← België

Arrest 133445 - - 02/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.445 Rolnummer: A. 147726/X-11769 Zaak: Arrest 133445 - - 02/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-08 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:58 Fiche Arrest nr 133.445 van 2 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.445 van 2 juli 2004 in de zaak A. 147.726/X-11.

  1. In zake : de n.v. FLANDERS SURPLUS, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FLANDERS SURPLUS op 17 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 12 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 6 februari 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan de n.v. FLANDERS SURPLUS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "de verbouwing van en in een bestaand vergund industrieel gebouw" gelegen te Zulte, Leiestraat 88, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 104 F en 107 L; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2004; X-11.769-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET, die loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. FLANDERS SURPLUS op 17 april 2001 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zulte een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor de "verbouwing van en in (een) bestaand vergund industrieel gebouw" gelegen te Zulte, Leiestraat 88, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 104 F en 107 L; dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde is gelegen, deels over een diepte van 50 meter in woongebied, en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het niet is gelegen binnen het gebied van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat de gemachtigde ambtenaar op 12 september 2001 een ongunstig advies heeft uitgebracht aangezien de aanvraag in strijd is met de gewestplanbestemming en geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 145bis, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 24 september 2002 de gevraagde vergunning heeft geweigerd op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen bij besluit van 6 februari 2003 het beroep van de n.v. FLANDERS SURPLUS tegen voormeld weigeringsbesluit heeft ingewilligd en de gevraagde vergunning heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 2 april 2003 beroep heeft ingesteld tegen dit besluit bij de minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij het bestreden besluit van 12 december 2003 het beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft ingewilligd en het besluit van de bestendige deputatie van 6 februari 2003 heeft vernietigd; X-11.769-2/5 Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat aan de grondvoorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen is voldaan; dat, zoals hierna zal blijken, dit niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekende partij aanvoert wat volgt: "Verzoekster lijdt door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; De tenuitvoerlegging van het bestreden besluit dompelt hem immers onder in een situatie van volstrekte rechtsonzekerheid. Immers door het feit dat de Gemachtigde Ambtenaar voor de Provincie Oost- Vlaanderen op onontvankelijke wijze beroep instelde tegen het besluit van de Bestendige Deputatie voor de Provincie Oost-Vlaanderen dd. 6 februari 2003 waarbij hem de vergunning werd verleend, en de termijn waarover de X-11.769-3/5 Gemachtigde Ambtenaar beschikt om op een ontvankelijke wijze beroep in te stellen inmiddels is verstreken, beschikt beroeper vandaag de dag over een perfect rechtsgeldige en uitvoerbare vergunning. Door het feit echter dat de bevoegde Minister, tot wiens taak het behoort ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar na te gaan, dit beroep volstrekt onterecht ontvankelijk heeft verklaard, en deze rechtsgeldige en uitvoerbare vergunning heeft vernietigd, kan verzoeker deze vergunning toch niet ten uitvoer leggen, nu hij zich daardoor zou blootstellen aan administratieve sancties en strafvervolging. De rechtsonzekere situatie die hierdoor ontstaat heeft uw Raad bij herhaling aanvaard als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. (...)"; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt wat volgt: "Verzoekende partij beroept zich enkel op de zogenaamde onontvankelijkheid van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar en de vermeende ernst van het ingeroepen middel. Volgens verzoekende partij is de rechtsonzekerheid die hierdoor ontstaat te beschouwen als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit het besluit van 6 februari 2003 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen blijkt dat de werken reeds voor het overgrote deel waren uitgevoerd op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag werd ingediend of in behandeling was. De door verzoekende partij ingediende aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning betreft derhalve een regularisatieaanvraag. De onzekere situatie en/of rechtsonzekerheid vloeit derhalve niet meteen voort uit de bestreden beslissing, maar wel uit het eigengereid en wederrechtelijk optreden van verzoekende partij. Het door verzoekende partij ingeroepen nadeel, inzoverre ernstig te noemen, vloeit dan ook niet en zeker niet hoofdzakelijk rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing. Overwegende dat "rechtsonzekerheid" op zichzelf de nodige specificiteit ontbeert om als een ernstig nadeel zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te kunnen worden beschouwd; dat daarenboven verzoeker slechts zou blootstaan aan "administratieve sancties en strafvervolging" indien hij zonder in het bezit te zijn van de door artikel 99, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening vereiste voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, zou overgaan tot het uitvoeren van bouwwerken waarvoor krachtens dit decreet een vergunning vereist is; dat de "administratieve sancties en strafvervolging" derhalve hun rechtstreekse oorzaak zouden vinden, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden weigeringsbeslissing, maar in verzoekers eigengereid handelen; dat het door verzoeker ingeroepen nadeel niet ernstig is; X-11.769-4/5 Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli 2004, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-11.769-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.445 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.859 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.