id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.352 Rolnummer: A. 152739/IX-4556 Zaak: Arrest 133352 - - 29/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-05 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:53 Fiche Arrest nr 133.352 van 29 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.352 van 29 juni 2004 in de zaak A. 152.739/IX-
- In zake : Joris BOEYKENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Brand Whitlocklaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Joris BOEYKENS op 1 december 2003 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van "de administratieve beslissing uitgaande van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en Luchtvaart dd. 03.06.2004 en ontvangen op 07.06.2004 waarbij de vliegvergunning ATPL (A) wordt geschorst en de verplichting een nieuw examen af te leggen binnen de zestig dagen"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. SLEGERS, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4556-1/6 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker is sinds 1 juni 1988 beroepspiloot bij de nv DELTA AIR TRANSPORT later genoemd SN BRUSSELS AIRLINES. 1.
- Hij heeft een vergunning CPL(A) (Commercial Pilot License Aeroplane) van beroepsbestuurder voor vliegtuigen, een vergunning ATPL(A) van lijnbestuurder van vliegtuigen (Airline Transport License Aeroplane), daarin begrepen bevoegdverklaring IR(A) (Instrument Rating Aeroplane) voor instrumentvliegen van vliegtuigen. Hij is ook houder van een typebevoegdverklaring voor het vliegtuigtype AVRO-RJ. 1.
- Op 20 augustus 2003 dient verzoeker een bidding-aanvraag in met het oog op het bekomen van een typebevoegdverklaring voor het vliegtuigtype A320 (Airbus 320). Hij volgt hiervoor een theoretische opleiding waarvoor hij klaarblijkelijk slaagt. Voor een vaardigheidstest met een vliegtuigsimulator voor het vliegtuig type A320 slaagt hij klaarblijkelijk niet wegens een aantal onvolkomenheden. Er wordt naar aanleiding van die vaardigheidstest op de vliegtuigsimulator voor het vliegtuig type A320 ook opgemerkt dat verzoeker “gebrek aan beoordelingsvermogen”, “gebrek aan basisvaardigheden voor het IX-4556-2/6 uitoefenen van de functies van boordcommandant”, “gebrek aan basisvaardigheden voor het vliegen onder IFR”, “gebrek aan organisatie” en een “groot probleem van stressmanagement” heeft. 1.
- Een test tijdens een vlucht met een vliegtuig van het type waarvoor verzoeker een typebevoegdverklaring heeft, is uitgevoerd op 20 augustus 2003 en geeft evenwel aan dat verzoeker goed scoort, onder meer voor “crew coordination/captaincy”, “technical knowledge”, “safety awarness” en “going with unforseen situations” en het gebruik van de boordinstrumenten. 1.
- Verzoeker wordt op 29 oktober 2003 door de SN Brussel Airlines ontslagen. 1.
- Met een brief van 17 november 2003 schorst de verwerende partij verzoekers vergunning ATPL(A) en verplicht zij verzoeker om binnen de 60 dagen een nieuw examen af te leggen. 1.
- Die beslissing wordt bij arrest van de Raad van State nr. 126.255 van 10 december 2003 bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst. Op 22 december 2003 trekt de verwerende partij vervolgens die beslissing in en bij ‘s Raads arrest nr. 130.310 van 19 april 2004 wordt het annulatieberoep tegen die beslissing afgewezen. 1.
- Met een brief van 28 januari 2004 laat de verwerende partij aan verzoeker weten dat zij overweegt om verzoeker te onderwerpen aan “een examen om vast te stellen of (hij) nog steeds de bekwaamheid bezit die vereist is voor het bekomen van een vergunning ATPL(A)” en om zijn vergunning ATPL(A) te schorsen. 1.
- Verzoeker reageert hierop met een aangetekende brief van 5 februari
- 1.
- Aangezien verzoeker geen reactie bekomt op zijn brief van 5 februari 2004 herinnert hij eraan met een brief van 29 april
- IX-4556-3/6 1.
- De verwerende partij antwoordt hem hierop met een brief van 10 mei 2004 dat verzoeker haar “tot op heden geen enkel element van verdediging toegestuurd” heeft en geeft hem de tijd tot 25 mei 2004 om “elementen van verdediging toe te sturen”. 1.
- Daarop antwoordt verzoeker op 11 mei 2004 dat hij reeds op 5 februari 2004 met een aangetekende brief heeft gereageerd en zelf tot tweemaal toe een telefonisch onderhoud had met een aangestelde van de verwerende partij die in de brief van 10 mei 2004 wordt vernoemd. 1.
- Aangezien opnieuw niets meer wordt vernomen, vraagt de raadsman van verzoeker met een brief van 2 juni 2004 aan de verwerende partij om een beslissing. 1.
- Met een schrijven gedateerd op 3 juni 2004 en door verzoeker ontvangen op 7 juni 2004 laat de verwerende partij aan verzoeker weten dat zij heeft beslist om verzoekers vergunning ATPL(A) te schorsen en dat zij hem onderwerpt aan een examen om vast te stellen of hij de bekwaamheid bezit die vereist is voor het bekomen van een vergunning ATPL(A) zoals bedoeld in artikel 68 van het koninklijk besluit van 10 januari 2000 tot regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen. Dit is de thans bestreden beslissing;
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4556-4/6 2.1.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat hij ingevolge de bestreden beslissing niet meer kan werken of solliciteren als vliegtuigpiloot bij een Belgische of buitenlandse vliegtuig- maatschappij niet alleen voor het toestel A320 maar ook voor het toestel AVRO-RJ zodat op hem “broodroof” is gepleegd; dat het beroep van piloot zeer specifiek is en zeer regelmatig moet worden uitgeoefend om bij te blijven; dat een gedwongen onderbreking een zeer ernstige aantasting betekent van zijn kansen op de arbeids- markt en van zijn concurrentiepositie; dat hij ook een ernstig moreel nadeel ondergaat; dat ook niet uit het oog mag verloren worden dat hem geen tweede kans is gegeven; dat zulks wel voorzien is in de collectieve arbeidsovereenkomst; dat ten slotte het verzoeker niet meer is “toegelaten om te vliegen met het type AVRO-J” terwijl de testen enkel betrekking hadden op het type A320; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat verzoeker 7 maanden geleden reeds door zijn werkgever is ontslagen en dat zijn toestand van werkloosheid niet te wijten is aan de bestreden beslissing; dat verzoeker zelf sedert 7 maanden niets meer heeft gedaan om zijn beroep regelmatig uit te oefenen; dat hij bovendien ook zijn bevoegdverklaring voor het type AVRO-J niet meer heeft verlengd en bijgevolg sedert 2 maart 2004 niet meer in aanmerking kwam om aangeworven te worden als piloot; 2.1.
- Overwegende dat om als boordcommandant te kunnen fungeren een piloot niet alleen moet beschikken over de vergunning ATPL(A)maar ook over de bevoegdverklaring voor het type waarop hij boordcommandant wil zijn; dat de verwerende partij opmerkt dat verzoeker sedert 2 maart 2004 niet meer beschikt over zijn bevoegdverklaring voor het type AVRO-J omdat hij die niet heeft hernieuwd; dat hierbij wordt vastgesteld dat verzoeker aldus na de schorsing van de tenuitvoer- legging van de eerste beslissing op 10 december 2003 tot 2 maart 2004 alles in handen heeft gehad om op een succesvolle wijze te solliciteren voor een functie van boordcommandant en dat hij klaarblijkelijk er niet toe gekomen is om nog dergelijk werk te verrichten en derhalve in die periode geen kennis en ervaring heeft opgedaan alhoewel hij dat in principe kon; dat, zelfs rekening gehouden met de ambigue houding van de verwerende partij na haar brief van 28 januari 2004, men er niet omheen kan dat verzoeker sedert 2 maart 2004 niet meer beschikt over een bevoegdverklaring voor het type AVRO-J; dat verzoeker thans zijn moeilijk te herstellen ernstig nadeel ziet in het niet meer kunnen functioneren als boord- commandant met alle er aan verbonden financiële en morele gevolgen; dat dit nadeel IX-4556-5/6 nu niet alleen meer voortspruit uit de bestreden beslissing zelf doch ook uit de bijzondere omstandigheid dat verzoeker zelf zijn bevoegdverklaring niet meer heeft hernieuwd sedert 2 maart 2004; dat zelfs al is het door verzoeker aangevoerde nadeel ernstig en moeilijk te herstellen, de vaststelling zich opdringt dat dat nadeel niet meer uitsluitend het gevolg is van de bestreden beslissing zelf maar ook, en thans in de grootste mate, het gevolg van het stilzitten van verzoeker; dat immers indien de Raad van de State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou uitspreken hij hiermee het aangevoerde nadeel niet meer zou kunnen wegnemen; 2.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4556-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.352 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.399 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.