← België

Arrest 133382 - - 30/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.382 Rolnummer: A. 127288/VII-27934 Zaak: Arrest 133382 - - 30/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:53 Fiche Arrest nr 133.382 van 30 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.382 van 30 juni 2004 in de zaak A. 127.288/VII-27.934 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. FISSETTE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Bosstraat 197 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde XXX nationaliteit, op 26 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.934-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DE MOOR, die, loco advocaat K. FISETTE, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 26 december 2001 en verklaarde zich op 27 december 2001 vluchteling. 1.
  3. Op 16 januari 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 28 augustus 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U verklaarde de XXX nationaliteit te bezitten, van T. origine te zijn en afkomstig te zijn uit T. Uw vader zou in 1987 zijn opgepakt door de XXX politie wegens zijn verzet tegen de autoriteiten. Sindsdien zou u niks meer van uw vader vernomen hebben. Op 10 maart 2001 zou de politie uw woning zijn binnengevallen toen u aan het bidden was. U zou een foto van de D. bezitten op uw huisaltaar. Daarop zou u wegens het verbod op het bezit van een foto van de D. zijn aangehouden. U zou zeven dagen zijn opgesloten in de gevangenis van G. Via bemiddeling van uw moeder en een dorpshoofd en na betaling van enkele schapen, zou u zijn vrijgelaten. Hierbij zou u zijn onderworpen aan een wekelijkse aanmeldingsplicht. Op 8 november 2001 zou u samen met uw vrienden N. en G. anti-regeringsgezinde pamfletten hebben verspreid in T. Toen u de volgende ochtend schapen aan het hoeden was, zou uw nicht u zijn toegesneld met de boodschap onmiddellijk T. te verlaten daar uw twee voornoemde vrienden zouden zijn aangehouden. U zou te voet van T. via L. naar L. zijn gegaan, vanwaar u per auto D. zou bereikt hebben. Op 12 november 2001 zou u vanuit D. te voet de grens met N. hebben overgestoken. In N. zou u aangekomen zijn te B., vanwaar u per bus naar B. zou zijn gegaan. Na 39 dagen zou u per vliegtuig naar Brussel zijn afgereisd. Ter ondersteuning van uw asielrelaas legde u een attest neer van het "Bureau van T." alsook een certificaat van de "T. Community in Belgium", waarin vermeld staat dat u de T. nationaliteit bezit. Ook was u in het bezit van een T. paspoort ('R.')" uitgereikt door het "Bureau van T.' te België. Vooreerst dient erop gewezen te worden dat er bedenkingen kunnen worden gemaakt bij uw beweerde nationaliteit. Uw algemene en geografische kennis aangaande uw leefomgeving in T. is immers uiterst summier te noemen. Op de door het Commissariaat-generaal (CGVS) gestelde vraag in welke provincie, welke prefectuur VII-27.934-2/5 en welk district u afkomstig zou zijn verklaarde u geboren te zijn in het dorp 'T.' gelegen in de C. provincie 'S.', hetgeen de T. provincie 'T.' zou zijn (zie CGVS, p. 1 in het gehoor op 11 maart 2002). Echter, uit informatie waarover het CGVS beschikt, blijkt er geen enkele XXX of T. provincie te bestaan met een dergelijke benaming. Ook de voornoemde T. provincie T. is onbestaande. Bovendien bleek u niet op de hoogte in welke XXX provincies het T. grondgebied is onderverdeeld. Verder gaf u een uiterst beperkte beschrijving van uw woonomgeving, noch kon u een belangrijk klooster uit de regio van uw woonomgeving opnoemen. Bovendien antwoordde u op de vraag welke grote steden u kende in T., met 'A., K. en T.'; A. blijkt weliswaar een stad in T. te zijn, doch K. is een provincie in T. en T. is in T. onbekend (zie supra).Gezien het sterke assimilatieproces in T. dat wordt doorgevoerd op elk niveau door de XXX overheid, is het eveneens bevreemdend te noemen dat u geen enkel woord XXX kent, terwijl u toch beweert rechtstreeks afkomstig te zijn uit T. Ook antwoordde u foutief op de vraag welke de XXX munteenheid is met 'gyamar' (zie CGVS, p.2-5, herconvocatiegehoor op 23 april 2002). Ook antwoordde u verkeerdelijk op de vraag wat de grootste berg van T. is met 'K.'. (bronnen: TAYLOR C., Ed. Alt, Lonely Planet T., 4th Ed. Hawthorn, Lonely Planet Publications, 1999 en ook zie informatie in bijlage) Wat betreft uw aanhouding op 10 maart 2001, beweerde u volgens informatie waarover het CGVS beschikt foutief, dat sinds de XXX invasie in T. er een verbod van kracht is op het bezit van een foto van de D. (zie CGVS, p.9). (bron: Human Rights Watch, China State Control of Religion, Verenigde Staten, oktober 1997, p.43-44 en zie ook informatie in bijlage) Voorts met betrekking tot uw rechtstreekse vluchtaanleiding, dient te worden vastgesteld dat uit een vergelijking van uw opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en op het CGVS blijkt, dat deze een inconsistent gegeven bevatten waardoor verdere bedenkingen kunnen worden gemaakt bij de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Zo verklaarde u op de DVZ dat u op 8 november 2001 T. en N. leerde kennen om later met hen pamfletten te verspreiden (zie DVZ, p. 13). Op het CGVS verklaarde u daarentegen dat u N. en G. reeds vanaf uw kindertijd zou kennen en dat zij neven van u zouden zijn (zie CGVS, p. 11 en 14). Gelet op bovenstaande anomalieën kan niet worden aangenomen dat u rechtstreeks uit T. afkomstig zou zijn en kunnen bijgevolg de door u beweerde recente vluchtmotieven, niet worden afgedaan als waarachtig. Bovendien zijn de documenten die u ter staving van uw asielrelaas voorlegde, in het licht van bovenstaande vaststellingen, niet van die aard om de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag, in positieve zin om te buigen. Deze documenten tonen weliswaar uw T. origine aan, doch bewijzen geenszins uw XXX nationaliteit.". Dit is de bestreden beslissing.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in dit onderdeel van het eerste middel aanvoert wat volgt: "(...) Daarenboven legt verzoeker ook nog eens twee documenten neer van de 'T. Community in Belgium', waaruit duidelijk blijkt dat hij van T. origine is. Hierover stelt het Commissariaat-generaal niets in zijn motiverend gedeelte. Indien het Commissariaat-generaal twijfels zou hebben bij deze documenten, dient zij dit te vermelden, te motiveren in haar beslissing. Indien zij dat niet doet, kan verzoeker er redelijkerwijze van uitgaan dat het Commissariaat-generaal deze documenten aanvaard als zijnde het bewijs van de nationaliteit van verzoeker. Het gaat uiteraard niet op om enkele onbeduidende details uit een verhaal te halen om dan te stellen dat de nationaliteit van verzoeker betwijfeld dient te worden, daar waar er zwart op wit documenten voorliggen van de T. afkomst van verzoeker, hetgeen door het Commissariaat-generaal niet betwist wordt. De motivering van het Commissariaat-generaal op dit punt is dan ook niet afdoende. (...)."; VII-27.934-3/5 Overwegende dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk wordt bevonden, doordat niet kan worden aangenomen dat zij rechtstreeks uit T. afkomstig zou zijn en dat bijgevolg haar vluchtmotieven niet als waarachtig kunnen worden afgedaan; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing stelt dat er bedenkingen kunnen worden gemaakt bij de beweerde nationaliteit van de verzoekende partij, omdat haar algemene en geografische kennis van haar leefomgeving uiterst summier is; dat hij tevens stelt dat de neergelegde documenten "niet van die aard zijn om zijn appreciatie in positieve zin om te buigen" en deze documenten de XXX nationaliteit van de verzoekende partij niet aantonen, maar wel haar T. origine; dat de commissaris- generaal zijn beslissing niet afdoende motiveert, wanneer hij, enerzijds, stelt dat door meerdere anomalieën niet kan worden aangenomen dat de verzoekende partij rechtstreeks afkomstig is uit T. maar, anderzijds, de door de verzoekende partij neergelegde documenten aanhaalt en zonder meer aanvaardt dat zij de T. origine van de verzoekende partij aantonen; dat hierdoor de motivering om tot de bedrieglijkheid te besluiten van de asielaanvraag tegenstrijdig en dus gebrekkig is; dat de verwerende partij weliswaar in de memorie van antwoord stelt dat de T. origine van de verzoekende partij niet impliceert dat zij ook daadwerkelijk in Tibet opgroeide en/of leefde; dat dit echter geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de bestreden beslissing gebrekkig is gemotiveerd; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt de beslissing van 28 augustus 2002 van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-27.934-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.934-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.