← België

Arrest 133379 - - 30/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.379 Rolnummer: A. 125997/VII-27645 Zaak: Arrest 133379 - - 30/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 07:53 Fiche Arrest nr 133.379 van 30 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.379 van 30 juni 2004 in de zaak A. 125.997/VII-27.645 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. MAENAUT, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, de Selliers de Moranvillelaan 84 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 27 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 april 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN CUTSEM, die, loco advocaat J. MAENAUT, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; VII-27.645-1/4 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 29 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
  3. De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft op 29 maart 2002 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Uit het advies van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2, 1/, van de regularisatiewet. Op 4 juli 2000 verleende het secretariaat van de Commissie een negatief advies, stellende dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is. Bij aangetekende brief van 26 november 2001 wordt dit advies betwist en wordt een uitbreiding naar de regularisatiegrond vervat in artikel 2, 4/, gevraagd. Betrokkene bewijst zijn identiteit niet in de zin van artikel 9,4/, van de regularisatiewet. Omtrent artikel 2,1/ (langdurige asielprocedure). Betrokkene heeft op 11 maart 1998 asiel gevraagd. Zijn aanvraag werd onontvankelijk verklaard. Inzake zijn op 14 april 1998 ingediend dringend beroep heeft de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen nog steeds geen beslissing genomen. De luidens artikel 2, 1/, vereiste termijn, die te dezen vier jaar bedraagt, was op het ogenblik van de regularisatieaanvraag niet verworven. Omtrent artikel 2,4/ (humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen). De aanvraag voldoet niet aan de formele vereiste van artikel 9, 9/, van de regularisatiewet: betrokkene kan op het ogenblik van de aanvraag geen aanwezigheid in België van zes jaar noch een relevant wettig verblijf doen gelden en kan ook geen schriftelijke verklaring bijbrengen waaruit blijkt dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten. Betrokkene legt ter zitting een schriftelijke verklaring neer waarbij hij stelt geen "uitvoerbaar" bevel te hebben gekregen om het grondgebied te verlaten. De Commissie stelt evenwel vast dat betrokkene op 8 april 1998 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten heeft gekregen. Het feit dat dit bevel niet uitvoerbaar is door het dringend beroep, is niet relevant: de uitvoerbaarheid van het bevel is immers luidens artikel 9, 9/, niet vereist. De bijgebrachte verklaring is derhalve niet dienstig.". 1.
  4. Op 19 april 2002 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. VII-27.645-2/4 Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 2, 4/ van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de bestreden beslissing geen melding maakt van de beroepsmogelijkheden, noch van de bevoegde beroepsinstantie, noch van de vormen waarin het beroep moet worden gesteld en dat zij daardoor nietig is; Overwegende dat luidens de geschonden genoemde bepaling elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen vermeldt en dat bij ontstentenis van die vermeldingen de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt; dat de miskenning van deze bepaling slechts tot gevolg heeft dat de verjaringstermijn voor het indienen van het annulatieberoep, dat te dezen overigens binnen de in artikel 30 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 gestelde termijn werd ingediend, geen aanvang neemt, maar niet tot de vernietiging van de bestreden akte leidt; dat het middel bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.
  6. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing geen enkele juridische noch feitelijke motivering bevat en niet meer is dan een stijlclausule; dat zij bijgevolg niet afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 besloten plicht tot formele motivering inhoudt dat in de beslissing zelf de feitelijke en juridische grondslag moet zijn aangeduid waarop de beslissing steunt, opdat de bestuurde, zelfs wanneer hij de beslissing niet aanvecht, de redenen kent waarom de administratieve overheid die beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat dit oogmerk niet alleen kan worden bereikt door middel van de in artikel 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 voorgeschreven motivering “in de akte”, maar ook door verwijzing naar adviezen waarvan de inhoud aan de bestuurde bekend is, of ter kennis is gebracht en op voorwaarde dat deze adviezen zelf afdoende gemotiveerd zijn; dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk de overwegingen onderschrijft en overneemt van het bij de beslissing gevoegde advies van de kamer van de Commissie voor regularisatie van 29 maart 2002; dat in dit advies de determinerende motieven worden aangegeven op grond waarvan tot de verwerping van de aanvraag moet worden besloten; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke VII-27.645-3/4 gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; dat het middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.645-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.