← België

Arrest 133279 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.279 Rolnummer: A. 146991/XII-4114 Zaak: Arrest 133279 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:47 Fiche Arrest nr 133.279 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.279 van 29 juni 2004 in de zaak A. 146.991/XII-

  1. In zake : Marie Paule VERSCHUEREN, die woonplaats kiest bij advocaat T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 33 tegen : de SCHOLENGROEP 1 VAN HET GEMEENSCHAPS- ONDERWIJS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. tussenkomende partij : Siegfried RAES, wonende te Antwerpen, Eric Sasselaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marie Paule Verschueren op 26 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : - de beslissing van 16 december 2003 van de raad van bestuur van Scholengroep 1, “houdende de weigering tot vaste benoeming [...] in de betrekking nr. 250 8”; - de beslissing van dezelfde raad van bestuur houdende de “weigering tot herziening van de eerdere niet-benoeming van 14 januari 2003” in de betrekking nr. é4; - het ten gevolge van de niet-benoeming gegeven ontslag; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; XII-4114-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Peeters, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over het verzoek tot tussenkomst. Overwegende dat Sigfried Raes met een verzoekschrift van 19 februari 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat hij als succesrijke concurrent van verzoekster voor de vaste benoeming in de betrekking nr. 250 8 belang heeft bij de uitkomst van de vordering; dat het verzoek moet worden ingewilligd; dat de tussenkomende partij op de terechtzitting echter niet verschijnt noch vertegenwoordigd is; dat, gelet op artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State met het verzoek overigens geen rekening moet worden gehouden; Over de feitelijke toedracht. Overwegende dat verzoekster sedert 1 september 1991 tijdelijk aangesteld is met een doorlopende opdracht in het ambt van opvoeder in het KTA Zwijndrecht; XII-4114-2/7 Overwegende dat, ter gelegenheid van een vorige benoemings- ronde, bij brief van 20 januari 2003 aan verzoekster wordt meegedeeld dat de raad van bestuur van de scholengroep geen gunstig gevolg kon geven aan haar kandidatuur voor vaste benoeming met ingang van 1 januari 2003 aan het KTA Zwijndrecht in de betrekking é4 “omdat [zij] niet batig gerangschikt was ‘geen 60 % op de selectieprocedure)’”; dat deze beslissing voorwerp is van een annulatieprocedure voor de Raad van State (A.134.130/XII-3735); Overwegende dat verzoekster bij brief van 27 november 2003 vroeg “de niet-benoeming van vorig jaar te herbekijken” omdat zij na een eerdere negatieve evaluatie thans een positieve evaluatie had gekregen; dat de algemeen directeur haar op 3 december 2003 antwoordt dat het “herbekijken” van een niet- benoeming statutair niet mogelijk is en het terzake ingediende beroep bij de Raad van State zijn verder verloop moet kennen; Overwegende dat verzoekster evenals tussenkomende partij met het oog op de vacantverklaring van het ambt van opvoeder in de betrekking nr. 250 8 aan het KTA Zwijndrecht onderworpen worden aan een selectieproef bestaande uit het indienen van een dossier en een interview; dat verzoekster voor het dossier 69/110 (63%) punten krijgt en voor het interview 39/90 (43%) punten, of in totaal 108/200 (54%); dat de eindbeoordeling van de jury over verzoekster luidt: “voldoet niet aan de gestelde criteria en komt als kandidate niet in aanmerking voor de betrekking van opvoeder in het KTA Zwijndrecht - Cenflumarin”; dat de tussenkomende partij 133/200 punten behaalde; dat de directeur, tevens voorzitter van de jury, tussenkomende partij voorstelt voor nieuwe affectatie in de bedoelde betrekking; dat de raad van bestuur op 16 december 2003 beslist om de tussenkomende partij te benoemen; Overwegende dat bij brief van 17 december 2003 aan verzoekster wordt meegedeeld dat de raad van bestuur geen gunstig gevolg kon geven aan haar kandidatuur voor vaste benoeming aan het KTA Zwijndrecht in de betrekking nr. 250 8 “Omdat: een andere kandidaat beter gerangschikt was”; Overwegende dat aan verzoekster op 19 december 2003 een werkloosheidsattest wordt overhandigd wegens ontslag vanaf 1 januari 2004; XII-4114-3/7 Overwegende dat de directeur van het koninklijk atheneum te Hoboken, behorend tot dezelfde scholengroep, met een 5 januari 2004 gedateerde brief aan verzoekster schrijft : “Met spijt heb ik van u deze morgen telefonisch vernomen dat u de vacature FT opvoeder 82 punten - ondanks uw bezoek aan onze school op 19 december 2003 - niet wenst op te nemen vanaf 1 januari
  4. Deze opdracht is in onze school vacant na het weggaan van Sieg Raes naar het KTA Zwijndrecht vanaf 1 januari 2004 na de beslissing van de Raad van Bestuur van 16-12-2003, die hem deze nieuwe affectatie heeft toegekend”; Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Over de schorsingsvoorwaarden. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift doet gelden dat een gelijkaardige functie, waarin zowel boekhoudkundige als pedagogische ervaring tegelijkertijd aan bod komen, niet meer beschikbaar is, dat zij geen ervaring meer kan opdoen “[z]elfs al zou zij de functie van opvoeder in Hoboken aanvaarden [...] vermits die functie niet met boekhoudkundige of financiële aspecten gepaard gaat”, dat zij intussen ontslagen is uit dienst, dat de toekomst van de school “niet geheel duidelijk” is en “niet zeker is of zij als dusdanig nog zal blijven bestaan” omdat het gebruik van twee opleidingsschepen en bijgevolg een deel van de opleiding dit jaar meer dan waarschijnlijk wordt beëindigd, dat zij met een vaste benoeming een toekomst heeft in de scholengroep ongeacht wat er met de school zou gebeuren, dat de XII-4114-4/7 benoemingsprocedure getuigt van een houding van verwerende partij die haar voorwerp maakt van verdachtmaking, afkeuring of minachting, dat immers de beoordeling gebeurt “in meesterlijk vage termen, die nergens concreet worden gestaafd” wat leidt tot “een absoluut abstract en bevreemdend document, dat helemaal niets te maken heeft met het interview zoals het heeft plaatsgevonden [en] vol [staat] van verzinsels die enkel gemeen hebben dat zij extreem vaag zijn”, dat zij “deze negatieve bestempeling [meedraagt] wanneer zij in afwachting van een vernietiging elders moet solliciteren en gevraagd wordt waarom zij niet in haar functie kon blijven”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota repliceert dat verzoekster niet aantoont waarom het nadeel dat zij meent geleden te hebben moeilijk te herstellen zou zijn en onderscheiden kan worden van een herstelbaar nadeel door een beoordeling door de Raad van State, dat een geldelijk nadeel herstelbaar is, dat verzoekster in dezelfde scholengroep een andere betrekking als opvoedster aangeboden krijgt die zij niet wenste op te nemen, dat verzoekster zich door die weigering zelf nadeel heeft berokkend, dat de specifieke ervaring waarop zij beroep doet niet gewaarborgd is door een vaste benoeming aangezien ook van een vastbenoemde de opdracht kan worden veranderd of een overplaatsing mogelijk is, dat zij loutere veronderstellingen maakt over de toekomst van de school en dat het moreel nadeel niet blijkt uit de bestreden beslissing; Overwegende dat bij het mislopen van een benoeming, een vernietiging in het algemeen volstaat om het betrokken personeelslid een nieuwe kans op benoeming te geven zodat het geleden nadeel in principe niet moeilijk te herstellen is; dat wie deelneemt aan een selectieprocedure daarenboven steeds rekening moet houden met de mogelijkheid niet als de beste te zullen uitkomen; dat het moreel nadeel dat een kandidaat door het falen van zijn sollicitatie ondergaat, dan ook een gevolg is van het inherent risico dat hij neemt door deel te nemen aan de selectie; dat ook zulk nadeel in beginsel niet ernstig is en overigens zeer wel herstelbaar door de morele genoegdoening van een eventueel later tussen te komen vernietiging; dat verzoekster niet aantoont waarom het in de voorliggende zaak anders zou moeten zijn, door louter op te merken dat zij “intussen” de ervaring van die betrekking zou missen; dat niet blijkt waarin die ervaring de vereiste eigenheid vertoont die het tijdelijk gemis ervan tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel maakt; dat de weigering door verzoekster om bij de verwerende partij een andere betrekking als opvoeder te aanvaarden voorts ontkracht dat het “intussen ontslagen” zijn voor haar XII-4114-5/7 een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt, nu immers minstens moet worden vastgesteld dat zij zonder daarvoor deugdelijke redenen te doen gelden de mogelijkheid afslaat om de omvang van dit nadeel te beperken; dat dit aanbod door verwerende partij ook de bewering tegenspreekt als zou verwerende partij verzoekster beladen met verdachtmakingen of afkeuring; dat overigens de opmerkingen op de beoordelingsfiche niet beledigend worden door de enkele omstandigheid dat ze extreem vaag zouden zijn; dat ook moet worden vastgesteld dat dergelijke fiche enkel voor de specifieke sollicitatieprocedure gehanteerd mag worden; dat de bemerkingen over het voortbestaan van de instelling of haar opleidingsaanbod te hypothetisch is om in aanmerking te worden genomen; dat, kortom, niet voldaan is aan de besproken voorwaarde, BESLUIT: Artikel
  5. Het verzoek tot tussenkomst van Siegfried Raes in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  6. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  7. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-4114-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4114-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.279 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.795 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.