← België

Arrest 133278 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.278 Rolnummer: A. 71054/VII-14667 Zaak: Arrest 133278 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-04 07:47 Fiche Arrest nr 133.278 van 29 juni 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.278 van 29 juni 2004 in de zaak A. 71.054/VII-14.

  1. In zake : de gemeente HEIST-OP-DEN-BERG tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partij : de n.v. NETHE-LAAKDAL, die woonplaats kiest bij Advocaat L.VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Heist-op-den-Berg op 18 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 juli 1996, waarbij het beroep, ingediend door de n.v. NETHE-LAAKDAL, tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg van 6 februari 1996 houdende gedeeltelijke weigering aan de n.v. NETHE-LAAKDAL tot het exploiteren van een rundveebedrijf te 2222 Heist-op-den-Berg (Itegem), Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 maart 1997 ingediend door de n.v. NETHE-LAAKDAL; Gelet op de beschikking van 14 april 1997 die de tussenkomst van de n.v. NETHE-LAAKDAL toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-14.667-1/8 Gelet op de beschikking van 19 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Bestuurssecretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. VAN HOUT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 8 november 1995 dient de tussenkomende partij een milieu- vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een landbouwbedrijf (inrichting klasse 2), gelegen Itegem, 1.
  5. De tussenkomende partij heeft de betrokken inrichting tot het jaar 1993 verpacht aan Frans HEYLEN. Zij exploiteert sinds 1994 zelf het bedrijf, maar deed pas op 19 september 1995 melding van overname bij het college van burgemees- ter en schepenen, dat deze melding weigerde omdat zij niet ten minste tien dagen voor de feitelijke overname was gebeurd. 1.
  6. Op de betrokken percelen was oorspronkelijk, vóór de Steden- bouwwet van 29 maart 1962, een hoeve (woning en één stal) opgetrokken. Krachtens een bouwvergunning van 27 april 1993 werd een deel van de bestaande stal VII-14.667-2/8 omgebouwd en werden de standplaatsen voor de zoogdieren gereduceerd van 100 naar
  7. Aan de huidige milieuvergunningsaanvraag werd een bouwaanvraag voor het oprichten van een tweede stal gekoppeld. Luidens die bouwaanvraag is deze inrichting bestemd als "opslagplaats voor voeder, stro, landbouwmachines en alaam", luidens de milieuvergunningsaanvraag is die inrichting bestemd als "stal". 1.4 Op 6 februari 1996 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg de milieuvergunning gedeeltelijk toe te staan, met name voor het stallen van 21 grote zoogdieren (6 paarden en 15 runderen), de opslag van 40 m³ vaste mest en 10 m³ gier, en de opslag van 1.000 l mazout in een bovengrondse houder. De aanvraag wordt geweigerd voor het stallen van 79 grote zoogdieren (14 paarden en 65 runderen) en de opslag van 230 m³ vaste mest. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de nieuwe inrichting deels zal worden uitgebaat in een nieuw nog op te richten gebouw; Overwegende dat de exploitatie zal plaatsvinden in een gebouw dat als opslagplaats voor hooi, stro, en landbouwalaam werd aangevraagd; Overwegende dat voor het nieuwe gebouw de bouwvergunning werd geweigerd op 11/04/1995 omwille van de stedenbouwkundige onverenigbaar- heid van het onesthetische en overgedimensioneerde gebouw in een landschap- pelijk waardevol valleigebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de tegenstrijdige bestemming van het gebouw volgens bouw- en milieuaan- vraag; - de inplanting van het nieuwe gebouw schaadt de landschappelijke waarde van het valleigebied; Overwegende dat een loop- en ligruimte van dieren niet als effectieve mestopslag kan worden beschouwd; Overwegende dat de nieuwe inrichting slechts beschikt over een opslagcapaciteit van 40 m³ vaste mest en 10 m³ gier in de bestaande stalling; Overwegende dat er geen opslagcapaciteit gedurende een periode van 6 maanden aanwezig is op de vestiging; Overwegende dat het bedrijf beschikt over voldoende gronden voor een verantwoorde mestafzet; Overwegende dat omwille van het ontbreken van voldoende mestopslagcapaciteit in de nieuwe gebouwen kan gesteld worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoorwaarde niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behalve voor het gedeelte dat reeds als stalling in gebruik werd genomen bij de woning; (...)". VII-14.667-3/8 1.
  8. De bouwaanvraag voor het oprichten van een tweede stal werd op 11 april 1995 door het college van burgemeester en schepenen geweigerd. Hiertegen tekende tussenkomende partij beroep aan bij de bestendige deputatie die op 6 juni 1996 het beroep niet inwilligt en geen bouwvergunning verleent. Tijdens de beroepsprocedure heeft de tussenkomende partij haar bouwaanvraag enigszins gewijzigd. De bestendige deputatie stelt vast dat zij niet bevoegd is om zich over het ten opzichte van de bouwaanvraag substantieel gewijzigd plan uit te spreken. Tegen deze weigeringsbeslissing wordt door de tussenkomende partij geen beroep aangetekend. 1.
  9. Tegen de beslissing houdende gedeeltelijke weigering van de milieuvergunning tekent de tussenkomende partij wel beroep aan bij de bestendige deputatie die dit beroep op 4 juli 1996 gegrond verklaart en vergunning verleent overeenkomstig de aanvraag (100 grote zoogdieren en 270 m³ vaste mest). Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt, onder meer, als volgt gemotiveerd : "(...) Overwegende dat de exploitatie van de inrichting milieutechnisch aanvaard- baar is; dat de inrichting op voldoende afstand is gelegen van hindergevoelige gebieden (ca. 700 m van woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter); Overwegende dat de activiteit van het bedrijf verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften voor het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; (...) - de bouwaanvraag dient beoordeeld te worden in het kader van een bouwvergunningsprocedure; er bestaat wel koppeling tussen de bouw- en milieuvergunning zodat de milieuvergunning geschorst blijft tot de bouwver- gunning is verleend; - volgens het advies van het BRO is de exploitatie van de inrichting stedenbouw- kundig verenigbaar met de ligging in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied". 1.
  10. De tussenkomende partij dient op 8 juli 1996, dit is vier dagen nadat ze de milieuvergunning in beroep heeft verkregen, een bouwaanvraag in voor het "het oprichten van een stalling voor dieren (14 paarden en 65 runderen), opslag van stro, hooi en landbouwalaam". Ook de nieuwe bouwaanvraag wordt geweigerd door de verzoekende partij. Zij wordt in beroep toegestaan door de bestendige deputatie. Hiertegen tekent de verzoekende partij beroep aan bij de minister, die het beroep verwerpt, waarna de verzoekende partij de zaak ten slotte aanhangig maakt bij de Raad van State , waar de zaak is gekend onder nummer A 79.860/X-
  11. Deze zaak werd nog niet voor behandeling vastgesteld; VII-14.667-4/8
  12. Beoordeling 2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel het volgende betoogt : "Overeenkomstig artikel 56 van Vlarem vervalt de milieuvergunning van rechtswege wanneer de bouwvergunning in laatste aanleg definitief geweigerd wordt; Het is onlogisch en onverklaarbaar dat de Bestendige Deputatie op 04/07/1996 een milieuvergunning toekent, die voor een groot deel betrekking heeft op een nieuw gebouw, waarvoor ze op 06/06/96 zelf de bouwvergunning definitief weigerde; Op 04/07/1996 had de Bestendige Deputatie logischerwijs het oorspronkelijk besluit van het College van burgemeester en schepenen moeten bijtreden, in overeenstemming met de adviezen van Aminal, de Vlaamse Landmaatschappij, de Provinciale Milieuvergunningscommissie en met haar eigen definitief besluit over de nieuwbouw; Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en getuigt niet van behoorlijk bestuur"; 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daartegenover het volgende stelt : "In dit middel stelt verzoeker dat verweerster de milieuvergunning had moeten weigeren omdat, krachtens artikel 56 van het VLAREM, de milieuver- gunning van rechtswege vervalt wanneer de bouwvergunning definitief is geweigerd. Verweerster verwijst naar haar standpunt betreffende de koppeling tussen de bouw- en milieuvergunningen dat zij heeft ingenomen bij de weerlegging van het eerste middel : deze koppeling werd door het Milieuvergunningsdecreet enkel ingesteld op het niveau van de uitvoering van beide categorieën van vergunning- en en niet op het niveau van de verlening"; 2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende uiteenzet : "Verweerster tracht ten overvloede te benadrukken dat er geen koppeling geldt tussen milieuvergunning en bouwvergunning, bij het verlenen ervan. Dit standpunt is niet correct. De milieuvergunningsaanvraag voor het houden van 80 Aberdeen- Angusrunderen en 20 paarden gaat uit van de N.V. Nethe-Laakdal en heeft betrekking op een concrete stal (waarvan de plannen in het dossier zitten) in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied van de vallei van de Grote Nete. Uit lezing van de statuten van de N.V. Nethe-Laakdal blijkt dat deze N.V. erg uiteenlopende doelstellingen heeft - land- en tuinbouw; boom- en plantenkwekerij - jacht, de vangst en herbevolking in wild - het beheer van een onroerend en roerend patrimonium, alsmede het ontwikkelen,- kopen, verkopen, in licentie nemen of geven van octrooien, know-how en aanverwante duurzame activiteiten VII-14.667-5/8 - het verlenen van adviezen van financiële, technische, commerciële en/of administratieve aard; in de ruimste zin bijstand en diensten verlenen rechtstreeks of onrechtstreeks op het vlak van administratie, financiën, verkoop, productie en algemeen bestuur (art. 3 van de statuten) . Uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de runderen niet geschikt zijn voor veeteelt. Uit de statuten van de betrokken N.V. blijkt dat landbouw eerder een Het betrokken landbouwbedrijf van deze N.V. is dus zeker geen volwaardig beroepslandbouwbedrijf. Volgens de toelichting bij het K.B. van 28/12/72 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen behoren gebouwen bestemd voor het fokken of stallen van dieren voor niet-landbouwkundige doeleinden tot de bijzondere para-agrarische bedrijven, die slechts vanuit landbouwkundig oogpunt toegelaten kunnen worden in structureel aangetaste gebieden, zodat hun inplanting niet schaadt aan de bestaande bedrijven. De inplanting van dergelijke stal in dit homogeen landschappelijk waardevol agrarisch gebied is derhalve strijdig met het K.B. van 28/12/
  16. De Bestendige Deputatie weigerde trouwens op 21/03/96 in beroep de bouwvergunning voor paardenstallen in de onmiddellijke omgeving om deze reden (...). Logischerwijze zou ze dus in dit dossier hetzelfde standpunt moeten innemen (gelijke behandeling van identieke gevallen in dezelfde omstandigheden) . Een milieuvergunning verlenen voor een exploitatie in een stal, waarvan men de bouwvergunning geweigerd heeft of moet weigeren, getuigt derhalve niet van behoorlijk bestuur. Het is misleidend voor de aanvrager en geeft aanleiding tot de opmaak van overbodige administratieve dossiers, die de bevoegde diensten nutteloos overbelasten"; 2.
  17. Overwegende dat de tussenkomende partij laat gelden wat volgt : "Verzoeker acht de bestreden beslissing onwettig omwille van het feit dat de Bestendige Deputatie op 4 juli 1997 (lees: 1996) de milieuvergunning toekende terwijl de bouwvergunning op 6 juni 1996 door dezelfde Bestendige Deputatie werd geweigerd. Verzoeker baseert zich hiervoor op artikel 56 Vlarem. Verzoeker in tussenkomst kan hiermee niet akkoord gaan. De koppeling van bouw- en milieuvergunning, zoals voorzien in artikel 56 van Vlarem, betreft enkel de uitvoerbaarheid en heeft, volgens verzoeker in tussenkomst, geen enkele implicatie op de behandelingsprocedure ten gronde. De Bestendige Deputatie heeft de vigerende wetgeving, door het apart behandelen en beoordelen van beide dossiers, derhalve op correcte wijze toegepast"; dat zij in haar memorie daaraan toevoegt dat de verwijzing door de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord naar de verenigbaarheid met de voorschriften van het koninklijk besluit van 28 december 1972 niet ter zake is en trouwens door het advies van het Bestuur Ruimtelijke Ordening van 19 april 1996 wordt tegengesproken; VII-14.667-6/8 2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord een aantal elementen aanvoert die betrekking hebben op de inhoudelijke beoordeling van de planologische verenigbaarheid; dat zij daardoor het middel deels een andere draagwijdte geeft; dat het middel niet ontvankelijk is in de mate dat de verzoekende partij voor het eerst in haar memorie van wederantwoord de planologische onverenigbaarheid en de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert; 2.
  19. Overwegende dat artikel 56 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) als volgt luidt : "De vergunning als bedoeld in artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, voor een inrichting waarvoor overeenkomstig onderhavig besluit een milieuvergun- ning is vereist of die onderworpen is aan de meldingsplicht wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend of de melding niet is gebeurd"; dat de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden wanneer zij uit deze bepaling afleidt dat de milieuvergunning vervallen is wanneer de bouwvergunning in laatste aanleg definitief geweigerd wordt; dat in voormeld artikel 56 enkel sprake is van "schorsing van de bouwvergunning" zolang de milieuvergunning niet verleend is; dat bovendien de bestreden milieuvergunning is genomen nadat de bestendige deputatie in beroep de bouwvergunning had geweigerd, zodat er op datum van de bestreden beslissing geen bouwvergunning bestond; Overwegende dat bouw- en milieuvergunningen krachtens onderscheiden regelgevingen worden verleend en een andere finaliteit dienen; dat niet valt in te zien, en door de verzoekende partij niet wordt uiteengezet, hoe de ene beslissing te dezen de andere zou hebben kunnen beïnvloeden; dat deze vaststelling des te meer klemt nu de verwerende partij op 6 juni 1996 de bouwvergunning heeft geweigerd op grond van louter procedurele redenen en niet om inhoudelijke motieven; dat het middel niet gegrond is; 2.
  20. Overwegende dat het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het tweede middel; dat er derhalve grond is om een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, VII-14.667-7/8 BESLUIT: Artikel
  21. De debatten worden heropend. Artikel
  22. Het door de Auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.667-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.278 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.839 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.