id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.327 Rolnummer: A. 86370/XIV-19154 Zaak: Arrest 133327 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:50 Fiche Arrest nr 133.327 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.327 van 28 juni 2004 in de zaak A. 86.370/IX-19.
- In zake : Xing Xiu LIU, wonende te 9000 GENT, Ottergemsesteenweg 217 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw en Middenstand. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Xing Xiu LIU, van Chinese nationaliteit, op 27 augustus 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 1 juli 1999 van de gemachtigde van de Minister van Middenstand en Landbouw waarbij de aanvraag van 1 maart 1999 tot het bekomen van een beroepskaart voor vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij de verzoekende partij tevens de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van voornoemde beslissing; Gezien de beschikking van 23 november 1999 waarbij aan verzoekster het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt toegekend; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door Auditeur L. VERMEIRE, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 27 januari 2000, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 februari 2000; XIV-19.154-1/8 Gezien het arrest nr. 129.904 van 30 maart 2004 waarbij de debatten worden heropend en de zaak opnieuw wordt opgeroepen op 26 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoekster, van Chinese nationaliteit, komt op 4 januari 1985 België binnen om een stage te lopen aan de Rijksuniversiteit Gent. Zij is houdster van een Chinees nationaal paspoort en van een visum afgeleverd door de Belgische Ambassade te Peking. 1.
- Verzoekster krijgt een bewijs van inschrijving in het Vreemdeling- enregister geldig tot 30 juni
- Zij is ingeschreven voor het academiejaar 1984- 1985 als navorser in de rechten. 1.
- Verzoekster schrijft zich eveneens in voor het academiejaar 1985- 1986 als navorser; zij krijgt een bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister geldig tot 28 juni
- 1.
- Verzoekster keert terug naar China en komt daarna naar België terug om te studeren aan de U.C.L. gedurende het academiejaar 1988-
- Zij krijgt een bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister geldig tot 28 februari
- 1.
- Tijdens de academiejaren 1989-1990, 1990-1991, 1991-1992, 1992-1993, 1993-1994 studeert ze aan de Rijksuniversiteit Gent. Het bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister (B.I.V.R.) wordt telkens verlengd. XIV-19.154-2/8 1.
- Op 6 mei 1994 vraagt de Dienst Vreemdelingenzaken het advies van de Rector van de Universiteit Gent betreffende het verloop van de studies van verzoekster. Op 7 oktober 1994 wordt deze vraag herhaald. De Rector geeft op 27 oktober 1994 zijn advies, waarin onder meer te lezen staat: "(dat) ... haar een laatste kans zou gegeven (worden) om nog gedurende één academiejaar haar werkzaamheden te vervolgen". 1.
- Verzoekster wordt ingeschreven voor het academiejaar 1994-1995 en haar B.I.V.R. wordt verlengd tot 31 december
- 1.
- Op 12 december 1994 vraagt verzoekster een beroepskaart voor vreemdelingen aan. Deze aanvraag wordt toegestaan en er wordt aan verzoekster een beroepskaart afgeleverd op 22 april
- Deze beroepskaart nummer 325/CE 95076 vervalt op 30 juni
- 1.
- Op 11 juni 1997 dient verzoekster een aanvraag om statuutwijzi- ging in, in het kader van de verblijfsaanvraag overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 5 mei 1998 wordt deze aanvraag onontvankelijk verklaard. Deze beslissing wordt bij arrest nummer 76.819 van 6 november 1998 geschorst en later bij arrest nummer 84.306 van 21 december 1999 vernietigd. 1.
- Op 1 maart 1999 dient verzoekster bij de stad Gent een aanvraag in tot het bekomen van een beroepskaart voor vreemdelingen. Op 26 maart 1999 maakt de stad Gent deze aanvraag over aan het Ministerie van Middenstand en Landbouw. Volgens rubriek D "inlichtingen te verstrekken door de gemeentelijke, diplomatieke of consulaire overheid", is verzoekster gemachtigd om te verblijven in België aangezien zij sinds 30 november 1989 is ingeschreven in het Vreemdelingenre- gister. Tegelijk wordt vermeld dat haar huidige verblijfsvergunning XGN 017857 geldig is tot 31 december 1995 en dat de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op 5 mei 1998 onontvankelijk werd verklaard. 1.
- Met een brief van 1 april 1999 vraagt het bestuur aan de stad Gent om haar mede te delen waarom de verblijfsvergunning van verzoekster niet werd verlengd ondanks het feit dat de beroepskaart van betrokkene nog geldig is tot 30 juni
- Op 17 mei 1999 antwoordt de stad Gent dat betrokkene was ingeschreven XIV-19.154-3/8 als student, dat zij op 11 juni 1997 een aanvraag tot statuutwijziging heeft gedaan in toepassing van artikel 9, 3/, van de Vreemdelingenwet, dat de aanvraag, zonder bevel het land te verlaten, onontvankelijk werd verklaard op 5 mei 1998 en dat betrokkene tegen deze beslissing beroep heeft ingesteld bij de Raad van State. Tevens meldt de stad Gent dat de Dienst Vreemdelingenzaken een bijlage 33bis, een bevel om het grondgebied te verlaten heeft opgemaakt, dat echter verlengd dient te worden tot er een definitief arrest van de Raad van State tussenkomt inzake de aanvraag tot voorlopige machtiging. Het administratief dossier bevat een attest van de stad Gent "bestemd voor de Dienst Beroepskaarten van het Ministerie van Middenstand", gedateerd op 16 december 1999, dat verzoekster in het bezit is van een bevel om het grondgebied te verlaten - bijlage 33bis - die kan worden verlengd tot 17 januari
- Volgens het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is het model 33bis - in feite bijlage 33bis bij dat besluit - een bevel om het grondgebied te verlaten dat wordt gegeven aan vreemdelingen die werden gemachtigd om in België te verblijven om er te studeren in de gevallen bedoeld in artikel 61 van de Vreemde- lingenwet, onder meer "wanneer hij na afloop van zijn studies zijn verblijf verlengt en niet meer in het bezit is van een regelmatig verblijfsdocument". 1.
- Op 1 juli 1999 beslist de gevolmachtigde ambtenaar namens de Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote ondernemingen om de aanvraag van verzoekster tot het bekomen van een beroepskaart voor vreemdelingen met het oog op een zelfstandige activiteit van tussenpersoon in de internationale handel onontvan-kelijk te verklaren omdat verzoekster niet voldeed aan de in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, gestelde voorwaarden, en zij evenmin de in artikel 1, § 3, van voornoemd besluit, bedoelde afwijking heeft verkregen. Dit is het thans bestreden besluit dat luidt als volgt: "Gelet op de aanvraag van 01.03.99 tot het bekomen van een beroepskaart voor vreemdelingen, ingediend op 26.03.99 door LlU Xing Xiu van Chinese nationaliteit geboren te Gaotingzhen op 08.08.48 wonende te Ottergemsesteenweg 217, 9000 Gent met het oog op tussenpersoon in de internationale handel; Gelet op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsaktiviteiten der vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1985; Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsaktiviteiten der vreemdelingen; Overwegende dat de aanvraag werd ingediend door het gemeentebestuur alhoewel de betrokkene niet voldeed aan de in artikel 1, § 1, gestelde voorwaarden en zij de in artikel 1, § 3, bedoelde afwijking niet verkregen heeft; Om die redenen wordt beslist voornoemde aanvraag onontvankelijk te verklaren.". XIV-19.154-4/8 1.
- Bij arrest nr. 84.306 van 21 december 1999 vernietigt de Raad van State de beslissing tot weigering om machtiging tot verblijf ingediend op grond van artikel 9, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
- In een schrijven aan de Raad van State van 30 maart 2004 deelt de Dienst Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan de Raad van State dat verzoekster geregulariseerd werd voor onbeperkte duur. Thans zou verzoekster in het bezit zijn van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenre- gister geldig tot 13 september
- 1.15 Op grond van deze nieuwe gegevens oordeelde de Raad van State het raadzaam de debatten te heropenen teneinde dit nieuwe gegeven aan de partijen voor te leggen. Ter terechtzitting van 26 mei 2004 waren de verzoekende noch de verwerende partij vertegenwoordigd;
- Over de grond van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: "Enig middel: foutieve feitelijke grondslag - schending van het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest van de Raad van State. Artikel 4, paragraaf 1 van de Wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit door vreemdelingen (gewijzigd bij de wet van 28 juni 1985) stelt dat de beroepskaart enkel kan worden afgeleverd aan de vreemdeling die toelating heeft verkregen tot verblijf of vestiging in België. Artikel 1, paragraaf 1 van het Uitvoeringsbesluit van 2 augustus 1985 stelt dat de vreemdeling hiertoe dient in het bezit te zijn van: - een identiteitskaart voor vreemdelingen, of - een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, of - een attest van inschrijving, model A, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken. De bestreden beslissing is gebaseerd op het zogenaamd niet voldoen door mevrouw Liu aan de in voornoemd artikel 1, paragraaf 1 van het Uitvoeringsbesluit opgesomde voorwaarden. Op het ogenblik van aanvraag van de beroepskaart echter verbleef mevrouw Liu wel degelijk rechtmatig in België. Immers, mevrouw Liu verkreeg bij haar inschrijving aan de Universiteit Gent voor het academiejaar 1994-1995 een verlening van haar bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister tot 31 december
- Op 12 december 1994 vroeg mevrouw Liu dan een beroepskaart voor vreemdelingen aan, dewelke werd toegestaan zodat op 22 april 1997 aan mevrouw Liu een beroepskaart afgeleverd, geldig tot 30 juni
- Op 11 juni 1997 diende mevrouw Liu een aanvraag om statuutswijziging in, in het kader van de verblijfsaanvraag overeenkomstig artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. De uitvoering van de beslissing dd. 5 mei 1998 dewelke de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf van mevrouw Liu dd. 11 juni 1997 onontvankelijk verklaarde, werd XIV-19.154-5/8 intussen door Uw Raad reeds geschorst bij arrest van 6 november 1998 (arrest nr. 76.819, zaak A. 79.786/VII- 16.956). Gelet op de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing, kan het Ministerie van Middenstand en Landbouw zich niet steunen op het motief als zou mevrouw Liu onrechtmatig in België verblijven. Immers, precies door de schorsing van deze beslissing van het Ministerie van Binnen- landse Zaken van 5 mei 1998, wordt aan mevrouw Liu de mogelijkheid geboden haar economische activiteiten ongestoord verder uit te oefenen. Ondanks de rechtmatigheid van de aanvraag van beroepskaart en het voldaan zijn van de door de wet gestelde voorwaarde van een regelmatig verblijf, werd deze door de bestreden beslissing niet ontvankelijk verklaard. Aldus dient besloten te worden dat het Ministerie van Middenstand en Landbouw zich bij het nemen van de bestreden beslissing liet leiden door de feitelijke omstandigheden alsof de schorsing van uitvoering der beslissing van onontvankelijkheid van de aanvraag tot machtiging van voorlopig verblijf zich niet had voorgedaan. Daarentegen kon met deze beslissing tot onontvankelijkheid van de aanvraag tot machtiging van voorlopig verblijf geen rekening worden gehouden, gelet op het schorsingsarrest van Uw Raad. Immers, het schorsingsarrest van Uw Raad heeft als gevolg dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt geschorst vanaf het ogenblik van betekening van het arrest. De schorsing geldt daarenboven erga ornnes, zodat ook het Ministerie van Middenstand en Landbouw, die geen partij was bij dit schorsingsarrest, de schorsing dient te respecteren. Mevrouw Liu verkreeg bij arrest van Uw raad dd. 6 november 1998 de schorsing van de beslissing tot onontvankelijkheid verklaring van de aanvraag tot machtiging van voorlopig verblijf. Door dit arrest werd door Uw Raad beslist dat mevrouw Liu de mogelijkheid moest worden geboden tot verblijf in België tot desbetreffend een rechtmatige beslissing zou worden getroffen. Gelet op het feit dat mevrouw Liu reeds meer dan dertien jaar in België verblijft, hogere studies gevolgd heeft en hoog gekwalificeerd is, heeft zij recht op inwilliging van haar aanvraag van beroepskaart, zodat zij haar werkzaamheden dewelke zij tijdens de geldigheidsperiode van de beroepskaart (op 22 april 1997 afgeleverd) ontplooide, kan verderzetten. Het enig middel is gegrond." 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar enig middel betoogt dat op het ogenblik van de aanvraag van de beroepskaart op 1 maart 1999 de voorwaarden, zoals gesteld in artikel 4, §1, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteit der vreemdelingen en nader omschreven in artikel 1, §1, van het Uitvoeringsbesluit van 2 augustus 1985, wel voldaan waren aangezien zij op dat ogenblik rechtmatig in België verbleef; dat verzoekster om dit te staven wijst, enerzijds, op de verlenging van haar inschrijving in het Vreemdelingenregister tot 31 december 1995 en haar op 22 april 1997 afgeleverde beroepskaart die geldig was tot 30 juni 1999 en, anderzijds, op het arrest nummer 76.819 van 6 november 1998 waarbij de onontvankelijkverklaring van de door haar op 11 juni 1997 aangevraagde statuutswijziging, zijnde een machtiging tot voorlopig verblijf van meer dan drie maanden, geschorst werd; XIV-19.154-6/8 2.
- Overwegende dat verzoeksters Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister vervallen is op 31 december 1995; dat verzoekster niet aantoont dat zij ten tijde van de aanvraag van de geweigerde beroepskaart, op 1 maart 1999, een vergunning had om in België te verblijven of om er zich te vestigen en beschikte over één van de in artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 vereiste documenten; dat zelfs het tegendeel blijkt uit het feit dat verzoeksters verblijfsvergunning als student is vervallen op 31 december 1995 en dat haar een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten werd afgegeven (model 33bis) dat verviel op 17 januari 2000; dat, wat betreft het door verzoekster aangehaalde schorsingsarrest, de bestreden beslissing werd vernietigd door 's Raads arrest nr. 84.306 van 21 december 1999, zodat het bestuur opnieuw over de door verzoekster ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf diende te statueren; dat de debatten in onderhavige zaak werden heropend teneinde na te gaan welke verzoeksters actuele verblijfstoestand is en welke de weerslag hiervan is op de thans bestreden beslissing; dat, nu verzoekster ter terechtzitting niet verschijnt en ook niet vertegenwoordigd is, zij nalaat de Raad van State in te lichten over haar huidige verblijfstoestand; dat dan ook in het licht van de beschikbare gegevens, slechts kan worden besloten dat de bestreden beslissing op goede gronden berust; dat het enig middel kennelijk niet gegrond is,
- Overwegende dat het beroep kennelijk niet gegrond is; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. XIV-19.154-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.154-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.327 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.129.904 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.