id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.408 Rolnummer: A. 132772/X-11287 Zaak: Arrest 133408 - - 30/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-06 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:56 Fiche Arrest nr 133.408 van 30 juni 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.408 van 30 juni 2004 in de zaak A. 132.772/X-11.
- In zake : Daniël VERBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Daniël VERBEKE op 7 februari 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 22 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning tot meergezinswoning op een perceel gelegen te Deinze (Gottem), aan de hoek van de Oude Heirbaan met de Ardense Jagersstraat, kadastraal bekend Sectie B, nr. 93 a4; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 maart 2003 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 25 april 2003; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; X-11.287-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de verzoekende partij op 24 april 2001 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning tot een meergezinswoning met vijf appartementen en garages; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze op 7 augustus 2001 de gevraagde vergunning weigert na ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar; dat de verzoekende partij administratief beroep aantekent tegen die weigering en dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen met een besluit van 13 december 2001 de vergunning geeft onder bepaalde voorwaarden; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar op 15 januari 2002 tegen het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie beroep aantekent bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening met het bestreden besluit het beroep van de gemachtigde ambtenaar inwilligt en het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 13 december 2001 vernietigt;
- Beoordeling 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11.287-2/10 2.1.1.
- Overwegende, wat de eerste door artikel 17, § 2, gestelde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: "Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 53 §2 van het decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 Doordat, het bestreden besluit werd genomen ingevolge het beroep dat de gemachtigde Ambtenaar voor de Provincie Oost-Vlaanderen op 15 januari 2002 instelde tegen het Besluit van de Bestendigde Deputatie van de Provincie Oost- Vlaanderen dd. 13 december 2001, houdende inwilliging van het beroep van verzoeker, en voorwaardelijke aflevering van de vergunning, En doordat, bij het bestreden besluit het door de Gemachtigde Ambtenaar ingestelde beroep uitdrukkelijk ontvankelijk wordt verklaard. En doordat, uit dit beroep van de gemachtigde ambtenaar voor de Provincie Oost-Vlaanderen, waarvan verzoeker bij brief dd. 15 januari 2002 copie toegestuurd kreeg, en uit de bij deze copie gevoegde inventaris blijkt dat het beroep dat de Gemachtigde Ambtenaar voor de Provincie Oost-Vlaanderen bij de bevoegde Minister instelde vergezeld was van 10 stukken, die niet waren gevoegd bij de copie van het beroep zoals dit aan verzoeker werd genotificeerd, en waarvan bovendien het tiende stuk verzoeker volstrekt onbekend is. Terwijl, artikel 53 §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 vereist dat de Gemachtigde Ambtenaar op straffe van onontvankelijkheid het beroep dat hij bij de Vlaamse Regering instelt tegelijkertijd dient te notificeren aan de houder van de vergunning, En terwijl, uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat notificatie van copie van dit beroep behelst notificatie van het beroep met al zijn bijlagen, en dat de notificatie van deze bijlagen geldt als substantieel vormvoorschrift, zodat de niet- medebetekening aan de houder van de vergunning van de stukken die de Gemachtigde Ambtenaar in bijlage bij zijn beroep overmaakt aan de Vlaamse Regering de onontvankelijkheid van dit beroep tot gevolg heeft (...) (...) En terwijl, in de geest van de hierboven geciteerde rechtspraak enkel dan de niet-meezending der stukken gevoegd bij het door de gemeente of de gemachtig- de ambtenaar bij de Vlaamse Regering ingestelde beroep de behandeling op gelijke voet niet geschonden wordt, indien ten eerste de houder van de vergunning uit de meegezonden inventaris kan opmaken welke stukken de gemeente of de gemachtigde ambtenaar bij zijn beroep heeft gevoegd, en tevens bij het beroep met inventaris ook de stukken ontvangt waarvan hij niet in het bezit is of hoort te zijn, zoals in casu het orthofotoplan. Zodat, de gemachtigde Ambtenaar door de copie van het beroep dat hij bij de Vlaamse regering instelde niet tegelijkertijd te notificeren aan verzoeker met al zijn bijlagen, en zelfs niet met de bijlagen die verzoeker niet had of behoorde te hebben de door artikel 53 §2 van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 beoogde gelijkheid van procespartijen heeft geschonden, waardoor een substantieel vormvoorschrift werd geschonden en de Minister door bij het bestreden besluit het beroep dat de Gemachtigde Ambtenaar instelde ontvankelijk te verklaren de in het middel vermelde bepaling heeft geschonden."; X-11.287-3/10 2.1.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt als volgt: "
- Verzoekende partij roept de schending in van art. 53 § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- Volgens verzoekende partij dient ingeval het beroep uitgaat van de Gemachtigde Ambtenaar tegen een toegekende vergunning door de Bestendige Deputatie niet alleen een eensluidend verklaard afschrift van het beroepschrift aan de aanvrager ter kennis gebracht te worden, doch eveneens een kopie van de stukken die samen met het beroepschrift aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening werden overgemaakt.
- Bij Besluit van 13 december 2001 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen werd het beroep van verzoekende partij tegen de weigeringsbeslissing van 7 augustus 2001 van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad DEINZE, ingewilligd en werd de stedenbouwkundige vergunning toegestaan mits naleving van opgelegde voorwaarden. Bij aangetekend schrijven van 15 januari 2002 werd door de Gemachtigde Ambtenaar beroep aangetekend tegen deze beslissing bij de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening. In bijlage werd het bundel en de inventaris, genummerd van 1 t.e.m. 10 bij het beroepschrift gevoegd. Deze inventaris omvatte volgende stukken: '
- Beroep bij de Raad van State
- Ministerieel Besluit van beroep Gemachtigde Ambtenaar
- Beroep bij de Vlaamse Regering
- Besluit Bestendige Deputatie
- Beroepschrift
- Weigeringsbeslissing college
- Advies Gemachtigde Ambtenaar
- Advies Wegen
- Bouwdossier
- Kopies gewestplan, kadasterplan en orthofotoplan' Overeenkomstig art. 53 § 2 Coördinatiedecreet dient het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar (of van het College van Burgemeester en Schepenen) terzelfdertijd aan de aanvrager ter kennis gebracht te worden. Deze verplichting geldt enkel voor het beroepschrift en volgens de tekst van art. 53 § 2 van het Coördinatiedecreet niet voor de stukken van het administratief dossier. De inventaris vermeld in het beroepschrift slaat enkel op de administratieve stukken van het dossier, die alleen noodzakelijk zijn voor de behandeling ten gronde van het ingestelde beroep, doch verder voor de verzoekende partij geen enkel aanvullend essentieel gegeven bevatten. De vereiste van een gelijke behandeling van de partijen vertaalt zich derhalve niet in de verplichting dat de aanvrager een afschrift van het volledig dossier met alle administratieve stukken die de aanvraag betreffen - en die trouwens door de aanvrager zelf grotendeels werden ingediend - en die worden bezorgd aan de instantie die het hoger beroep zal behandelen moet ontvangen (zie ondermeer omzendbrief R.O. 96/2 van 11 maart 1996 betreffende het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie door het College van Burgemeester en Schepenen of de Gemachtigde Ambtenaar). Het voorleggen van de stukken staat los van het indienen van een beroep of een beroepschrift door de Gemachtigde Ambtenaar of door het College van X-11.287-4/10 Burgemeester en Schepenen bij de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening. In principe kunnen de stukken steeds met een afzonderlijke zending overgemaakt worden aan de beroepsinstantie, zoals dit steeds gebeurt. Ingeval van een afzonderlijke zending van dossierstukken door de Gemach- tigde Ambtenaar - zoals in het geval van een beroep uitgaande van de aanvrager of van het College van Burgemeester en Schepenen - bestaat er geen wettelijke verplichting om een kopie te zenden aan de aanvrager.
- Verzoekende partij heeft tijdens de behandeling van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar nooit inzage gevraagd van de bedoelde stukken, noch de moeite getroost om deze stukken bij de administratie in te zien. Inzoverre verzoekende partij ontbrekende stukken noodzakelijk achtte voor het voeren van haar verweer, dan diende verzoekende partij deze stukken maar tijdig op te vragen. (...) Thans in het verzoekschrift tot schorsing wordt aangegeven dat het tiende stuk 'verzoeker volstrekt onbekend is'. Het bedoelde tiende stuk betreft kopies gewestplan, kadasterplan en orthofotoplan. Het dient aan verzoekende partij op zijn minst bekend te zijn dat de essentiële documenten van een gewestplan ter inzage dienen te liggen op elke gemeente of stadhuis. Deze documenten konden zowel op het stadhuis te Deinze als in het kader van de beroepsprocedure bij de administratie worden ingezien. Verzoekende partij kan niet ernstig voorhouden dat het bedoelde stuk 10 dermate essentieel is voor de verdediging van haar belangen. Immers de verklarende nota van Studiebureel A. DEFOUR, gevoegd bij de bouwaan- vraag van verzoekende partij, vermeldt duidelijk dat 'de nieuwe functie van dezelfde aard en natuur is als de bestaande woning, en verenigbaar is met het woongebied'.
- Het eerste middel is dan ook niet ernstig.
- In ondergeschikte orde Het is alleszins duidelijk en niet betwist dat de Gemachtigde Ambtenaar of de Provinciale Directie van AROHM niet gehouden is de stukken van het administratief dossier, zoals overgemaakt aan de bevoegde beroepsinstantie, in afschrift of kopie (...) over te maken aan de aanvrager wanneer het beroep uitgaat van deze aanvrager of zelfs van het College van Burgemeester en Schepenen. Eenzelfde bepaling heeft derhalve een ongelijke toepassing voor de Gemachtigde Ambtenaar ingeval het beroep uitgaat van zijn diensten dan wel ingeval het beroep uitgaat van de aanvrager of van het College van Burgemeester en Schepenen. Verwerende partij vraagt dan ook, inzoverre het ernstig karakter van het eerste middel wordt aangehouden, een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof : 'Schendt art. 53 § 2 van het decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artt. 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet doordat een afschrift van alle bijlagen (administratief dossier) samen met het beroepschrift van de Gemachtigde Ambtenaar aan de aanvrager moet worden overgemaakt gelijk aan de minister, terwijl de Gemachtigde Ambtenaar niet gehouden is een afschrift van de (zelfde) stukken van het administratief dossier aan de aanvrager over te maken ingeval het beroep uitgaat van de aanvrager of zelfs van het College van Burgemeester en Schepenen'. In afwachting van een uitspraak over deze prejudiciële vraag kan derhalve nog geen uitspraak worden gedaan over het verzoek tot schorsing."; X-11.287-5/10 2.1.1.
- Overwegende dat artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidt als volgt: "§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse Regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college."; Overwegende dat voormelde wetsbepaling voorschrijft dat de gemachtigde ambtenaar het beroep terzelfder tijd aan de aanvrager ter kennis brengt; dat hiermee prima facie bedoeld is het beroep zelve, dit is de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw - nadien artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 - grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij de genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”; dat de gelijke behandeling van de partijen een onmisbare vereiste is en dat dit prima facie betekent dat de aanvrager moet beschikken over het beroepschrift en de stukken waarover de minister beschikt; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar met een ter post aangetekend schrijven van 15 januari 2002 beroep heeft aangetekend bij de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoekende partij werd ingewilligd; dat in dit beroepschrift is vermeld: "Hierbij voeg ik het bundel en de inventaris, genummerd van 1 tot en met 10."; dat de gemachtigde ambtenaar met een op dezelfde datum ter post aangetekend schrijven aan de verzoekende partij heeft meegedeeld beroep te hebben ingesteld tegen genoemde beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en er als bijlage een afschrift van zijn beroepschrift met de X-11.287-6/10 inventaris bij heeft gevoegd; dat niet blijkt dat het dossier, waarvan sprake was in het aan de bevoegde minister verzonden beroepschrift en dat als bijlage bij dat beroepschrift was gevoegd, ook bij het aan de verzoekende partij verzonden eensluidend afschrift van het beroepschrift was gevoegd; Overwegende dat met de uitleg van de verwerende partij dat het slechts gaat om administratieve stukken die geen enkel aanvullend essentieel gegeven bevatten en dat stuk 10 kopieën vormt van plannen die de verzoekende partij op het gemeentehuis of bij de administratie kon inkijken, geen rekening kan worden gehouden om aan te nemen dat de verzoekende partij middels de aan haar betekende stukken was ingelicht over het beroep zoals door de wetgever bedoeld; dat de omstandigheid dat de verzoekende partij de kans had om voorafgaand aan de hoorzitting en gedurende de hoorzitting dit dossier in te zien, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij met betrekking tot de aanzegging van het beroep op gelijke voet werd gesteld met de minister; dat hetzelfde geldt wat de omstandigheid betreft dat de verwerende partij haar beslissing niet zou hebben gesteund op nieuwe stukken; dat de gemachtigde ambtenaar prima facie zijn beroep met schending van de in voornoemd artikel 53, § 2, eerste lid, van het stedenbouwdecreet vervatte substanti- ele pleegvorm en derhalve op een ontvankelijke wijze heeft ingesteld; Overwegende dat, daargelaten de vraag of de procedure voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof is afgestemd op de schorsings- procedure voor de Raad van State, de Raad van State met toepassing van artikel 26, § 2, 2/ van de Bijzondere wet op het Arbitragehof niet is gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen indien het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp; dat dit te dezen het geval is nu het Arbitragehof met het arrest nr. 101/2003 van 17 juli 2003 ontkennend heeft geantwoord op een identieke prejudiciële vraag; Overwegende dat de verwerende partij met een ter post aangetekend schrijven van 10 maart 2004 vraagt om de debatten te heropenen omwille van de wijziging aan voormeld artikel 53, § 2 bij artikel 67, 2/ van het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat op dit verzoek hic et nunc niet dient te worden ingegaan nu de schorsing van de tenuitvoerlegging per definitie een tijdelijk en voorlopig karakter heeft en nu over de terugwerkende kracht X-11.287-7/10 van voornoemde bepaling uitgebreid en grondig in de annulatieprocedure kan worden gedebatteerd terwijl een heropening der debatten in de schorsingsprocedure daartoe niet de vereiste procedurele waarborgen biedt; Overwegende dat het eerste middel ernstig is; 2.1.2.
- Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij uiteenzet wat volgt: "Verzoeker lijdt door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; De tenuitvoerlegging van het bestreden besluit dompelt hem immers onder in een situatie van volstrekte rechtsonzekerheid. Immers door het feit dat de Gemachtigde Ambtenaar voor de Provincie Oost- Vlaanderen op onontvankelijke wijze beroep instelde tegen het besluit van de Bestendige Deputatie voor de Provincie Oost-Vlaanderen dd. 13 december 2001 waarbij hem de vergunning werd verleend, en de termijn waarover de Gemach- tigde Ambtenaar beschikt om op een ontvankelijke wijze beroep in te stellen inmiddels is verstreken, beschikt beroeper vandaag de dag over een perfect rechtsgeldige en uitvoerbare vergunning. Door het feit echter dat de bevoegde Minister, tot wiens taak het behoort ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar na te gaan, dit beroep volstrekt onterecht ontvankelijk heeft verklaard, en deze rechtsgeldige en uitvoerbare vergunning heeft vernietigd, kan verzoeker deze vergunning toch niet ten uitvoer leggen, nu hij zich daardoor zou blootstellen aan administratieve sancties en strafvervolging. De rechtsonzekere situatie die hierdoor ontstaat heeft uw Raad bij herhaling aanvaard als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. (...)"; 2.1.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt als volgt: "Verzoekende partij beroept zich enkel op de zogenaamde onontvankelijkheid van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar, dat in het bestreden besluit 'volstrekt onterecht ontvankelijk werd verklaard', waardoor verzoekende partij deze vergunning toch niet ten uitvoering kan leggen nu hij zich daarvoor zou blootstellen aan administratieve sancties en strafvervolging. Volgens verzoekende partij is 'de rechtsonzekere situatie die hierdoor ontstaat' te beschouwen als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het niet weerhouden van het eerste middel betekent meteen dat aan de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is voldaan. Immers, het door verzoekende partij ingeroepen nadeel kan niet slaan op het tweede en het derde middel. Met de verwijzing naar de door verzoekende partij zelf geciteerde arresten van uw Raad, dient bovendien te worden benadrukt dat dit gegeven verzoekende partij niet ontslaat van concrete gegevens als elementen aan te geven voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekende partij blijft in gebreke dergelijke concrete elementen in het verzoekschrift tot schorsing te vermelden. X-11.287-8/10 Het louter aangeven of stellen van een principe voldoet niet aan de verplich- ting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Ook aan de tweede voorwaarde van art. 17 § 2 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State is derhalve niet voldaan."; 2.1.2.
- Overwegende dat uit het ernstig bevonden eerste middel blijkt dat de minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening op het eerste gezicht het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de door de bestendige deputatie verleende vergunning onontvankelijk had dienen te verklaren en zijn beroep had dienen te verwerpen, waardoor de aan verzoekende partij verleende vergunning opnieuw uitvoerbaar werd; dat in de gegeven omstandigheden verzoekers uiteenzetting voldoende concrete gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 22 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning tot meergezinswoning op een perceel gelegen te Deinze (Gottem), aan de hoek van de Oude Heirbaan met de Ardense Jagersstraat, kadastraal bekend Sectie B, nr. 93 a
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2004, door : X-11.287-9/10 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. C. ADAMS. X-11.287-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.408 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.910 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.