← België

Arrest 133447 - - 02/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.447 Rolnummer: A. 147180/X-11744 Zaak: Arrest 133447 - - 02/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-08 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:59 Fiche Arrest nr 133.447 van 2 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.447 van 2 juli 2004 in de zaak A. 147.180/X-11.

  1. In zake :
  2. Patrick FELLER,
  3. Patricia ROUSSEL, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1601 SINT-PIETERS-LEEUW, Kerkstraat 66 tegen : het Vlaams Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  4. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick FELLER en Patricia ROUSSEL op 2 februari 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 19 november 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 14 november 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan de heer en mevrouw FELLER- ROUSSEL de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het vernieuwen van een schuur en stal op een perceel gelegen te Overijse, Terhulpsesteenweg, kadastraal bekend Sectie I, nr. 302n4; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 april 2004; X-11.744-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen op 27 februari 2002 een bouwaanvraag hebben ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse voor het vernieuwen van een schuur en stal op een perceel gelegen te Overijse, Terhulpsesteenweg, kadastraal bekend Sectie I, nr. 302n4; dat voornoemd perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen is in agrarisch gebied; dat de verzoekende partijen op 25 juni 2002 beroep hebben ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wegens het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse binnen de wettelijk voorziene termijn; dat de bestendige deputatie van de provincieraad Vlaams-Brabant bij besluit van 14 november 2002 het beroep van de verzoekende partijen heeft ingewilligd en de gevraagde vergunning heeft verleend; dat de gemeentelijke architect op 23 december 2002 proces-verbaal heeft opgesteld waarin wordt vastgesteld dat de uitgevoerde werken niet in overeenstemming zijn met de plannen gevoegd bij de verleende bouwvergunning en vervolgens mondeling het bevel heeft gegeven om de werken te staken; dat voormeld stakingsbevel niet binnen de wettelijk voorziene termijn werd bekrachtigd; dat de gemachtigde ambtenaar op 9 januari 2003 beroep heeft ingesteld tegen het inwilligingsbesluit van de bestendige deputatie van de provincieraad Vlaams-Brabant bij de bevoegde Vlaamse minister; dat de gemeente Overijse op 10 januari 2003, na de kennisgeving van dit beroep, proces-verbaal heeft opgesteld wegens bouwovertreding en een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking van de werken heeft afgeleverd; dat op 17 januari 2003 voormeld stakingsbevel bekrachtigd wordt; dat de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bij vonnis van 29 april 2003 de opheffing van het bevel tot stopzetting heeft bevolen; dat de afdeling Land van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 5 augustus 2003, X-11.744-2/5 op verzoek van de administratie, een nieuw advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij bestreden besluit van 19 november 2003 het beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft ingewilligd en voornoemd besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad Vlaams-Brabant van 14 november 2002 heeft vernietigd; dat het Hof van Beroep te Brussel bij arrest van 22 december 2003 het vonnis van 29 april 2003 heeft bevestigd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen uiteenzetten wat volgt : "Het bestreden besluit ontneemt de verzoekende partijen de vergunning voor het verbouwen van hun stallingen. Verzoekende partijen zijn paardenkwekers. Dat wordt niet betwist door de tegenpartij. Door het bestreden besluit kunnen de verzoekende partijen hun paarden geen beschutting bieden. De paarden staan dus in een open weide en lopen onder het gebinte van de stal waarvan de werken werden stilgelegd. Als gevolg daarvan hebben verschillende merries reeds een misval gehad. Verzoekende partijen zouden na het arrest van het Hof van X-11.744-3/5 Beroep van Brussel van 22 december 2003 de werken hebben kunnen verder zetten, ware het niet dat intussen de Minister hun vergunning op verzoek van de gemachtigde ambtenaar reeds had vernietigd. De schade die de verzoekende partijen lijden is niet enkel financieel. Er is ook een belangrijke morele schade. Dat de paarden herhaaldelijk verwerpen als gevolg van de omstandigheden, weegt zwaar op de verzoekende partijen. Een dergelijk moreel nadeel is ernstig. Temeer daar de verzoekende partijen als gevolg van de omstandigheden waarin de paarden moeten verblijven strafrechtelijk kunnen vervolgd worden op grond van de Wet Dierenwelzijn. Dit nadeel is ook niet gemakkelijk te herstellen en kan zeker nooit volledig in natura hersteld worden"; Overwegende dat de verzoekende partijen in het door hen aangevoerde nadeel betogen dat verschillende merries reeds hebben verworpen als gevolg van de stilgelegde werken, doordat zij in een open weide staan en geen beschutting hebben; dat het betoog van de verzoekende partij een loutere bewering is die door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd; dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel daarenboven in wezen neerkomt op een financieel nadeel en aldus in beginsel niet moeilijk te herstellen; dat de verzoekende partijen geen concrete gegevens bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat dit terzake wel het geval zou kunnen zijn; dat in zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het herhaaldelijk verwerpen van de paarden zwaar op hen weegt en hen een belangrijke morele schade veroorzaakt, dit afdoende wordt hersteld door een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit; dat het nadeel in zoverre niet kan worden aangenomen; dat verder de omstandigheid dat zij strafrechtelijk vervolgd zouden kunnen worden, zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, doch in de toepassing van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; dat de verzoekende partijen verkeerdelijk voorhouden dat zij in geval van een schorsing van het bestreden besluit de werken ingevolge het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 22 december 2003 zouden kunnen verder zetten; dat uit het arrest van 22 december 2003 van het Hof van Beroep te Brussel niet kan worden afgeleid dat de constructies niet wederrechtelijk werden opgetrokken; dat uit de niet betwiste processen-verbaal blijkt dat de uitgevoerde werken niet in overeenstemming zijn met de plannen gevoegd bij de verleende bouwvergunning; dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel in zoverre zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, maar in hun eigengereid handelen door het uitvoeren van werken en handelingen zonder daarvoor over de decretaal vereiste voorafgaande stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit X-11.744-4/5 een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli 2004, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-11.744-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.447 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.