id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.302 Rolnummer: A. 132135/XIV-13553 Zaak: Arrest 133302 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:49 Fiche Arrest nr 133.302 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.302 van 29 juni 2004 in de zaak A. 132.135/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mongoolse nationaliteit, op 22 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2004; XIV-13.553-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 oktober 2002 en zich vluchteling verklaart op 28 oktober 2002; dat op 25 november 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 december 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart de Mongoolse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Ulaanbaatar. U bent lid van de Democratische Partij van Mongolië (PNDM). Sinds 1994 werkte u voor de privé-onderneming ‘Selenge’ als onderdirecteur en hoofdboekhouder. In augustus 2001 kreeg het bedrijf een krediet van 150000 dollar van de bank. Uw werkgever, Dorjin Dondor, stortte de helft van dit bedrag op de rekening van de Revolutionaire Partij van Mongolië (PRM). U sprak uw werkgever hierover aan, wat hem niet beviel. Nadat u met een journalist gesproken had, verscheen er een artikel in de krant ‘Ug’. Korte tijd later verschenen er als reactie twee of drie artikels in de krant ‘Unen’. Uw werkgever sprak u aan over uw ontboezemingen met betrekking tot zijn financiële praktijken. Op 28 december 2001 werden uw zoon, XXX en u aangereden door een auto. Uw zoon kon in maart 2002 het ziekenhuis verlaten, terwijl u tot augustus 2002 in het ziekenhuis moest blijven. U kreeg twee keer het bezoek van een politie- inspecteur. De eerste keer in het gezelschap van de autobestuurder die u had aangereden. In maart 2002 werd de autobestuurder veroordeeld tot een geldboete van 170 000 Tugrug. Nadat u in augustus 2002 het ziekenhuis verlaten had, werd u op uw werkplaats aangesproken over het nog niet terugbetaalde krediet. Op 20 augustus 2002 kreeg u een oproepingsbrief van de politie. U bood zich nog dezelfde dag aan. U werd verantwoordelijk gesteld voor zogenaamde inbreuken op de financieringswet. Na vier dagen te hebben vastgezeten, werd u overgebracht naar de gevangenis ‘Ghants Khudag’, waar u tot 7 september 2002 vastgehouden werd. Midden september 2002 werd u door twee agenten in burger aangesproken. Nadat ze u geslagen hadden, ging u klacht indienen bij de politie. Ze onderzochten de zaak, maar u hebt hier nooit een document van gekregen. Een paar dagen later ging u naar de krant ‘Humuusiin Amidral’, waar u zich liet interviewen door een journaliste van deze krant. Nog diezelfde week verscheen het artikel in de krant. Hierna ontving u twee dreigbrieven via de post. U verkocht uw appartement, stuurde uw echtgenote en drie kinderen naar de provincie Khentii en vertrok op 17 oktober 2002 naar België. U kwam hier in België aan op 25 oktober 2002 en diende drie dagen later een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat u niet altijd even consequent bent geweest in de loop van uw asielprocedure. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat u sinds 1996 voor het bedrijf ‘Selenge’ werkte (gehoorverslag DVZ, p. 9), terwijl u volgens uw verklaringen in dringend beroep (DB) reeds sinds 1994 in dit bedrijf werkte (gehoorverslag CGVS, p. 2). Voor DVZ beweerde u dat u het artikel in de krant ‘Ug’ zelf geschreven had (gehoorverslag DVZ, p. 9), terwijl u in DB verklaarde dat het om een interview ging, dat samen met enige uitleg van een journalist in de krant ‘Ug’ verschenen is (gehoorverslag CGVS, p. 5). Met betrekking tot de verwondingen van uw zoon spreekt u voor DVZ over een zware hersenschudding (gehoorverslag DVZ, p. 10). In DB daarentegen verklaarde u dat uw zoon slechts lichte verwondingen, zoals schaafwonden en kneuzingen had (gehoorverslag DB, XIV-13.553-2/6 p. 7). Voor DVZ verklaarde u dat de autobestuurder die jullie aangereden heeft, een boete van 150 000 Tugrug (komt overeen met 150 $) moest betalen (gehoorverslag DVZ, p. 10). In DB daarentegen verklaarde u dat hij een boete van 170 000 Tugrug (of 170 $) moest betalen (gehoorverslag CGVS, p. 9). Voor DVZ verklaarde u dat u voor uw interview in de krant (Humuusiin Amridal’ twee dreigbrieven gekregen hebt (gehoorverslag DVZ, p. 11). Na dit interview zou er niets meer voorgevallen zijn (gehoorverslag DVZ, p. 11). In DB daarentegen verklaarde u deze dreigbrieven na uw interview in deze krant te hebben gekregen en om deze reden besloten te hebben het land te verlaten (gehoorverslag CGVS, p. 13). Bovendien verklaarde u voor DVZ dat u deze dreigbrieven uit handen van een straatkind kreeg (gehoorverslag DVZ, p.11), terwijl uit uw verklaringen in DB blijkt dat ze u opgestuurd werden via de post (gehoorverslag CGVS, p. 12). Verder hebben uw zoon, XXX en u enige tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo verklaarde uw zoon dat u het artikel in de krant ‘Ug’ zelf geschreven had (gehoorverslag CGVS, zoon, p. 4), terwijl u verklaarde dat het door een journalist geschreven was (gehoorverslag CGVS, p. 5). U verklaarde dat er als reactie op het artikel ‘Ug’ twee of drie artikels verschenen zijn tussen september 2001 en november 2001, ondertekend door ene Baadai (gehoorverslag CGVS, p. 4 en p. 6). Uw zoon daarentegen verklaarde dat er tot op heden artikels verschijnen in de krant ‘Unen’ als reactie op uw artikel in de krant ‘Ug’. Bovendien zouden deze artikels van de hand van verschillende auteurs zijn (gehoorverslag CGVS, zoon, p. 4). Met betrekking tot de verwondingen van uw zoon spreekt u enkel over lichte verwondingen zoals schaafwonden en kneuzingen. U verklaarde dat hij naast schaafwonden ook twee scheenbenen en een rib gebroken had (gehoorverslag CGVS, p. 5). Bovenstaande opmerkingen doen dusdanig afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas dat er geen verder geloof aan kan gehecht worden. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument waardoor uw reisweg en identiteit niet kunnen worden gecontroleerd.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet, van 15 december 1980 en schending van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd. 23.12.2002 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, dd. 26.11.
- In de motivering stelt de heer commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dat de problematiek waarmee verzoeker geconfronteerd werd niet overeenstemt met de bepalingen van de Conventie van Genève. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat mijn verzoeker en zijn zoon altijd evenconsequent geweest zijn in de loop van uw asielprocedure. Zo verklaarde mijn verzoeker voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat hij sinds 1994 voor het bedrijf ‘Selenge’ werkte (gehoorverslag DVZ, p. 9), wat verkeerdelijk in 1996 werd genoteerd hetgeen hij volgens zijn verklaringen in dringend beroep (DB) bevestigde, nl. dat hij sinds 1994 in dit bedrijf werkte (gehoorverslag CGVS, p. 2). Voor DVZ beweerde hij dat hij het artikel in de krant ‘Ug’ zelf geschreven had (gehoorverslag DVZ, p. 9), hetgeen hij bevestigde in DB en preciseerde dat het om een interview ging, door hem gesproken en geschreven, dat samen met enige uitleg van een journalist in de krant ‘Ug’ verschenen is (gehoorverslag CGVS, p. 5). Met betrekking tot de verwondingen van mijn verzoeker spreekt hij voor DVZ over een zware hersenschudding (gehoorverslag DVZ, p. 10). In DB daarentegen verklaarde hij hetzelfde, nl. dat zijn zoon slechts lichte verwondingen, zoals schaafwonden en kneuzingen, en een hersenschudding had (gehoorverslag, DB, p. 7). Voor DVZ verklaarde hij dat de autobestuurder die hen aangereden heeft, een boete van 150 000 Tugrug (komt overeen met 150 $) moest betalen (gehoorverslag DVZ, p. 10) en in DB daarentegen verklaarde hij dat hij een boete van 170 000 Tugrug (of 170 $) moest betalen (gehoorverslag CGVS, p. 9). Dit is een uitermate klein detailsverschil, dat nooit de geloofwaardigheid van zijn verhaal kan in het gedrang brengen. Voor DVZ verklaarde hij dat hij na (niet voor) zijn interview in de krant (Humuussin Amridal) twee dreigbrieven gekregen had (gehoorverslag DVZ, p. 11). Na dit interview zou er niets meer voorgevallen zijn (gehoorverslag DVZ, p. 11). In DB daarentegen verklaarde hij deze dreigbrieven na zijn interview in deze krant te hebben gekregen en om deze reden besloten te hebben het land te verlaten (gehoorverslag CGVS, p. 13). Bovendien verklaarde hij voor DVZ dat u deze XIV-13.553-3/6 dreigbrieven uit handen van een straatkind kreeg (gehoorverslag DVZ, p. 11), terwijl uit uw verklaringen in DB blijkt dat ze u opgestuurd werden via de post (gehoorverslag, CGVS, p. 12). Verder hebben mijn verzoeker en zijn zoon geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo verklaarde zijn zoon dat hij het artikel in de krant ‘Ug’ zelf geschreven had (gehoorverslag CGVS zoon, p. 4), terwijl mijn verzoeker verklaarde dat het door een journalist geschreven was (gehoorverslag CGVS, p. 5). Mijn verzoeker verklaarde dat er als reactie op het artikel ‘Ug’, twee of drie artikels verschenen zijn tussen september 2001 en november 2001, ondertekend door ene Baadai (gehoorverslag CGVS, p. 4 en p. 6). Zijn zoon daarentegen verklaarde dat er tot op heden artikels verschijnen in de krant ‘Unen’ als reactie op zijn artikel in de krant ‘Ug, hetgeen duidelijk geen tegenstrijdigheid is’. Bovendien zouden deze artikels van de hand van verschillende auteurs zijn (gehoorverslag CGVS, zoon, p. 4). Met betrekking tot de verwondingen van zijn zoon spreekt mijn verzoeker enkel over lichte verwondingen zoals schaafwonden en kneuzingen en een hersenschudding. Hij verklaarde bovendien uitdrukkelijk dat hij niets gebroken had (gehoorverslag CGVS, p. 7). Zijn zoon daarentegen preciseerde dat hij naast schaafwonden ook twee scheenbenen en een rib gebroken had (gehoorverslag CGVS, p. 5). In haar beslissing dd. 23.12.2002 heeft de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen in haar motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. (R.v.St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd. 1994, 95, T. Vreemd. 1994, 56; Rev. Dr. Etr. 1994, 29).”; 2.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het onderdeel van het middel enkel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partij heeft verklaard dat zij sinds 1996 voor het bedrijf “Selenge” werkte (p. 9), dat zij de auteur was van het artikel in de krant “Ug” (p.9), dat haar zoon enkele kleine wonden en een zware hersenschudding had opgelopen bij een auto-ongeval (p. 10), dat de aansprakelijke autobestuurder veroordeeld was tot het betalen van een geldboete van 150.000 Tugrug (p. 10) en dat zij voor haar interview in de krant “Humuusiin Amridal” twee dreigbrieven ontving uit de handen van een straatkind, waarna niets meer zou voorgevallen zijn (p.11); dat anderzijds uit het XIV-13.553-4/6 verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij had verklaard dat zij sinds 1994 voor het bedrijf “Selenge” had gewerkt, dat het kwestieuze artikel geschreven was door een journalist die haar kwam interviewen (p. 5), dat haar zoon enkel lichte verwondingen (zoals kneuzingen en schaafwonden) had opgelopen (p. 7), dat de aansprakelijke autobestuurder veroordeeld was tot 170.000 Tugrug en dat zij dreigbrieven via post had ontvangen pas na het interview in de krant “Humuusiin Amridal”; Overwegende dat de bovenvermelde tegenstrijdigheden derhalve steun vinden in het administratief dossier en kunnen volstaan om het bestreden besluit te dragen; dat de verzoekende partij zich beperkt tot het ontkennen of minimaliseren van de bevindingen van de commissaris-generaal en tot het herhalen van haar eigen verklaringen, die reeds zijn opgenomen in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij daarmee niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.553-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.553-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.302 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.