 en 1997, in uitvoering van artikel 15, §9, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen bepaalt dat aan producenten en gebruikers jaarlijks vergoedingen kunnen worden uitbetaald ter compensatie van inkomstenverliezen; dat de betrokken regelgeving, zoals hierboven omschreven in 1.1., tot gevolg heeft dat de producenten (en gebruikers) een recht hebben op vergoeding, berekend volgens de voorschriften van artikel 2 van het voornoemd besluit van 20 december 1995; dat de aanvrager die aan de reglementair vastgelegde voorwaarden voldoet, recht heeft op een vergoeding die kan verschillen naargelang de in het besluit vastgelegde criteria; dat zowel het recht op vergoeding als de berekening ervan reglementair vastliggen en geen ruimte laten voor enige vrije beoordeling; dat het antwoord of de aanvrager al dan niet in één van de gevallen verkeert die hem het recht geeft om aanspraak te kunnen maken op deze vergoeding en de berekeningsmethode ervan, een kwestie is van interpretatie van de toepasselijke regeling, met inbegrip van de controle van de elementen tot staving van de aanvraag, en niet van appreciatie ervan; dat met andere woorden de overheid desbetreffend binnen de wettelijke grenzen niet meerdere beslissingen kan nemen die alle wettig zijn; dat indien de aanvrager aantoont dat hij voldoet aan de in het voornoemd besluit van 20 december 1995, in uitvoering van artikel 15, § 9 van het meststoffendecreet, vastgelegde voorwaarden, hij beschikt over een subjectief recht op vergoeding VII-16.182-4/5 overeenkomstig de bepalingen van dat besluit; dat de Raad van State overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet in beginsel niet vermag kennis te nemen van een vordering waarvan het werkelijk voorwerp een betwisting over subjectieve rechten is, daar de kennisneming ervan tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht behoort; Overwegende dat het, gelet op het feit dat de verwerende partij bij het betekenen van de bestreden beslissing aan de verzoeker melding heeft gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, gepast voorkomt de kosten ten haren last te leggen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.182-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.276 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.