id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.308 Rolnummer: A. 123448/XIV-10712 Zaak: Arrest 133308 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-26 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:49 Fiche Arrest nr 133.308 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.308 van 29 juni 2004 in de zaak A. 123.448/XIV-10.
- In zake : XXX, wonende te 2600 BERCHEM, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 juni 1974 en van Liberiaanse nationaliteit, op 7 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 11 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.712-1/8 Gelet op de beschikking van 13 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 19 mei 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. GUL, die loco Advocaat N. LETEN, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur C. LECHAT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 9 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 11 december
- 1.
- Op 20 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin- gen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal op 23 november 2001 bezit u de Liberiaanse nationaliteit en behoort u tot de Mandingo-etnie. In 1990 werden uw beide ouders door de rebellen van Charles Taylor in Monrovia gedood en werd u geslagen en verkracht. U slaagde erin uw toevlucht te nemen bij uw oom, XXX, bij wie u van dan af ging inwonen. In 1991 verhuisde u samen met uw oom naar Lofa (Lofa county). In november 2000 vielen Liberiaanse rebellen vanuit Guinee Lofa binnen. Toen u terugkwam van een wandeling, zag u dat uw woning brandde. Een buurman vertelde u dat soldaten uw oom hadden meegenomen. Uit angst om ook opgepakt te worden, vluchtte u daarop naar Guinee. XIV-10.712-2/8 U verbleef een drietal dagen in Guinee en vertrok dan per schip naar België. U kwam in België aan op 9 december 2000 en vroeg er asiel aan op 11 december
- Vooreerst dient vastgesteld te worden dat uw asielrelaas, wegens onaannemelijk vage, incoherente en tegenstrijdige verklaringen op fundamentele punten, bijzonder ongeloofwaardig is. In het algemeen kan erop gewezen worden dat u uw asielrelaas met slechts twee, ver uit elkaar liggende (1990 en 2000), concrete feiten staaft. Verder blijft u bijzonder vaag over de tussenliggende jaren alsook de precieze datum van uw vertrek uit Liberia, uw reis naar Guinee en tenslotte uw bootreis naar België (aard van het schip, haven van aankomst). In het bijzonder verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw ouders gedood werden in 1990, dat u geslagen en verkracht werd, dat u daarna bij uw oom ging wonen, dat u verschillende malen verhuisde en in 2000 met uw oom in Lofa verbleef (zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 13/12/’00, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaarde u dat uw ouders in 1990 gedood werden, dat u zich bij de buren ging verschuilen, dat de rebellen daar ook binnenvielen, u verkrachtten en meenamen naar een gevangenenkamp waar vele Mandingo’s, in afwachting van vermoord te worden, opgesloten zaten, dat u er met de hulp van een jongen in slaagde uit dit kamp te ontsnappen, dat u naar uw oom in Lofa ging en dat u met uw oom steeds in Lofa bleef (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal, p.2-3 &6). Daarbij is het bijzonder merkwaardig dat u tijdens uw verhoor op de Dienst Vreemdeling- enzaken helemaal niets vermeldde over een opsluiting in een gevangenenkamp. Gezien de ernst van een dergelijke opsluiting én uw ontsnapping eruit kan moeilijk worden aangenomen dat u deze elementen op de Dienst Vreemdelingenzaken ‘vergeten’ zou zijn te vermelden. Vervolgens verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat soldaten in 2000 uw oom en zijn echtgenote kwamen halen, dat u dit gebeuren niet met een precieze datum kan situeren, dat een buur u ’s nachts toen u thuiskwam vertelde wat er gebeurd was en dat hij zei dat ze uw oom meegenomen hadden wegens vermeende betrokkenheid in de oorlog, een aspect dat u evenmin verder kan uitleggen (vraag 42). Op het Commissariaat-generaal geeft u deze feiten herhaaldelijk op een verschillende wijze weer. Zo verklaart u aanvankelijk dat u net vóór uw vertrek in december 2000 uw woning zag branden toen u van een wandeling terugkwam, dat uw oom bekend had Mandingo te zijn en gedood werd (p.3), even verder bevestigt u dat uw oom vermoord werd omdat hij Mandingo was en de rebellen van Charles Taylor dachten dat hij een soort connectie had met de ULIMO-K rebellen van Alaj Kromah (p.3). Nochtans verklaart u even later dat u (slechts) denkt dat uw oom gedood werd voordat ze het huis in brand staken (p.5), terwijl u evengoed verklaart dat uw oom eerst werd meegenomen en dan gedood (p.5). Tenslotte verklaart u dat u schoten hoorde toen u bij uw woning aankwam, dat een buur u kwam zeggen dat ze uw oom meenamen en dat hij dacht dat ze hem vermoordden (p.5). Gezien deze gebeurtenis de directe aanleiding vormde voor uw vlucht uit Liberia, mag redelijkerwijs van u verwacht worden dat u deze coherent en gedetailleerd kan beschrijven. Uw vage en incoherente verklaringen ondermijnen bijgevolg de geloofwaardigheid en ernst van de kern van uw asielrelaas. Vervolgens dient erop gewezen te worden dat u in uw opeenvolgende verklaringen geenszins aannemelijk maakte in Liberia het slachtoffer te zijn geweest van een persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Zo vermeldt u op de Dienst Vreemdelingenzaken ‘oorlog’ als motief voor uw vertrek uit Liberia en maakt u nergens gewag persoonlijk door wie dan ook vervolgd te zijn (vraag 41&42). Op het Commissariaat-generaal verklaart u sinds 1991 in Lofa gewoond te hebben en vermeldt daarbij nergens persoonlijke problemen te hebben gehad tot vlak vóór uw vertrek eind
- U verklaart gevlucht te zijn nadat uw oom werd opgepakt versus vermoord maar daarbij is er geen enkel element in uw verklaringen dat erop wijst dat u op dat moment persoonlijk door de autoriteiten gezocht of vervolgd werd. Het door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde document (Liberiaans rijbewijs) wijzigt hetgeen hierboven werd uiteengezet niet, aangezien dit enkel slaat op uw identiteit en deze hier niet ter discussie staat. (...).”.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), het recht op bijstand van een tolk en de rechten van de verdediging omdat de interviews op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal werden afgenomen in het Engels en het Nederlands zonder tussenkomst van een tolk; XIV-10.712-3/8 Overwegende dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort toepassing vinden; Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoekster bij het indienen van haar asielaanvraag op 11 december 2000 een verklaring heeft ondertekend waarbij zij verzocht om de bijstand van een tolk tijdens het verdere verloop van de asielprocedure; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekster verklaarde dat haar taal van oorsprong het Engels is (verhoorverslag DVZ, vraag 12); dat het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken werd afgenomen door een interviewer-jurist die verzoekster ondervroeg in het Engels en vervolgens haar verklaringen noteerde in het Nederlands; dat uit de nota’s genomen door deze jurist niet blijkt dat hij het Engels onvoldoende beheerst of dat er zich tijdens het interview communicatieproblemen voordeden; dat verzoekster noch op de Dienst Vreemdelingenzaken noch op het Commissariaat-generaal opmerkingen heeft gemaakt in verband met het vertaalwerk op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat zij integendeel, door het plaatsen van haar handtekening, bevestigde dat het verhoorverslag overeenstemt met de inlichtingen die zij gegeven heeft; dat, wat het verhoor op het Commissariaat-generaal betreft, uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster daar verklaarde dat zij het Madingo en het Engels machtig is (verhoorverslag CGVS, p. 1); dat zij werd ondervraagd in het Engels door de interviewer- jurist; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal evenmin blijkt dat er zich communicatieproblemen hebben voorgedaan; dat verzoekster in het eerste middel aanvoert dat haar rechten werden geschonden , “temeer nu de bestreden beslissing grotendeels gebaseerd is op het gegeven dat verzoekster geen coherente verklaring zou hebben afgelegd”; dat verzoekster evenwel niet aantoont dat haar incoherente verklaringen te wijten zijn aan een slechte vertaling; dat zij niet preciseert welke van haar verklaringen foutief werden weergegeven; dat aan de Raad van State overigens geen wetsbepaling bekend is die verbiedt dat de rol van tolk zou worden waargenomen door de jurist die het interview met de asielzoeker afneemt, wanneer die de vreemde taal beheerst; dat verzoekster geen schending van de ingeroepen (wets)bepalingen aannemelijk maakt; dat het eerste middel ongegrond is;
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel machtsafwending aanvoert, de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en de schending van de materiële motiveringsplicht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een XIV-10.712-4/8 asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdighe- den worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen afgelegd door de asielzoeker; dat in casu de Commissaris-generaal zowel tot de bedrieglijkheid als tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten, enerzijds omdat haar asielrelaas, “wegens onaannemelijke vage, incoherente en tegenstrijdige verklaringen op fundamentele punten, bijzonder ongeloofwaardig is” en anderzijds omdat zij “in (...) haar opeenvolgende verklaringen geenszins aannemelijk maakte in Liberia het slachtoffer te zijn geweest van een persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie”; 3.
- Overwegende dat verzoekster in het eerste onderdeel van het tweede middel aanvoert dat de Commissaris-generaal onvoldoende op de hoogte was van de situatie in Liberia om het feitenrelaas van verzoekster concreet te kunnen toetsen; dat haar feitenrelaas immers zowel in de tijd als geografisch volledig overeenstemt met de situatie in Liberia; dat verzoekster ter ondersteuning van haar argumentatie een beknopt overzicht geeft van de gebeurtenissen in Liberia; Overwegende dat het gegeven dat verzoeksters feitenrelaas chronolo- gisch en geografisch volledig in overeenstemming zou zijn met de algemene gebeurtenissen in Liberia, geen afbreuk doet aan de motivering van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal immers op grond van een omstandige analyse van het individuele en persoonlijke asielrelaas van verzoekster en rekening houdend met de globale context van haar asielaanvraag, heeft besloten tot de onontvankelijkheid van haar asielrelaas, omdat zij vage en incoherente verklaringen heeft afgelegd en omdat zij geen feiten heeft aangebracht die een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aantonen; dat verzoekster deze vaststellingen van de Commissaris-generaal, die steun vinden in het administratief dossier, niet concreet weerlegt; dat niet blijkt dat het asielrelaas van verzoekster onvoldoende zou zijn onderzocht of dat de Commissaris-generaal de beslissing zonder kennis van zaken zou hebben genomen; dat verzoekster de lacunes in haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken wijt aan de afwezigheid van een tolk bij het interview en aanvoert dat zij “quasi geen gelegenheid kreeg om de motieven van haar vlucht uiteen te zetten”; dat uit de analyse van het eerste middel evenwel blijkt dat de grieven van verzoekster met betrekking tot het vertaalwerk ongegrond zijn; dat haar opmerking dat XIV-10.712-5/8 zij op de Dienst Vreemdelingenzaken onvoldoende kansen kreeg om haar asielmotieven uiteen te zetten, evenmin overtuigt; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingen- zaken immers blijkt dat haar uitdrukkelijk werd gevraagd waarom zij haar land ontvlucht is (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42); dat vervolgens van verzoekster mocht worden verwacht dat zij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van haar asielaanvraag, de feiten die aan de basis liggen van haar vlucht uit haar land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, die bevoegd zijn om kennis te nemen van haar asielaanvraag; dat de gebeurtenissen die verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken niet vermeldde (haar beweerde opsluiting in een gevangenenk- amp en haar ontsnapping) dermate fundamenteel zijn dat niet kan worden ingezien waarom zij er daar niet over sprak; dat uit het administratief dossier verder blijkt dat aan verzoekster uitdrukkelijk werd gevraagd of zij werd opgesloten en dat zij ontkennend antwoordde (verhoorverslag DVZ, vraag 44); dat verzoeksters argumentatie derhalve feitelijke grondslag mist; dat zij evenmin aantoont dat er sprake is van machtsafwending; 3.
- Overwegende dat verzoekster in het tweede onderdeel van het tweede middel aanvoert dat, gezien de systematische vervolging van de Madingo-gemeenschap in Liberia sinds 1999, de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door te besluiten dat verzoekster geenszins aannemelijk maakt dat zij in Liberia het slachtoffer was van een persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing hieromtrent het volgende overweegt: “Zo vermeldt u op de Dienst Vreemdelingenzaken ‘oorlog’ als motief voor uw vertrek uit Liberia en maakt u nergens gewag persoonlijk door wie dan ook vervolgd te zijn (vraag 41&42). Op het Commissariaat-generaal verklaart u sinds 1991 in Lofa gewoond te hebben en vermeldt daarbij nergens persoonlijke problemen te hebben gehad tot vlak vóór uw vertrek eind
- U verklaart gevlucht te zijn nadat uw oom werd opgepakt versus vermoord maar daarbij is er geen enkel element in uw verklaringen dat erop wijst dat u op dat moment persoonlijk door de autoriteiten gezocht of vervolgd werd.” Overwegende dat verzoekster niet bewijst dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, onjuist zijn; dat zij verwijst naar de algemene situatie in haar land van herkomst, maar hiermee geen vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aannemelijk maakt; dat het de Raad van State overigens, in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toekomt om als een appelrechter de feiten opnieuw te evalueren en te beoordelen; dat de Raad enkel kan vaststellen dat de bestreden beslissing wettig is omdat uit het geheel van de motieven van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat de Commissaris-generaal geen manifeste appreciatiefout heeft begaan; XIV-10.712-6/8 Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat zij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-10.712-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-10.712-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.