id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.374 Rolnummer: A. 125463/VII-27575 Zaak: Arrest 133374 - - 30/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:53 Fiche Arrest nr 133.374 van 30 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.374 van 30 juni 2004 in de zaak A. 125.463/VII-27.575 In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen D. S., S. en V., verblijvende te V., S.laan 50 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen D., S., S. en V., van XXX nationaliteit, op 14 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 juli 2002 tot uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van de bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide aan de eerste verzoekende partij ter kennis gebracht op 8 augustus 2002 en aan de tweede verzoekende partij ter kennis gebracht op 17 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 juni 2004; VII-27.575-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. FALAISE, die, loco advocaat B. VAESEN, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 20 januari 2000 heeft de eerste verzoekende partij, voor zichzelf en voor zijn echtgenote en hun minderjarige kinderen, een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft op 23 oktober 2001 een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de eerste verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "(...) Reden van de beslissing: Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. I, 2/ van de wet van 15/12/1980). Betrokkene werd uitgesloten door een Ministeriële beslissing van 08.07.2002 van de wet van 22/12/99 in toepassing van de artikelen 5 en
- (...)". 1.
- Op 8 juli 2002 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. VII-27.575-2/5 1.
- Op 8 augustus 2002 werd een bevel om het grondgebied te verlaten betekend aan de eerste verzoekende partij en op 17 juli 2002 aan de tweede verzoekende partij. Het bevel, gegeven aan de tweede verzoekende partij en de minderjarige kinderen is als volgt gemotiveerd: Reden van de beslissing: - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. I, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite . -Betrokkene werd uitgesloten door een Ministeriële beslissing van 08.07.2002 van de wet van 22/12/99 in toepassing van de artikelen 5 en
- Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt betrokkene gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet.". Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel als volgt uiteenzetten: "Doordat dhr. XXX een aanvraag had ingediend conform art. 2, 2/ van de Wet van 22.12.1999; Terwijl de Minister in zijn beslissing dd. 08.07.2002 stelt dat verzoeker XXX wordt uitgesloten van de toepassing van de Wet van 22.12.1999; Zodat de beslissing strijdig is met bovengestelde artikel 5 van de Wet van 22.12.1999, art. 2 en 3 van de Wet van 29.07.1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen;"; Overwegende dat de verwerende partij bij het nemen van een beslissing tot uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, zodat de Raad van State enkel bij een kennelijk onredelijke beoordeling tot de vernietiging van de bestreden beslissing zou kunnen overgaan; dat de eerste bestreden beslissing steunt op de vaststelling dat eerste verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer valsheid in geschriften en onwettige wapendracht en hiervoor door het Hof van Beroep te Antwerpen op 22 mei 2001 bij verstek werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden; dat, volgens de bestreden beslissing, hieruit volgt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad en dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; dat niet wordt aangevoerd en dus zeker niet wordt aangetoond dat deze overweging kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat een tweede middel als volgt is gesteld: VII-27.575-3/5 "Doordat mevr. XXX als partner van dhr. XXX een aanvraag had ingediend conform art. 2, 2/ van de Wet van 22.12.1999; Dit was tevens het geval voor de kinderen D., S. en S; Terwijl de Minister in zijn beslissing dd. 08.07.2002 stelt dat verzoeker XXX wordt uitgesloten van de toepassing van de Wet van 22.12.1999 zonder enige motivatie te geven aangaande de aanvragen van XXX en de kinderen; Zodat de beslissing strijdig is met bovengestelde artikel 5 van de Wet van 22.12.1999, art. 2 en 3 van de Wet van 29.07.1991 betreffene de motivering van bestuurshandelingen en art. 8 EVRM;"; Overwegende dat artikel 5 van de Regularisatiewet bepaalt dat de in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, van de toepassing van deze wet worden uitgesloten; dat in het besluit wel wordt gezegd waarom eerste verzoeker een gevaar betekent voor de openbare orde; dat echter niet wordt gemotiveerd waarom verzoekster en haar minderjarige kinderen een gevaar betekenen voor de openbare orde; dat ook in het dictum van de beslissing niet naar hen wordt verwezen; dat er derhalve niet kan worden aangenomen dat de beslissing van 8 juli 2002 van toepassing is op tweede verzoekster en haar minderjarige kinderen; dat niet blijkt dat tweede verzoekster en haar kinderen werden uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999; dat het bevel om het grondgebied te verlaten genomen ten opzichte van laatstgenoemde personen bijgevolg onjuist is gemotiveerd wanneer gesteund wordt op de beslissing van 8 juli 2002;
- Overwegende dat de verzoekende partijen, wat de eerste bestreden beslissing betreft, geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep worden verworpen; dat de tweede bestreden beslissing -het bevel aan de tweede verzoekende partij en de kinderen om het grondgebied te verlaten- moet worden nietigverklaard; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de eerste bestreden beslissing worden verworpen. Artikel
- VII-27.575-4/5 Vernietigd wordt het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de tweede verzoekende partij en de minderjarige kinderen ter kennis gebracht op 17 juli
- Artikel 3 De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij en van de verwerende partij, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.575-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.