← België

Arrest 133306 - - 29/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.306 Rolnummer: A. 105263/XIV-4800 Zaak: Arrest 133306 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-26 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:49 Fiche Arrest nr 133.306 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.306 van 29 juni 2004 in de zaak A.105.263/XIV-4800. In zake : 1) XXX, 2) XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 mei 1971, en XXX, geboren op 9 oktober 1974, beiden van Russische nationaliteit, op 28 mei 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 april 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 4 januari 2001 en 22 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 2 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-4800-1/11 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 februari 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. VAN DE COTTE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX komt België binnen op 15 december 2000 en verklaart zich dezelfde dag vluchteling. XXX komt België binnen op 4 februari 2001 en verklaart zich vluchteling op 13 februari 2001. 1.2. Op 4 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van XXX een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 22 februari 2001 neemt hij ten aanzien van XXX een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 27 april 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beide beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Uit betrokkenes schriftelijke verklaringen, ingediend op het CG op 26 februari 2001, blijkt dat hij Russisch staatsburger is en enerzijds problemen kende met zijn overste op het werk en anderzijds met een Russisch(

  1. e)onderzoeksrechter. Betrokkene werkte als verpleger bij een ziekenwagendienst in de stad Nevinnomyssk (Russische Federatie). Hij en dokter XXX kregen op 10 november 1999 een noodoproep van de politie om een man te helpen. Deze laatste, genaamd XXX, bleek zwaar toegetakeld te zijn door de politie. Na verzorging ter plekke, was al snel duidelijk dat de gewonde man diende gehospitaliseerd te worden. Gezien deze persoon volgens de politie moest vervoerd worden met een politiekonvooi, die (dat) op dat ogenblik niet beschikbaar was, werd de verplaatsing naar het ziekenhuis geweigerd. Betrokkene en dokter XIV-4800-2/11 XXX keerden daarop terug naar de spoedgevallendienst waar ze dit voorval registreerden. Later die avond zou betrokkene en dokter XXX, na een nieuwe oproep, deze XXX dood op straat aangetroffen hebben. De politie werd erbij geroepen, waarna betrokkene samen met dokter XXX werd weggestuurd. Ook dit voorval werd op de spoeddienst officieel geregistreerd. Ongeveer een week later werd betrokkene bij de hoofddokter geroepen en werd hem duidelijk gemaakt het bewuste voorval te vergeten. Aan dokter XXX werd hetzelfde gezegd en zij kreeg tevens de opdracht de officiële registratie aangaande dit voorval te vervalsen. Later kreeg zowel betrokkene als zijn collega dokter XXX het bezoek van de zus van het overleden slachtoffer : deze laatste vroeg of beiden bereid waren om de waarheid te vertellen in een recht(s)zaak tegen de politie, waarmee zowel betrokkene als dokter XXX (mee) instemden. Begin december 1999 werd betrokkene opgeroepen door een onderzoeksrechter die hem meedeelde de waarheid omtrent de dood van XXX te verzwijgen. Betrokkene werd nog vele malen bij zowel de onderzoeksrechter als de hoofddokter geroepen. Vanaf januari 2000 ontving betrokkene thuis dreigtelefoontjes. In februari en maart 2000 verdween telkens een koffertje met medische documenten, waarna betrokkene door de hoofdarts werd beschuldigd van diefstal. Later dat jaar werd betrokkene tweemaal in elkaar geslagen door onbekenden. Bovendien werd ook zijn vrouw,XXX,bedreigd met verkrachting. Uiteindelijk besloot betrokkene het land te verlaten en verbleef zijn vrouw in december 2000 bij betrokkenes grootouders in Pjategorsk (Russische Federatie). Op 8 december 2000 wendde hij zich samen met XXX naar Nevinno- myssk om hun huwelijk te laten registreren. Volgens betrokkenes verklaringen verliet(
  2. en)hij en XXX op 12 december 2000 de Russische Federatie. Betrokkene kwam op 15 december 2000 in België aan en vroeg diezelfde dag asiel aan bij de Belgische overheid. Betrokkene voegde hieraan toe dat zijn echtgenote, XXX later vertrokken was en pas op 4 februari 2001 in België aankwam. Vooreerst dient vastgesteld te worden dat er in betrokkenes verklaringen (verhoorverslag DVZ, beroepschrift en bijkomende schriftelijke verklaringen) geen elementen aanwezig zijn die kunnen of zouden kunnen wijzen op een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie van Genève (politieke of religieuze overtuiging, haar (zijn) nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep). Betrokkene stelde dat hij door zijn baas op het werk en een onderzoeksrechter in Nevinnomyssk gevraagd werd om de waarheid omtrent het overlijden van een man te verzwijgen en de officiële registratie ervan te vervalsen. Er kan gesteld worden dat de door betrokkene ingeroepen problemen zich echter situeren in de private interpersoonlijke sfeer, wat juridisch gezien niet onder de Vluchtelingenconventie valt, maar wel onder het gemeenrecht. Uit niets blijkt dat de door betrokkene aangehaalde problemen geïnspireerd zijn door één van de in de Vluchtelingen- conventie opgesomde criteria (politieke of religieuze overtuiging, haar (zijn) nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep). Bijgevolg kan gesteld worden dat betrokkenes problemen waarvoor hij zijn land verliet, buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève vallen. Betrokkene haalde geen enkel element aan dat erop zou kunnen wijzen dat hij omwille van één van de redenen zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie geen bescherming kan of zou kunnen genieten van deze autoriteiten. Bovendien kan gesteld worden dat betrokkenes vrees het lokale niveau niet overstijgt. Uit betrokkenes verklaringen kan niet opgemaakt worden dat hij of zijn vrouw problemen zouden kennen indien ze zich elders in de Russische Federatie zouden vestigen. Aangaande het (
  3. de)door betrokkene ingediende kopies van documenten kan nog opgemerkt worden dat uit de kopie van zijn wer(k)boekje blijkt dat hij op 4 januari 2001 "op eigen verzoek is ontslagen". Gezien betrokkene voor beide asielinstanties (DVZ en CGVS) echter verklaarde dat hij reeds op 12 december 2000 de Russische Federatie verliet, kan gesteld worden dat zijn verklaring omtrent zijn (
  4. de)vertrekdata weinig geloofwaardig zijn. De kopies van de twee medische attesten tonen enkel aan dat betrokkene tweemaal verwondingen opliep, m.n. op 25 september en 12 oktober 2000. Nergens wordt in deze documenten melding gemaakt van de omstandigheden waarin deze letsels veroorzaakt werden. Tenslotte kan aangaande de kopie van zijn geboorteakte opgemerkt worden dat deze enkel betrekking heeft op betrokkenes identiteit, die niet ter discussie staat. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van betrokkene geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève vastgesteld worden. De Commissaris-generaal achtte het niet nodig betrokkene, ondanks zijn verzoek, te verhoren, aangezien uit het administratief dossier blijkt dat betrokkenes verklaringen volledig zijn en met (niet) getuigen van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie van Genève. Hierbij aansluitend kan nog vermeld worden dat uit de door de advocaat ingediende stukken op 20 februari 2001 blijkt dat enkel de DVZ op de hoogte werd gesteld van (
  5. de)betrokkenes adreswijziging en dit niet werd bericht aan het CGVS. Na telefonisch contact op 20 februari 2001 werd aan betrokkene gevraagd een uitgebreide schriftelijke verklaring op te sturen, die werd ingediend op 26 februari 2001. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn XIV-4800-3/11 appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweige- ring besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 4 januari 2001. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, een Russisch staatsburger, verklaarde op de DVZ dat haar man, Morgunov Sergej (O.V. 5.054.045), bij een medische spoeddienst werkte en in november 1999 samen met dokter XXX door de politie werden opgeroepen om een man te verzorgen. Eenmaal ter plekke brachten ze eerste hulp toe en de man vertelde betrokkene dat hij geslagen was door de politie. Al snel werd duidelijk dat ze deze man diende(
  6. n)te hospitaliseren, wat echter werd geweigerd door de aanwezige politie-agenten. Nog diezelfde avond zou betrokkenes echtgenoot, na een nieuwe oproep, dezelfde man dood aangetroffen hebben. Later zou betrokkene door zijn chef onder druk gezet zijn om het verdacht overlijden te vergeten. Nadien werd betrokkene meermaals door een familielid van het slachtoffer opgezocht met het verzoek om te getuigen in een recht(s)zaak die ze zouden inspannen tegen de politie. Betrokkene alsook dokter XXX beloofden hieraan mee te werken, maar vernamen niets meer van deze zaak. Op een dag werd betrokkene bij de hoofddokter geroepen met de vraag om de registraties te wijzigen, wat betrokkene weigerde te doen. In februari en maart 2000 werd telkens een tas met verboden middelen gestolen. Betrokkene werd door zijn baas op het werk telkens beschuldigd van diefstal. Vervolgens werd haar echtgenoot in september en oktober 2000 door onbekenden aangevallen. Betrokkene, eveneens werkzaam bij de medische dienst, werd door de hoofddokter gevraagd haar man te beïnvloeden. In deze periode zouden vele dreigtelefoontjes binnengelopen zijn. In december 2000 woonde betrokkene bij familie van haar man in Pjatigorsk (Russische Federatie). Op 8 december 2000 werd in Nevinnomyssk het huwelijk tussen betrokkene en haar man voltrokken. Op 11 december 2000 zou haar echtgenoot de Russische Federatie verlaten hebben, samen met dokter XXX. Betrokkene zou haar land pas verlaten hebben op 31 januari 2001. Ze kwam op 4 februari 2001 in België aan en vroeg op 13 februari 2001 asiel aan bij de Belgische staat. In eerste instantie dient er gewezen te worden op het feit dat (
  7. de)Commissaris-generaal het niet nodig achtte om betrokkene te verhoren aangezien uit het verhoorverslag van de DVZ blijkt (dat) de door betrokkene persoonlijk ingeroepen feiten (dreigtelefoontjes en de druk van de hoofddokter om haar echtgenoot te beïnvloeden) niet zwaarwichtig genoeg (zijn) om een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie vast te stellen. Anderzijds baseert betrokkene haar asielrelaas voor de overige elementen volledig op dezelfde feiten als haar echtgenoot, XXX. Aangezien in het kader van de asielaanvraag van betrokkenes echtgenoot werd vastgesteld dat er geen elementen aanwezig zijn die kunnen of zouden kunnen wijzen op een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie van Genève (politieke of religieuze overtuiging, haar nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep), kan in hoofde van betrokkene onmogelijk een gegronde vrees voor vervolging in de zin van Conventie van Genève vastgesteld worden. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van betrokkene geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève vastgesteld worden. Tenslotte kan aangaande de door betrokkene ingediende kopies van haar werkboekje, geboorteakte en militair boekje opgemerkt worden dat deze betrokkenes asielrelaas niet in een ander daglicht kunnen stellen : deze documenten bevatten enkel gegevens omtrent haar identiteit, waaraan niet wordt getwijfeld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweige- ring besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 februari 2001. XIV-4800-4/11 De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekers een eerste middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Eerste middel: schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het artikel 62 van de Wet van 15 december 1990 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verbijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, m.n. het motiveringsbeginsel. Dat de bevestigende beslissingen van weigering tot verblijf dd. 27 april 2001 zoals alle bestuurshandelingen uitdrukkelijk dienen gemotiveerd te worden en dit niet alleen op grond van artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, doch eveneens op grond van artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991. De motivering moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de bestreden beslissingen ten grondslag liggen. De motivering dient afdoende te zijn (artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991). Doordat de Commissaris-generaal de asielaanvragen van verzoekers als kennelijk ongegrond beschouwd(
  8. t)en hierbij als doorslaggevende motivering geeft: (...) Terwijl: vooreerst dient opgemerkt te worden dat de bestreden beslissing van Mevrouw XXX geenszins een voorbeeld van goed bestuur in hoofde van de Commissaris-generaal uitmaakt en de weerhouden motivering dan ook een flagrante inbreuk inhoudt op de Wet op de uitdrukkelij- ke motivering van administratieve bestuurshandelingen van 29 juli 1991; het Hof van Cassatie geoordeeld heeft naar aanleiding van de schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechterlijke beslissingen dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd (Cass., 12 mei 1932, Pas, I, 1932, 166); naar analogie kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat de Commissaris-generaal de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak niet beredeneerd heeft; in casu er een flagrante miskenning is gebeurd van het beginsel van een ‘beredeneerde uitspraak’; in de bestreden beslissing van Mevrouw XXX immers verklaringen in haar mond worden gelegd die zij nooit gedaan heeft en zelfs met geen woord over gesproken heeft; zo onder meer gesteld wordt dat de man welke geslagen was door de politie en die door haar echtgenoot verzorgd werd, aan haar meedeelde dat dit was gebeurd door de politie (...#en de man vertelde betrokkene dat hij geslagen was door de politie’ -regel 4)’; dergelijke voorbeelden legio zijn in de bestreden beslissing: ...#later zou betrokkene door zijn chef onder druk gezet zijn om het verdacht overlijden te vergeten’(regel 7-8); #...nadien werd betrokkene meermaals door een familielid van het slachtoffer opgezocht...’ (regel 8-9); Betrokkene alsook dokter XXX beloofden hieraan mee te werken’ (regel 10-11); ... werd betrokkene bij de hoofddokter geroepen met de vraag de registraties te wijzigen’ (regel 11- 12); Betrokkene werd door zijn baas op het werk telkens beschuldigd van diefstal’ (regel 12-13); verzoekster dergelijke verklaringen nooit heeft afgelegd, doch het daarentegen haar echtgenoot was die dit relaas heeft uiteengezet; de bestreden beslissing van Mevrouw XXX dan ook flagrant in strijd is met de door haar gedane verklaringen en een loutere overname is van de beslissing van haar echtgenoot, zodat hieruit eens te meer blijkt dat de Commissaris-generaal het relaas van verzoekster gewoonweg niet onderzocht heeft, doch gewoonweg het verhaal van haar echtgenoot heeft overgenomen; dat #vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige en niet plausibele motivering, stereotype, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen niet afdoende zijn’ (zie VANHEULE, D., Vluchtelingen Overzicht van de Wet van 6 mei 1991, Gent, Mys&Breesch, 1993, 78; VANHEULE, D., ‘De motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet, T V R , 1993/2, 67-71); een dergelijke vereiste dan ook waarborgen biedt tegen het willekeurig optreden van de administratieve overheid en een zekerheid inbouwt dat het asielrelaas van de kandidaat- vluchteling op een doeltreffende en zekere wijze wordt onderzocht; in casu dan ook zeer duidelijk blijkt dat de Commissaris-generaal zich zelfs de moeite niet getroost heeft het asielrelaas van verzoekster onder de loep te nemen, doch louter de XIV-4800-5/11 verklaringen van haar echtgenoot heeft overgenomen; de administratieve beslissing bovendien ook leesbaar en verstaanbaar dient te zijn voor de rechtsonderhorige; verzoekster in casu de bestreden beslissing gewoonweg niet begrijpt, nu zij dergelijke verklaringen (zie supra) nooit heeft afgelegd en haar woorden in de mond worden gelegd die zij nooit heeft uitgesproken; de bestreden beslissing dan ook flagrant in strijd is met alle regels waaraan administratieve handelingen gebonden zijn en bijgevolg dan ook een schending uitmaakt van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht; in ondergeschikte orde, de bestreden beslissingen voorts opwerpen dat de verklaringen van verzoekers niet gesteund zouden zijn op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, zodat hun problemen louter zouden kaderen in de private interpersoon- lijke sfeer en zij niet zouden aangetoond hebben dat zij geen bescherming zouden kunnen genieten van de autoriteiten; verzoekers daarentegen duidelijk hebben aangetoond dat zij juist moeilijkheden kregen uitgaande van de Russische autoriteiten; verzoeker immers getuige was van een vermoedelijke ‘politieke moord’ door de politie en hem verboden werd het slachtoffer te vervoeren naar het ziekenhuis, die (dat) dan ook zoals verwacht aan zijn verwondingen overleed; op verzoeker vervolgens druk werd uitgeoefend om het voorval te vergeten en de registraties ervan te vervalsen; hij tevens diverse malen bij de onderzoeksrechter diende te gaan die telkens ook uitdrukkelijk(
  9. e)stelde met geen woord te reppen over het gebeurde; verzoekers daarenboven dreigtelefoons kregen (welke uiteraard alleen afkomstig van de autoriteiten konden zijn, nu enkel zij van het voorval op de hoogte waren), verzoeker tweemaal in elkaar geslagen werd en verzoekster met verkrachting bedreigd werd, wat eveneens in opdracht van de autoriteiten gebeurde; verzoekers dan ook genoegzaam hebben aangetoond dat zij geen bescherming van de autoriteiten konden genieten, nu het deze autoriteiten waren die hen belaagden; de moeilijkhe- den van verzoekers dan ook geenszins kaderen in een private interpersoonlijke sfeer; de bestreden beslissingen tevens aanhalen dat uit de verklaringen van verzoekers niet kan opgemaakt worden dat zij problemen zouden kennen indien zij zich elders in de Russische Federatie zouden vestigen; uit de aard van de moeilijkheden en het feit dat deze te wijten waren aan een vervolging door de overheid, blijkt echter reeds afdoende dat een verhuis naar een andere plaats geen soelaas zou gebracht hebben, nu de autoriteiten verzoekers uiteraard overal zouden hebben kunnen vinden, gezien zij over een uitgebreide inlichtingendienst beschikken en zij het monopolie hebben over de informatie over burgers; verzoekers tenslotte bij aangetekende zending dd. 25 april 2001 nog een aantal documenten met de vertaling ervan hebben overgemaakt aan het Commissariaat-generaal (stuk 8), doch in de bestreden beslissingen hiervan geen gewag wordt gemaakt; de Commissaris-generaal dan ook geen rekening heeft gehouden met alle door verzoekers voorgelegde stukken en middelen, zodat de bestreden beslissingen dan ook niet afdoende gemotiveerd zijn en een manifeste beoordelingsfout maakte door het afwijzen van de asielverhalen van verzoekers als kennelijk ongegrond; de motivering van de Commissaris-generaal dan ook geenszins kan worden weerhouden en de bestreden beslissing(
  10. en)bijgevolg onvoldoende gemotiveerd is (zijn), zoals vereist in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Wet van 15 december 1980.”; 2.1.1. Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekers niet aantonen dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) werden geschonden, temeer daar uit het middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissingen kennen; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.1.2. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor XIV-4800-6/11 wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid van de eerste bestreden beslissing heeft besloten op grond van de volgende motieven : - in verzoekers verklaringen (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, beroepschrift en bijkomende schriftelijke verklaringen) zijn geen elementen aanwezig die kunnen of zouden kunnen wijzen op een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie (politieke of religieuze overtuiging, nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep); - verzoekers problemen op het werk en met de onderzoeksrechter, die hem vroegen om het overlijden van een man te verzwijgen en de officiële registratie ervan te vervalsen, situeren zich in de private interpersoonlijke sfeer, wat juridisch gezien onder het gemeenrecht valt en niet onder de Vluchtelingenconventie. Verzoeker toont niet aan dat hij geen bescherming zou kunnen krijgen van de autoriteiten wegens één van de redenen voorzien in de Vluchtelingen- conventie; - verzoekers vrees overstijgt het lokale niveau niet; - uit verzoekers verklaringen blijkt niet dat ze problemen zouden kennen indien hij en zijn echtgenote zich elders in de Russische Federatie zouden vestigen; - verzoekers verklaring omtrent zijn vertrek op 12 december 2000 is weinig geloofwaardig aangezien zijn werkboekje vermeldt dat hij op 4 januari 2001 op eigen verzoek is ontslagen; - de kopieën van de twee medische attesten tonen enkel aan dat verzoeker twee maal verwondingen opliep; - verzoekers geboorteakte heeft enkel betrekking op zijn identiteit die niet ter discussie staat; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid van de tweede bestreden beslissing heeft besloten op grond van de volgende motieven : - de Commissaris-generaal achtte het niet nodig verzoekster te verhoren daar uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de door verzoekster ingeroepen feiten (dreigtelefoontjes en de druk van de hoofddokter om haar man te beïnvloeden) niet zwaarwichtig genoeg zijn om een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie vast te stellen; XIV-4800-7/11 - verzoekster baseert haar asielrelaas voor de overige elementen volledig op dezelfde feiten als haar echtgenoot. In het kader van zijn asielaanvraag werd vastgesteld dat er geen elementen aanwezig zijn die kunnen of zouden kunnen wijzen op een gegronde vrees voor vervolging wegens één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie, zodat ook in hoofde van verzoekster geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelin- genconventie kan worden weerhouden ; -de door haar ingediende documenten doen geen afbreuk aan wat voorafgaat: ze bevatten enkel gegevens omtrent haar identiteit, waaraan niet wordt getwijfeld; Overwegende dat uit een vergelijking van de tweede bestreden beslissing met het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal verzoeksters asielrelaas wel degelijk individueel heeft onderzocht en dat hij bij het nemen van zijn beslissing rekening heeft gehouden met haar persoonlijke verklaringen: dat hij enerzijds verwijst naar de specifieke vervolgingsfeiten uit haar asielrelaas, die betrekking hebben op haar individuele situatie (de dreigtelefoontjes en de druk van de hoofddokter om haar echtgenoot te beïnvloeden) en anderzijds naar de feiten, die overeenstemmen met het asielrelaas van haar echtgenoot XXX (zijn problemen op het werk en met de onderzoeksrech- ter); dat een objectieve analyse van voornoemde elementen hem tot het besluit heeft gebracht dat zij geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie koestert; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeksters asielrelaas grotendeels steunt op dezelfde feiten als dat van verzoeker; dat er evenwel geen sprake is van een loutere overname, daar de tweede bestreden beslissing werd gemotiveerd op grond van specifieke en relevante elementen uit het betreffende asielrelaas en steun vindt in de gegevens van het administratief dossier; dat verzoekers tevens aanvoeren dat de Commissaris-generaal verklaringen in verzoeksters mond heeft gelegd die zij niet heeft uitgesproken, maar wel haar echtgenoot; dat deze grief betrekking heeft op de feiten, die weergegeven zijn in het eerste deel van de tweede bestreden beslissing; dat voornoemde weergave van de feiten evenwel niet van aard is om de motivering van de bestreden beslissing aan te tasten; dat de motieven van de tweede bestreden beslissing immers steun vinden in de gegevens van het administra- tief dossier zodat vaststaat dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing, uitgegaan is van de verklaringen afgelegd door verzoekster; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat hun problemen wel degelijk onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de Commissaris-generaal heeft geoordeeld dat de problemen van verzoekers van gemeenrechtelijke aard zijn; dat het niet aan de Raad van State toekomt om de opportuniteit van de bestreden beslissingen te beoordelen of zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat het de Raad enkel toekomt de wettigheid van de bestreden beslissingen te beoordelen; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissingen op omstandige wijze motiveert waarom verzoekers niet onder de toepassing van de Vluchtelingenconventie vallen; dat verzoekers niet aantonen dat de XIV-4800-8/11 vaststellingen van de Commissaris-generaal onjuist zijn; dat hun argument dat het interne vluchtalternatief voor hen geen oplossing biedt, evenmin overtuigt omdat zij zich beperken tot loutere beweringen en hypothesen zonder ze met concrete elementen te staven; Overwegende dat verzoekers ten slotte aanvoeren dat de Commissaris- generaal niet met alle door hen voorgelegde stukken rekening heeft gehouden, aangezien hij in de bestreden beslissingen geen gewag heeft gemaakt van een aantal documenten die aangetekend werden verstuurd op 25 april 2001; dat verzoekers niet specifiëren welke documenten ze bedoelen en evenmin aangeven hoe de inhoud ervan aan de basis zou kunnen liggen van beslissingen genomen in het voordeel van verzoekers; dat dergelijke grief geen afbreuk doet aan de motivering van de bestreden beslissingen, die deugdelijk, pertinent en afdoende is; 2.2. Overwegende dat verzoekers een tweede middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Tweede middel: schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, m.n. het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Doordat de Commissaris-generaal oordeelt: “... dat de aanvraag van betrokkene kennelijk bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 september 2000”. Terwijl: verzoekers enkel en alleen de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure hebben doorlopen; er nog geen onderzoek ten gronde werd gevoerd; er dan ook nog niet kan geoordeeld worden over de grond van de zaak, hetgeen echter door de bestreden beslissingen wel degelijk wordt gedaan; de Commissaris-generaal dan ook geen afweging kan maken van de verklaringen en de belangen van verzoekers, nu er nog geen onderzoek ten gronde werd verricht; mocht het Commissariaat-generaal dit wel hebben gedaan, het duidelijk zou worden dat er voldoende elementen voorhanden zijn die aantonen dat verzoekers wel degelijk in aanmerking komen om erkend te worden als vluchtelingen in de zin van de Conventie van Genève.”; Overwegende dat de asielaanvragen van verzoekers niet bedrieglijk werden verklaard maar kennelijk ongegrond; dat de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken dateren van respectievelijk 4 januari 2001 en 22 februari 2001 en niet van 8 september 2000; Overwegende dat verzoekers onterecht stellen dat hun asielaanvragen ongegrond werden verklaard in de ontvankelijkheidsfase; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvragen noodzakelijk is en of de asielaanvragers voorlopig worden toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchtelingen, rekening houdend met alle gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de Minister van Binnenland- XIV-4800-9/11 se Zaken of van zijn gemachtigde onderzoekt of de asielaanvragers gegevens hebben aangebracht dat er, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissingen steun vinden in hun motieven, die terzake dienend, pertinent en draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in casu op goede gronden heeft overwogen dat een verder onderzoek zich niet opdrong, gelet op het relaas van verzoekers; dat uit de bestreden beslissingen niet blijkt dat de Commissaris-generaal de Vluchtelingen- conventie heeft miskend; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van de zorgvuldigheidsplicht betreft, dit beginsel impliceert dat de bevoegde overheid (in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) haar beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden; dat dit veronderstelt dat de bevoegde overheid haar beslissingen stoelt op een correcte feitenvinding, wat inhoudt dat zij zich dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de Commissaris-generaal alle objectieve gegevens nagaat die hij nodig heeft om zijn beslissing te kunnen nemen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers op de Dienst Vreemdelingenzaken gedetailleerde verklaringen hebben afgelegd; dat verzoeker de mogelijkheid heeft benut om de vragenlijst van het Commissariaat-generaal in te vullen; dat beide verzoekers hun asielmotieven eveneens in hun beroepschrift tot dringend beroep konden uiteenzetten; dat zij aldus de mogelijkheid hebben gehad om hun asielmotieven omstandig uiteen te zetten en om eventueel aanvullende stukken neer te leggen; dat de door verzoeker ingeroepen vervolgingsfeiten derhalve door de Commissaris-generaal gekend waren; dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet werd geschonden; Overwegende dat verzoekers niet aantonen waarom de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in alle redelijkheid en zonder schending van de door hen ingeroepen bepalingen, kon besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen, en dat er, wat hen betreft, geen ernstige aanwijzingen bestaan voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-4800-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-4800-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.