← België

Arrest 133388 - - 30/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.388 Rolnummer: A. 48448/XII-1176 Zaak: Arrest 133388 - - 30/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-12 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:54 Fiche Arrest nr 133.388 van 30 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.388 van 30 juni 2004 in de zaak A. 48.448/XII-

  1. In zake : Patrick DRIESSEN, die woonplaats kiest bij advocaten E. Van der Mussele en Y. Vanden Bosch, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18 A tegen :
  2. de STAD ANTWERPEN,
  3. het VLAAMSE GEWEST. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick Driessen op 2 oktober 1992 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1/ het besluit van 21 mei 1992 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen waarbij hij wordt gestraft met schorsing en inhouding van wedde gedurende één dag; 2/ het besluit van 3 augustus 1992 van de Gemeenschapsminister van Binnenlandse Aangelegenheden waarbij het voormelde collegebesluit wordt goedgekeurd; Gelet op het arrest nr. 41.131 van 24 november 1992 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-1176-1/9 Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Lust; Gelet op de beschikking van 5 december 1996 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van der Mussele, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat Chr. Coen, die loco P. Van Der Straten verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat I. Vanden Bon, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker als hulpelektricien is tewerkgesteld in de stadsschouwburg te Antwerpen; dat hij in de loop van de maand december van het jaar 1991 verscheidene dagen wordt ingeschakeld in het Cultureel Centrum Berchem; dat hij volgens het “feitenverslag” van 21 januari 1992 van de plaatselijke verantwoordelijke F. Wyckmans op 11 december 1991 “met de nodige ar[r]ogantie” “elke opdracht, erger nog, zelfs het verplaatsen van enkele tafels [...]” weigert; dat verzoeker na deze feiten, ondanks het uitdrukkelijk bevel om XII-1176-2/9 even te blijven, om 11.35 uur het Cultureel Centrum Berchem verlaat en zich naar de stadsschouwburg begeeft; dat de stadssecretaris op 21 april 1992 naar aanleiding van het gebeurde een tuchtverslag opstelt waarin hij, rekening houdend met de gegevens van de zaak en met verzoekers staat van dienst, meent dat een waarschuwing de aangewezen tuchtstraf is; dat verzoeker op 21 mei 1992 door het college van burgemeester en schepenen wordt gehoord; dat het college na beraadslaging besluit hem gedurende één dag te schorsen met inhouding van wedde; dat verzoeker bij schrijven van 4 juni 1992 bij de Gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden beroep aantekent tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen; dat die minister het voornoemde collegebesluit goedkeurt op 3 augustus 1992;
  5. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel stelt dat hij niet onder het gezag van F. Wyckmans stond aangezien krachtens het collegebesluit van 30 december 1966 de verantwoordelijke van een dienst of afdeling slechts het jongste personeelslid in rang kan muteren naar onder andere een andere afdeling, dat dit besluit werd geschonden aangezien hij immers niet de jongste in rang is, dat hij bij gebrek aan bewijs van een regelmatige mutatie, onder het gezag van A. Dhoey bleef die hem beval in het Cultureel Centrum Berchem enkel “electricienswerk” uit te voeren, dat een tuchtsanctie op grond van een verslag van iemand die niet zijn hiërarchische meerdere is, onwettig is; dat hij in zijn laatste memorie nog bijkomend betoogt dat hij pas na vijf dagen heeft geprotesteerd omdat hij “niet de man is om onmiddellijk en blindweg verzet te plegen en stokken in de wielen te steken”en hij “de eerste dagen [...] de zaak wilde aanzien”; Overwegende dat luidens artikel 123, 10/, van de nieuwe gemeentewet het college van burgemeester en schepenen het toezicht uitoefent op het gemeentepersoneel; dat namens het college het “centraal bestuur” de opdracht gaf aan de stadsschouwburg om in de maand december tijdelijk een hulpelektricien XII-1176-3/9 ter beschikking te stellen van het Cultureel Centrum Berchem; dat uit de dienstregeling blijkt dat deze opdracht aan verzoeker wordt toevertrouwd; dat niet wordt betwist dat verzoeker niet met toepassing van het collegebesluit van 30 december 1966 of van een andere, specifieke reglementering werd verplaatst naar het Cultureel Centrum Berchem; dat er geen sprake is van een “mutatie” aangezien verzoeker administratief aan zijn dienst verbonden bleef; dat hij enkel binnen dezelfde dienst diende te werken op een andere locatie in dezelfde stad; dat hij niet betwist dat A. Dhoey hem de voormelde opdracht had overgebracht; dat verzoeker in die omstandigheden in rechte niet kan staande houden dat hij op 11 december 1991, van 8 tot 16 uur, niet onder de functioneel-technische leiding van de plaatselijke verantwoordelijke van het Cultureel Centrum Berchem zou hebben gestaan; dat het middel niet gegrond is; 2.
  7. Overwegende dat verzoeker een tweede middel steunt op een schending van artikel 306 van de nieuwe gemeentewet en van de rechten van de verdediging door te betogen dat tijdens het verhoor door het college van burgemeester en schepenen geen openbaarheid werd gegarandeerd terwijl zulks wel het geval is in de gemeenteraad waar bovendien controle door de oppositie mogelijk is; Overwegende dat artikel 306 van de nieuwe gemeentewet voorziet in een openbare hoorzitting indien de gemeenteraad bevoegd is om een tuchtstraf op te leggen en de betrokkene hierom verzoekt; dat daarentegen de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen luidens artikel 104, derde lid, van de nieuwe gemeentewet niet openbaar zijn en noch artikel 306, noch enige andere bepaling betreffende de tuchtregeling in de mogelijkheid van openbaarheid voorziet voor het geval door het schepencollege een hoorzitting in een tuchtzaak wordt gehouden; dat evenmin de rechten van verdediging in tuchtzaken in het openbaar ambt vereisen dat de tuchtrechtelijk vervolgde zich in het openbaar kan verweren; dat het middel niet gegrond is; XII-1176-4/9 2.
  8. Overwegende dat een derde middel wordt geput uit een schending van artikel 305 van de nieuwe gemeentewet en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker in een eerste onderdeel betoogt dat het foutief is te stellen dat hij elke opdracht weigerde en het werk verliet aangezien hij wel elektriciteitswerken wilde verrichten en hij toen hij geen electriciteitswerk kreeg, naar de stadsschouwburg terugkeerde; dat hij in een tweede onderdeel doet gelden dat niet mocht worden gesteld dat hij was “overgeplaatst” in de zin van het reglement op de verplaatsing van personeel zodat dit geen argument is om de bevelen van F. Wyckmans te laten prevaleren op de instructies van A. Dhoey; dat hij in een derde onderdeel betoogt dat het foutief is te stellen dat “uit niets blijkt dat afbraak extra gevaar kan opleveren voor verzoeker of collega’s” aangezien de getuige Goetmakers dit gevaar reëel acht; dat hij in een vierde onderdeel stelt dat het feit dat hij zich arrogant zou hebben gedragen niet wordt bewezen; dat hij in een vijfde onderdeel doet gelden dat het motief dat de sanctie een signaalfunctie heeft ten aanzien van andere personeelsleden zijn grondslag niet vindt in de feiten die eigen zijn aan deze zaak maar in een probleem dat bij “het gehele personeel is ontstaan” en dat hij niet strenger mag worden gestraft omdat velen systematisch dienstopdrachten weigeren; Overwegende dat de geschonden geachte bepalingen de uitdrukkelijke motivering voorschrijven van, eensdeels, het opleggen van een tuchtstraf en, anderdeels, van een bestuurshandeling in het algemeen; dat in de verscheidene onderdelen verzoeker ervan blijk geeft de motieven van de bestreden beslissingen te kennen aangezien hij ze aan kritiek onderwerpt; dat hij aldus in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert en het middel vanuit die invalshoek zal worden onderzocht; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat reeds bij de bespreking van het eerste middel werd vastgesteld dat verzoeker op 11 december 1991 van 8 tot 16 uur aan de functioneel-technische leiding van F. Wyckmans was onderworpen, en niet aan deze van A. Dhoey; dat hij dus niet gerechtigd was XII-1176-5/9 andere dan elektriciteitswerken te weigeren louter omdat die opdracht niet van A. Dhoey uitging; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de minister stelt : “Overwegende dat de betrokkene klaarblijkelijk ten onrechte uitgaat van het feit dat, wanneer hij, zoals in casu het geval was, tijdelijk naar een andere dienst of werklocatie wordt overgeplaatst teneinde aldaar een personeelstekort aan te vullen, hij nog steeds onder het gezag staat van zijn eigenlijke dienstchef”; dat uit die overweging, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker doet, niet mag worden afgeleid dat verzoeker volgens de minister zou zijn “overgeplaatst” in de zin van het collegebesluit van 30 december 1966; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat getuige Goetmakers verklaart : “dat met de tribune in casu bedoeld wordt een stelselmatig opgericht verhoog door middel van practikabels waarop stoelen worden bevestigd en waarvan het hoogste punt circa twee meter is. [Zij] denkt wel dat de afbraak van deze tribune een gevaar kan opleveren voor iemand die dergelijk werk niet gewend is”; dat deze verklaring de minister niet verhinderde te stellen “dat het afbreken van de tribune moeilijk kan worden beschouwd als een taak die door gespecialiseerd personeel moet gebeuren”; dat de minister het in zijn beslissing voorts enkel heeft over de afwezigheid van “extra gevaar” wat niet hetzelfde is als beweren dat het afbreken zonder zelfs maar het minste gevaar zou zijn; dat bijgevolg de verklaring van de getuige en de overwegingen van de minister niet tegenstrijdig zijn; Overwegende, wat het vierde en vijfde onderdeel betreft, dat het college van burgemeester en schepenen de strafmaat als volgt motiveert : “overwegende dat, gelet op de feiten, de houding van betrokkene en de belangrijke signaalfunctie naar het gehele personeel i.v.m. systematisch XII-1176-6/9 weigeren van andere dienstopdrachten, een verzwaring van het strafvoorstel zich opdringt”; dat zowel de ingeroepen houding als de signaalfunctie geen bijkomende tekortkomingen zijn die losstaan van de bewezen geachte feiten maar dat zij er een facet van zijn; dat deze gegevens de in aanmerking genomen feiten bijgevolg zwaarwichtiger maken en kunnen verantwoorden dat de overheid er zwaarder aan tilt; dat verzoeker door zich van de gegeven opdracht niets aan te trekken en zich de bevoegdheid aan te matigen om zelf uit te maken van wie hij leiding krijgt, wat hij doet en wanneer zijn dienst is afgelopen, doet blijken van wat de toeziende overheid niet ten onrechte een “zeer arrogante opstelling” heeft genoemd; dat voorts, gezien de door verzoeker zelf in zijn pleitnota's ter sprake gebrachte “toenmalige problematiek omtrent de personeelsdetacheringen”, terecht te vrezen was dat verzoekers houding als een voorbeeld zou worden gezien en zou worden nagevolgd; dat dit risico op navolging, waarvan moeilijk kan worden betwist dat het een gevaar voor de goede werking van de dienst zou uitmaken, des te groter is wanneer de overheid niet te zwaar lijkt te tillen aan de besproken houding; dat dienvolgens de tuchtoverheid te dezen vermocht rekening te houden met het voormelde gevaar; dat geen van de onderdelen gegrond is en dienvolgens het middel in zijn geheel wordt afgewezen; 2.
  9. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de overheid een onzorgvuldig optreden verwijt; dat hij doet gelden dat door A. Dhoey en F. Wyckmans tegenstrijdige opdrachten werden gegeven, dat als gevolg van het polyvalent inschakelen van het beschikbare personeel gevaarlijk werk wordt opgelegd zonder enige bijkomende opleiding, dat hij is aangenomen als hulpelektricien, functie die wordt ingedeeld bij de niet-polyvalente technici; Overwegende dat in de memories van antwoord wordt gerepliceerd dat het tewerkstellen van verzoeker in het Cultureel Centrum Berchem tot gevolg heeft dat A. Dhoey over hem geen zeggenschap had en dat voor het uitvoeren van de hem opgelegde taken geen bijzondere opleiding vereist was; XII-1176-7/9 Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie dupliceert dat de door hem aangevoerde elementen niet worden weerlegd tenzij wordt aangenomen dat F. Wyckmans hem minderwaardige taken mocht opleggen niettegenstaande A. Dhoey hem hiertoe geen opdracht had gegeven; Overwegende dat bij het bespreken van het eerste middel is vastgesteld dat verzoeker op 11 december 1991 tussen 8 en 16 uur onder leiding van F. Wyckmans stond zodat het irrelevant is welke mogelijke instructies hij had gekregen van A. Dhoey; dat verzoeker noch in zijn antwoord op het verslag van F. Wyckmans, noch in zijn pleitnota voor het college argumenteert dat hij opdrachten weigerde omdat hij van A. Dhoey enkel elektriciteitswerkzaamheden mocht uitvoeren; dat ook A. Dhoey pas in een verklaring gericht aan de toeziende overheid uiteenzet dat hij “uitdrukkelijk tegen [zijn] personeelsleden [heeft] gezegd dat zij enkel en alleen elektriciteitswerkzaamheden mochten uitvoeren wanneer zij moesten inspringen in andere diensten”; dat het bedoelde gevaarlijk werk betrekking heeft op het afbreken van een tribune van - blijkens de hoger aangehaalde en door verzoeker niet betwiste verklaring Goetmakers - hoogstens twee meter hoog; dat verzoeker geen argumenten aanbrengt die toelaten dergelijk werk als gevaarlijk te kwalificeren; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-1176-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, E. BREWAEYS staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1176-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.