id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.337 Rolnummer: A. 73315/VII-15240 Zaak: Arrest 133337 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:51 Fiche Arrest nr 133.337 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.337 van 29 juni 2004 in de zaak A. 73.315/VII-15.
- In zake : Marie-Claire DEPOORTERE, die woonplaats kiest bij Advocaat F. DE CROO-DESGUIN, kantoor houdende te BRAKEL, Lepelstraat 57 tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITS- VERZEKERING, gevestigd te BRUSSEL, Tervurenlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Claire DEPOORTERE op 25 februari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 30 december 1996 van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor Geneeskundige Controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzeke- ring, waarbij de verzekeringsinstellingen het verbod wordt opgelegd tegemoet te komen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen, welke door haar zullen worden verleend over een periode van vier weken; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 17 februari 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster; VII-15.240-1/11 Gelet op de beschikking van 13 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. GRYMONPRÉ die, loco Advocaat F. DE CROO-DESGUIN verschijnt voor de verzoekster en van Adjunct-adviseur F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekster is full-time zelfstandig verpleegkundige. 1.
- Naar aanleiding van een controle wordt vastgesteld dat zij frequent de forfaitaire honoraria A of B aanrekent. In zijn zitting van 29 januari 1993 gelast het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle een grondige enquête. Tijdens dit onderzoek worden de getuigschriften voor verstrekte hulp in drie verzekeringsinstellingen opgezocht en worden twintig verzekerden en tien huisartsen ondervraagd. De verzoekster wordt driemaal ondervraagd. 1.
- Na kennisname van de uitslag van de enquête beslist het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle op 25 maart 1994 het dossier ten laste van de verzoekster naar de Beperkte kamer te verwijzen. Op basis van het samengesteld dossier worden verpleegkundige Marie-Claire DEPOORTERE in de periode van september 1991 tot maart 1993 volgende inbreuken op de ZIV-reglementering ten laste gelegd : VII-15.240-2/11 “I. Invullen, ondertekenen en uitreiken van getuigschriften en verzamelgetuigschriften voor verstrekte hulp, enerzijds op haar naam, onderzoek op naam van DUTHOIT Christelle, met aanrekenen van verstrekkingen die niet mochten worden aangerekend onder de voorwaarden waarin zij werden verleend, namelijk het aanrekenen van het forfaitair honorarium, wanneer niet voldaan was aan de voorwaarden van behoeftigheid op geneeskundig gebied, wat een te hoge terugbetaling van verpleegkundige verstrekkingen teweegbracht. (Inbreuk op Art. 8 van de Nomenclatuur van de Geneeskundige Verstrekkingen) II. Invullen, ondertekenen en uitreiken van verzamelgetuigschriften voor verstrekte hulp, enerzijds op haar naam, anderzijds op naam van DUTHOIT Christelle, waarmee verstrekkingen vermeld in artikel 8 van de Nomenclatuur van de Geneeskundige verstrekkingen, aan de Z.I.V. werden aangerekend en geïnd, zonder te beschikken voor deze laatste verpleegkundige over de vereiste schriftelijke volmacht. Dit voor alle verpleegkundige verstrekkingen uitgevoerd door DUTHOIT Christelle vanaf 1 januari 1992 tot en met 6 januari
- (Inbreuk op artikel 9ter § 10 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1963)”. 1.
- Bij beslissing van 8 maart 1995 legt de Beperkte kamer aan de verzekeringsinstellingen het verbod op tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door de verzoekster zullen verleend worden over een periode van zes weken. Deze beslissing berust op de volgende motivering : "De Beperkte Kamer wenst er vooreerst op te wijzen dat artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden niet van toepassing is op de administratieve procedure bij de Commissies voor geneeskundige controle, waarbij een schorsing van verzekeringstegemoetkoming wordt uitgesproken (Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, 2e Kamer, 8 juli 1991, inzake Dr. X t/ Belgische Staat - informatieblad RIZIV 1992/2 - 29e jaargang pagina 100). De Beperkte Kamer stelt dat het verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal College van adviserend geneesheren, binnen de 15 dagen, enkel naar de toekomst toe uitwerking heeft. De verwijzing naar artikel 5 van het Koninklijk Besluit dd. 4 juni 1987, tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingsregister door de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, is hier niet ter zake; verpleegkundige DEPOORTERE wordt hier geen inbreuk op het verstrekkingsregister ten laste gelegd. Bovendien behoort het niet tot de bevoegdheid Beperkte Kamer ingesteld bij de Dienst voor Geneeskundige controle hierover te oordelen. De Beperkte Kamer legt er de nadruk op dat artikel 124 van de programmawet van 22 december 1989 duidelijk stelt dat o.a. de geneesheren- inspecteurs hun toezicht uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972, betreffende de arbeidsinspectie. Overeenkomstig artikel 9 van deze wet op de arbeidsinspectie hebben de P.V.'s bewijskracht tot bewijs van het tegendeel, voor zover een afschrift wordt ter kennis gebracht van de overtreder binnen de 14 dagen, aanvangend een dag na de vaststelling. Uit de VII-15.240-3/11 stukken van het dossier blijkt overduidelijk dat de termijnen werden in acht genomen. De Beperkte Kamer wil laten opmerken dat in het kader van deze problematiek men veelal te maken heeft met patiënten, die een gevorderde leeftijd hebben. Derhalve komt een verwijzing naar de gezondheidstoestand van patiënten evenals een bemerking dat ingevolge het overlijden van een aantal patiënten betrokkene zijn rechten van verdediging niet naar behoren kon voor(...)dragen als eerder ongepast over. Wat de ten laste gelegde feiten onder I betreft, beslist de Beperkte Kamer na inzage van het dossier en de neergelegde stukken en na betrokkene te hebben gehoord het geval vermeld onder 6 namelijk Guilbert Robert niet aan te houden gelet op de halfzijdige verlamming van betrokkene, ook het geval onder nummer 7 met name Lafaille Pauline wordt niet aangehouden. Met betrekking tot het geval 10, Mani Jeannine acht de Beperkte Kamer dat voor de periode 26/12/91 tot 25/3/92 forfait B terecht was toegekend, evenwel voor de periode vanaf 25 maart 1992 gedurende 9 maand diende forfait A toegepast. Inzake het geval 12, Plets Emmerence acht de Beperkte Kamer een forfait B tot 1 april 1992 terecht, vanaf 1 april 1992 diende evenwel een forfait A toegepast. De overige gevallen besluit de Beperkte Kamer als bewezen te beschouwen en derhalve aan te houden. De gevallen Lybeer Simone
(9), Sagaert Charles
(13), waaruit blijkt dat ondanks het feit dat betrokkenen zich kunnen verplaatsen, en verpleegkundige DEPOORTERE hiervoor een 3 scoort, tonen duidelijk aan dat niet voldaan was aan de gestelde voorwaarden. Tenlastelegging II acht de Beperkte Kamer bewezen en houdt ze derhalve aan. Verpleegkundige DEPOORTERE betwist deze feiten overigens niet. De aangehouden feiten maken een inbreuk uit op artikel 8 van de bijlage bij het Koninklijk Besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en op artikel 9ter van het Koninklijk Besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Dienvolgens kan er aanleiding bestaan tot een verbod van verzekeringstegemoetkoming. De Beperkte Kamer gelet op het niet geringe bedrag van de ten onrechte in rekening gebrachte prestaties ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op het feit dat het hier systeeminbreuken betreft met als doel een maximum aan voordelen te bekomen ten laste van het stelsel van de geneeskundige verzorging en uitkeringen, acht een sanctiemaatregel aangewezen". 1.
- Op 11 april 1995 tekent de verzoekster tegen deze beslissing hoger beroep aan. 1.
- Met een aangetekend schrijven van 13 maart 1996 wordt zij opgeroepen om op 21 mei 1996 voor de Commissie van beroep te verschijnen. Door haar raadsvrouw worden besluiten ingediend. Op de zitting van 21 mei 1996 wordt de verzoekster, bijgestaan door haar raadsvrouw, gehoord. 1.
- Op 30 december 1996 neemt de Commissie van beroep de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en een VII-15.240-4/11 verbod van verzekeringstegemoetkoming gedurende een periode van vier weken wordt opgelegd. De beslissing van de commissie van beroep berust op de volgende redengeving : "Vóór de Commissie van Beroep stelt appellante in besluiten betreffende de tenlastelegging I dat zij zich steeds te goeder trouw aan de richtlijnen inzake het aanrekenen van een forfaitair honorarium heeft gehouden; dat dit ondermeer blijkt uit het feit dat zij in veel gevallen zelf oordeelde dat de forfaitaire aanrekening niet meer beantwoordde aan de realiteit en zelf besloot tot stopzetting, zonder enige tussenkomst van het College van Geneesheren Directeurs; Verder stelt appellante dat zij oordeelt dat zij zich niet genoegzaam heeft kunnen verdedigen ten aanzien van de vaststellingen o.m. omdat de processen- verbaal van vaststelling te laat zouden zijn betekend; Inzake de tenlastelegging II gedraagt appellante zich naar de wijsheid van de Commissie van Beroep; Overwegende dat de Commissie van Beroep oordeelt dat inzake de tenlastelegging I, er geen aanleiding bestaat om de verklaringen van de ondervraagde gerechtigden en artsen in twijfel te trekken; Voortgaande op deze verklaringen heeft de Beperkte Kamer, diverse rechtzettingen aangebracht aan de oorspronkelijke vaststellingen, zodat de grieven van appellante tegen de beoordeling van de tenlastelegging I door de Beperkte Kamer ongegrond zijn; Overwegende dat ten aanzien van de grieven van appellante tegen de volgens haar te late berekening van de processen-verbaal van vaststelling, dient gesteld dat appellante blijkbaar de opstelling van de processen-verbaal van vaststelling en tenlastelegging verwart met de processen-verbaal van verhoor. Het proces-verbaal van vaststelling en tenlastelegging wordt eerst opgesteld nadat de controleorganen alle gegevens op hun betrouwbaarheid hebben onderzocht, wat dus geruime tijd in beslag kan nemen; Overwegende dat in casu de argumentering van de Beperkte Kamer dient gevolgd, waarbij zij vaststelt dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de termijnen van betekening in acht zijn genomen geworden; Overwegende dat de Commissie van Beroep de overwegingen van de Beperkte Kamer tot de hare maakt, doch oordeelt dat de opgelegde sanctiemaatregel dient gemilderd te worden";
- Ten gronde 2.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de standpunten van de partijen als volgt kunnen worden weergegeven : 2.1.
- De verzoekster voert in het enig middel aan dat de bestreden beslissing wat de eerste betichting betreft, gebrekkig of zelfs verkeerd is gemotiveerd doordat de Commissie van beroep zich nergens buigt over de juridische gevolgen van de afwezigheid van verzet vanwege de adviserend geneesheer, noch preciseert VII-15.240-5/11 waarom deze argumentatie niet van toepassing zou zijn, dat ze voor de Commissie van beroep heeft uitgelegd dat ze het formulier tot staving van de aanvraag tijdig heeft terugbezorgd, maar dat er geen verzet is geweest van een adviserend geneesheer of van het college van adviserend geneesheren zodat ze volkomen te goeder trouw de behandeling heeft verdergezet, dat bij afwezigheid van enig verzet de tegemoetkoming verschuldigd is en haar niet ten laste kan worden gelegd een te hoge terugbetaling van verpleegkundige verstrekkingen te hebben teweeggebracht, dat de Commissie van beroep de argumentatie, ontleend aan de afwezigheid van enig verzet vanwege de adviserend geneesheer, niet beantwoordt. 2.1.
- De verwerende partij antwoordt : - dat de Beperkte kamer overwoog "dat het verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal college van adviserend geneesheren, binnen de vijftien dagen, enkel naar de toekomst toe uitwerking heeft" en dat de Commissie van beroep deze overweging van de Beperkte kamer tot de hare maakte, - dat het verzet van de adviserend geneesheer enkel prestaties kan betreffen die nog niet terugbetaald zijn door de ziekteverzekering, - dat een effectieve en grondige controle van elke prestatie afzonderlijk in de praktijk in deze materie vrijwel onmogelijk uit te voeren is, zodat de adviserend geneesheren slechts steekproefgewijze hun controletaak kunnen verrichten, - dat het aan de paramedicus is de nodige zorgen te verlenen en hierbij de nomenclatuur correct toe te passen, - dat het niet is omdat de respectievelijke controleorganen van de verzekeringsinstellingen de gepleegde inbreuken niet hebben opgemerkt dat de verzoekster niets zou kunnen ten laste worden gelegd, - dat ze het vertrouwen dat haar oorspronkelijk zonder grondige controle werd geschonken, blijkbaar heeft misbruikt en dit zeker niet van die aard is de verkeerd aangerekende prestaties te rechtvaardigen, - dat uit het feit dat de getuigschriften voor verstrekte hulp aan de verzekeringsinstellingen ter controle dienen neergelegd te worden, niet kan afgeleid worden dat ze daarom niet verkeerd kunnen zijn. VII-15.240-6/11 2.1.
- De verzoekster repliceert : - dat ze niet betwist dat een verzet maar uitwerking heeft voor de toekomst, nl. voor de prestaties verleend na het verzet, - dat er in haar geval evenwel in het geheel geen verzet is geweest, - dat aan de terugbetalingen maar een vroegtijdig einde is gekomen wanneer ze zelf de wijziging van de feitelijke toestand aan het ziekenfonds heeft aangegeven, - dat de overwegingen van de verwerende partij i.v.m. de organisatie van de controle niets wegneemt van de wettelijke bepalingen, luidens welke de verzekeringstegemoetkoming bij gebrek aan verzet verschuldigd is; 2.
- Bespreking Overwegende dat het middel niet opgaat om de volgende redenen : 2.2.
- Artikel 8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering luidde ten tijde van de vastgestelde inbreuken als volgt : "Art.
- - §
- Worden beschouwd als verstrekkingen waarvoor de bekwaming van gegradueerde verpleegsters of met dezen gelijkgestelden, vroedvrouwen, verpleegsters met brevet, verpleegassist en- ten/ziekenhuisassistenten of met dezen gelijkgestelden, hierna verpleegkundigen genoemd (W), is vereist : (...) A.
- Verstrekkingen verleend tijdens één of meer zittingen van verpleegkundige verzorging in de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende wiens fysieke toestand beantwoordt aan bepaalde afhankelijkheidscriteria : 418132 Forfaitair honorarium, forfait A genoemd, dat één W 3,75 keer per verzorgingsdag wordt toegekend voor het geheel van de verpleegkundige verzorging, verleend aan de r e c ht he bbe nd e w ie ns fys ieke afhankelijkheidstoestand beantwoordt aan de volgende criteria : - afhankelijkheid om zich te wassen en te kleden, en - afhankelijkheid om zich te verplaatsen en/of om naar het toilet te gaan 418154 Forfaitair honorarium, forfait B genoemd, dat één keer W 6,25 per verzorgingsdag wordt toegekend voor het geheel van de verpleegkundige verzorging, verleend aan de rechthebbende wiens fysieke afhankelijkheidstoestand VII-15.240-7/11 beantwoordt aan de volgende criteria : - afhankelijkheid om zich te wassen en te kleden, en - afhankelijkheid om zich te verplaatsen en om naar het toilet te gaan, en - afhankelijkheid wegens incontinentie en/of om te eten (...) B.
- Verstrekkingen verleend tijdens één of meer zittingen van verpleegkundige verzorging, in het weekeind of op een feestdag, in de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende wiens fysieke toestand beantwoordt aan bepaalde afhankelijkheidscriteria : 418331 Forfaitair honorarium, forfait A genoemd, dat één keer W 5,17 per verzorgingsdag wordt toegekend voor het geheel van de verpleegkundige verzorging, verleend aan de rechthebbende wiens fysieke afhankelijkheidstoestand beantwoordt aan de volgende criteria : - afhankelijkheid om zich te wassen en te kleden, en - afhankelijkheid om zich te verplaatsen en/of om naar het toilet te gaan 418353 Forfait honorarium, forfait B genoemd, dat één keer W 8,67 per verzorgingsdag wordt toegekend voor het geheel van de verpleegkundige verzorging, verleend aan de rechthebbende wiens fysieke afhankelijkheidstoestand beantwoordt aan de volgende criteria : - afhankelijkheid om zich te wassen en te kleden, en - afhankelijkheid om zich te verplaatsen en om naar het toilet te gaan, en - afhankelijkheid wegens incontinentie en/of om te eten (...) §
- a. De in § 1, A.2, B.2 en C.2 vermelde fysieke afhankelijksheidscriteria worden geëvalueerd op basis van de hierna vermelde evaluatieschaal. De rechthebbende wordt pas als afhankelijk beschouwd als hij
(3)of
(4)scoort voor het desbetreffende criterium. Afhankelijkheid om zich te wassen :
(1)kan zichzelf helemaal wassen zonder enige hulp;
(2)heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen onder de gordel;
(3)heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
(4)moet volledig worden geholpen om zich te wassen zowel boven als onder de gordel. Afhankelijkheid om zich te kleden :
(1)kan zich helemaal aan- en uitkleden zonder enige hulp;
(2)heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden onder de gordel (zonder rekening te houden met veters);
(3)heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
(4)moet volledig worden geholpen om zich te kleden zowel boven als onder de gordel. Afhankelijkheid om zich te verplaatsen :
(1)kan volledig zelfstandig opstaan en zich verplaatsen zonder mechanische hulp of hulp van derden; VII-15.240-8/11
(2)kan zelfstandig in en uit een stoel of bed, maar gebruikt mechanische hulpmiddelen om zich zelfstandig te verplaatsen (krukken, rolstoel);
(3)heeft volstrekt hulp van derden nodig om op te staan en zich te verplaatsen;
(4)is bedlegerig of zit in een rolstoel en is volledig afhankelijk van anderen om zich te verplaatsen. Afhankelijkheid om naar het toilet te gaan :
(1)kan alleen naar het toilet gaan of zich reinigen;
(2)heeft gedeeltelijke hulp van derden nodig om naar het toilet te gaan of zich te reinigen;
(3)moet volledig worden geholpen om naar het toilet te gaan of zich te reinigen;
(4)kan niet naar het toilet gaan en evenmin op de toiletstoel. Afhankelijkheid wegens incontinentie (urine/faeces) :
(1)is continent voor urine en faeces;
(2)is accidenteel incontinent voor urine of faeces (inclusief blaassonde of kunstaars);
(3)is incontinent voor urine (inclusief mictietraining);
(4)is incontinent voor urine en faeces. Afhankelijkheid om te eten :
(1)kan alleen eten en drinken;
(2)heeft vooraf hulp nodig om te eten of te drinken;
(3)heeft gedeeltelijke hulp nodig tijdens het eten of drinken;
(4)de patiënt wordt gevoed. b. In een formulier, waarvan het model, op voorstel van het Nationaal college van adviserend geneesheren, wordt vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, wordt de fysieke afhankelijkheidsgraad van de rechthebbende bevestigd; bovendien wordt daarin de duur vermeld van de periode tijdens welke de forfaitaire honoraria worden aangerekend. Het formulier tot staving van de aanvraag tot forfaitaire honoraria per verzorgingsdag wordt door de verpleegkundige ingevuld en moet uiterlijk de eerste dag van de behandeling aan de adviserend geneesheer worden bezorgd. Als de behandeling na de vermelde periode moet worden voortgezet, of als ze de duur van één jaar overschrijdt, of nog in geval van wijziging van de fysieke afhankelijkheidsgraad van de rechthebbende, moet een nieuw formulier worden ingevuld en onder dezelfde voorwaarden aan de adviserend geneesheer worden bezorgd. De verzekeringstegemoetkoming is verschuldigd, behoudens verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal college van adviserend geneesheren, waarvan aan de rechthebbende kennis is gegeven binnen vijftien dagen, te rekenen vanaf het begin van de behandeling. In alle gevallen betekent het verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal college van adviserend geneesheren weigering tot tegemoetkoming in de forfaitaire honoraria voor alle latere verstrekkingen tot een eventuele andere beslissing". 2.2.
- De verzoekster werd in de eerste tenlastelegging verweten de forfaitaire honoraria A en B te hebben aangerekend terwijl niet was voldaan aan de voorwaarden van behoeftigheid op geneeskundig gebied. De beoordeling door de verpleegkundige van de fysieke afhankelijkheidstoestand van een patiënt gebeurt aan de hand van de in de nomenclatuur opgenomen evaluatieschaal. De fysieke afhankelijkheidsgraad en de VII-15.240-9/11 duur van de behandeling worden door de verpleegkundige ingevuld op een formulier -het zgn. formulier 703terN- dat aan de adviserend geneesheer wordt bezorgd. Luidens artikel 8, § 8b, van de nomenclatuur "is de verzekeringstegemoetkoming verschuldigd behoudens verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal college van adviserend geneesheren". In haar besluiten zowel voor de Beperkte kamer als voor de Commissie van beroep voerde de verzoekster aan dat bij gebrek aan verzet vanwege de adviserend geneesheer "de reeds verstrekte verzorging niet meer kan betwist worden en het honorarium van de zorgenverstrekker verworven is”. Blijkens de bestreden beslissing sloot de Commissie van beroep zich aan bij de overwegingen van de Beperkte kamer, die desbetreffend stelde "dat het verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal college van adviserend geneesheren binnen de vijftien dagen enkel naar de toekomst toe uitwerking heeft". 2.2.
- De desbetreffende nomenclatuurbepaling houdt ten aanzien van de hier in het geding zijnde tussenkomst van de adviserend geneesheer alleen in dat het formulier tot staving van de aanvraag tot forfaitaire honoraria, dat door de verpleegkundige moet worden ingevuld, aan de adviserend geneesheer moet worden bezorgd, en dat de tegemoetkoming lastens het stelsel van de ziekteverzekering alleen verschuldigd is ?behoudens verzet van de adviserend geneesheer of van het Nationaal college van adviserend geneesheren". Deze bepaling heeft alleen betrekking op de tegemoetkoming van de ziekteverzekering in de desbetreffende verstrekkingen, en in rechte kan er geenszins worden uit afgeleid dat, bij gebrek aan dergelijk verzet, de nomenclatuur correct werd toegepast door de verpleegkundige. 2.2.
- Weliswaar is de desbetreffende motivering van de Beperkte kamer, hierin gevolgd door de Commissie van beroep, gebrekkig. Uit het bovenstaande blijkt evenwel dat in rechte de Commissie van beroep alleen vermocht te oordelen dat het desbetreffende argument van de verzoekster niet opgaat, omdat ze strijdt met de genoemde nomenclatuurbepalingen. Hoewel de verzoekster, zoals ze in haar laatste memorie nog aanvoert, ongetwijfeld benadeeld wordt door de bestreden sanctie, dient vastgesteld te worden dat het desbetreffende argument door de Commissie van beroep in rechte alleen maar kan worden verworpen, zodat zij geen belang heeft bij een nietigverklaring op grond van haar enig middel, VII-15.240-10/11 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.240-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.337 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div