id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.478 Rolnummer: A. 153138/XII-4177 Zaak: Arrest 133478 - - 02/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-07 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:00 Fiche Arrest nr 133.478 van 2 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.478 van 2 juli 2004 in de zaak A. 153.138/XII-
- In zake : Ikenna AZOMCHINE, die woonplaats kiest bij advocaat S. Sergeant, kantoor houdende te Brugge, Zwijnstraat 3 tegen :
- de BURGEMEESTER VAN DE STAD BRUGGE,
- de STAD BRUGGE, die woonplaats kiezen bij advocaat P. Maertens, kantoor houdende te Brugge, Komvest
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ikenna Azomchine op 28 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid eensdeels de schorsing van de tenuitvoerlegging te horen bevelen van de beslissing van 4 juni 2004 van de burgemeester van de stad Brugge tot opheffing van de tijdelijke muziektoelating van café De Relax, evenals van diens “onderliggende beslissing van 17 mei 2004”, en anderdeels een dwangsom te horen opleggen per dag dat de stad Brugge en de burgemeester in gebreke blijven over te gaan tot de verzegeling van zijn op 90dB (A) afgestelde muziekinstallatie en de toekenning van een muziektoelating voor onbeperkte duur; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 28 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2004, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4177-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Sergeant, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Maertens, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoeker sinds 2001 uitbater is van café De Relax, Sint-Jacobsstraat 45 te Brugge; dat de stad Brugge hem op 2 oktober 2001 een eerste muziektoelating verleent, die op 14 augustus 2003 wordt ingetrok- ken; dat, na plaatsing door verzoeker van isolatie in het café, bij besluit van 29 oktober 2003 een nieuwe muziektoelating wordt verleend, voor een duur van zes maanden; dat de burgemeester de tijdelijke muziektoelating bij beslissing van 19 maart 2004, dezelfde dag door het college van burgemeester en schepen bekrachtigd, opheft en beslist dat er tot en met 10 mei 2004 geen muziek mag worden gespeeld; dat de opheffing door de Raad van State wordt geschorst met arrest nr. 130.068 van 1 april 2004, onder meer omdat de burgemeester op het eerste gezicht ten onrechte heeft gemeend in de voorwaarden te verkeren om voor het besluit te mogen steunen op artikel 134ter van de nieuwe gemeentewet (zaak gekend onder nr. A.149.862/XII-4108); Overwegende dat de burgemeester op 23 april 2004 beslist de tijdelijke muziektoelating van café De Relax te verlengen voor een periode van zes maanden, op voorwaarde 1/ dat de uitbater vóór 10 mei 2004 op zijn kosten en akoestisch onderzoek laat uitvoeren door een milieudeskundige “waar de correcte naleving van de bepalingen van het K.B. van 24 februari 1977 houdende vaststelling van de geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen wordt aangetoond en de voorwaarden hiertoe worden bepaald”, 2/ dat het verslag “eveneens” een duidelijke beschrijving bevat van de opstelling, de opstellingsplaats, het vermogen en de volumeregeling van alle toestellen en installaties die enige impact kunnen hebben op de geluidsbelasting in de buurt, en een gedetailleerde beschrijving van de meetomstandigheden, 3/ dat het verslag van het akoestisch onderzoek uiterlijk op 12 mei 2004 bij de dienst leefmilieu wordt afgegeven; dat de burgemeester de beslissing op 19 mei 2004 herneemt met dien verstande dat de uiterste data voor het XII-4177-2/11 uitvoeren van het akoestisch onderzoek en het indienen van het verslag ervan bij de dienst leefmilieu op 1 juni 2004, respectievelijk 3 juni 2004 worden bepaald; Overwegende dat verzoeker op 2 juni 2004 bij de dienst leefmilieu een geluidsstudie met betrekking tot zijn café indient; dat de burgemeester op 4 juni 2004 de tijdelijke muziektoelating van het café opheft en beveelt het spelen van muziek stop te zetten; dat de opheffingsbeslissing in essentie op de volgende motivering steunt : “Gelet op het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen , nl. EVA-International BVBA, op 28 mei 2004, dat de verschillende onderdelen, zoals opgelegd in het Besluit van 19 mei 2004 bevat : een korte beschrijving van de omgeving en situatie, van de geluidsbronnen, van de meetplaatsen, van de meetprocedures, van de meetresultaten en een bespreking van de meetresultaten; Gelet op de evaluatie en het verslag bij de geluidsstudie van de heer stadsecoloog, dd. 3 juni 2004, waaruit blijkt dat de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek aantonen dat met de geluidsinstallatie als beschreven in het akoestisch onderzoek, de naleving van de wettelijke bepalingen zoals geformuleerd in het K.B. van 24 februari 1977 niet kan worden gegarandeerd, integendeel er gemakkelijk overschrijdingen worden vastgesteld van de maximum toegelaten geluidsniveaus; Gelet op het feit dat het akoestisch onderzoek de correcte naleving van de bepalingen van het K.B. van 24 februari 1977 houdende vaststelling van de geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen niet aantoont, wat een overtreding van artikel 2 van het Besluit van de Burgemeester dd. 19 mei 2004 inhoudt; Gelet op de klachten wegens geluidsoverlast en de processen-verbaal van nachtlawaai, veroorzaakt door café 'De Relax', opgesteld door de politie op 22 mei 2004 om 02 uur 45 (BG.92.L1.09359/04), op 28 mei 2004 om 23 uur 27 (BG.92.L1.9806/04) en op 29 mei 2004 om 02 uur 09 (BG.92.L1.9809/04), wat een overtreding van artikel 8 van de Politieverordening betreffende de bestrijding van de geluidshinder goedgekeurd door de Gemeenteraad in zitting van 30 maart 1999 inhoudt”;
- Overwegende dat verwerende partijen in de nota, voorafgaandelijk, vragen de rechtspleging met toepassing van artikel 736 van het Gerechtelijk Wetboek te schorsen totdat verzoeker zijn stukken aan haar heeft overgelegd; Overwegende dat artikelen 736 en 737 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de burgerlijke rechtspleging voorschrijven dat de partijen hun stukken aan elkaar moeten overleggen alvorens er gebruik van te maken en dat de overlegging geschiedt door het neerleggen van de stukken ter griffie, alwaar de partijen er ter plaatse inzage van nemen; dat die bepalingen niet zonder meer van toepassing kunnen worden geacht in de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State; dat wel, vanwege het recht van XII-4177-3/11 verdediging, de verwerende partijen de gelegenheid moeten hebben gehad de stukken van verzoeker in te zien; dat zij die gelegenheid vóór het begin van de terechtzitting hebben gekregen; dat bovendien verzoekers stukken de verwerende partijen grotendeels reeds van tevoren bekend moesten zijn, hetzij uit een vorige procedure, hetzij omdat het correspondentie aan of van henzelf betreft; dat het bezwaar verworpen wordt;
- Overwegende dat verwerende partijen in verband met hun recht van verdediging nog opmerken dat zij pas de dag voor de terechtzitting van de zittingsdatum kennis hebben gekregen, dat zij het dossier niet afdoende hebben kunnen bestuderen, dat het originele administratief dossier dat zij hebben ingediend naar aanleiding van de procedure inzake A.149.862/XII-4108 nog steeds ter griffie van de Raad van State berust en aan het administratief dossier in deze zaak moet worden toegevoegd; Overwegende dat het korte tijdsverloop tussen eensdeels het inleiden van de besproken vordering en anderdeels de behandeling ervan ter terechtzitting, met de beperkingen die dat meebrengt voor het recht van verdediging van de verwerende partijen, inherent is aan een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat overigens die beperkingen te dezen niet overroepen mogen worden; dat, gelet op de voorgaanden, de besproken vordering bezwaarlijk geacht kan worden verwerende partijen te overvallen; dat zij alleszins nog de kans hebben gezien een nota van bijna negentien bladzijden op te stellen; dat de bezwaren verworpen worden, behoudens wat het verzoek betreft om bij de behandeling van de vordering het administratief dossier neergelegd in de zaak met nr. A.149.862/XII-4108 mee in ogenschouw te nemen;
- Overwegende dat verwerende partijen de vordering niet- ontvankelijk noemen omdat verzoeker de beslissing van 4 juni 2004 van de burgemeester voor “gelezen en goedgekeurd” heeft ondertekend en aldus zou hebben verzaakt “aan enige (schorsings)procedure”; Overwegende dat verzoeker bij de ontvangst van de beslissing van 4 juni 2004 op het exemplaar van de verwerende partijen de vermelding “gelezen en goedgekeurd” heeft aangebracht; dat, althans in de huidige stand van zaken, de draagwijdte van die woorden beperkt lijkt te zijn tot de melding dat verzoeker de beslissing goed heeft ontvangen en de muziek, overeenkomstig het bevel, zal XII-4177-4/11 stopzetten; dat er vooralsnog geen afstand in wordt gelezen van het recht om eventueel het muziekverbod voor de rechter te bestrijden; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aang- evoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden; 6.
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker er op wijst dat een schorsing volgens de gewone procedure “nog maar weinig zal kunnen veranderen aan het nadeel dat verzoeker gekeerd wenst te zien”; 6.
- Overwegende dat de verwerende partijen daar op antwoorden dat de vordering pas 40, respectievelijk 24 dagen nà de beslissingen van 19 mei 2004 en 4 juni 2004 is ingediend, en dat de uiterst dringende noodzakelijkheid uitsluitend is veroorzaakt door verzoekers eigengereid handelen en meer bepaald zijn onwil om zich te houden aan het koninklijk besluit van 24 februari 1977 en het besluit van 29 oktober 2003 van de burgemeester; 6.3.
- Overwegende dat het besluit van 19 mei 2004 van de burgemeester nog dezelfde dag aan verzoeker betekend is geworden; dat het besluit hem een muziektoelating voor zes maand verleent en oplegt een akoestisch onderzoek te doen uitvoeren; dat verzoeker door het eerste niet benadeeld wordt en aan het tweede zonder veel protest voldaan heeft; dat hoe dan ook de besproken vordering pas veertig dagen nadien is ingesteld; dat verzoeker dit lange tijdsverloop niet verant- woordt; dat het de negatie inhoudt van de uiterst dringende noodzakelijkheid ter zake; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen in zoverre ze betrekking heeft op het besluit van 19 mei 2004 van de burgemeester; dat hierna de vordering tot schorsing nog alleen wordt onderzocht wat de beslissing van 4 juni 2004 van de burgemeester aangaat; XII-4177-5/11 6.3.
- Overwegende dat van de beslissing van 4 juni 2004 dezelfde dag nog aan verzoeker kennis is gegeven; dat de onderhavige vordering pas 24 dagen nadien is ingesteld; dat voor dit tijdsinterval verzoeker wèl een uitleg verschaft; dat hij onder meer uiteenzet en aan de hand van stukken bewijst dat zijn vader, die in Nigeria was overleden, er op 11 juni 2004 begraven zou worden en dat hij, om de begrafenis te regelen en zijn familie bij te staan, van 6 tot 28 juni 2004 in Nigeria heeft verbleven; dat hij er tevens op wijst dat de communicatie vanuit Nigeria moeilijk is; dat een en ander ervan doet blijken dat verzoeker niet op goede grond verweten wordt al te lang met het instellen van de vordering getalmd te hebben en alzo zelf de uiterst dringende noodzakelijkheid te hebben tegengesproken; Overwegende dat de tegenwerping van de verwerende partijen in verband met de niet-naleving van de door de burgemeester opgelegde voorwaarden en van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen, er op neerkomt dat terecht tot het muziekverbod is beslist, wat dan weer verzoeker in zijn middelen betwist; dat het bezwaar niet de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, maar die in verband met de ernstige middelen; Overwegende dat het gevaar reëel is dat een schorsing van de tenuitvoerlegging overeenkomstig de gewone procedure te laat zal komen om verzoeker te behoeden voor het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij, zoals hierna zal blijken, ten gevolge van de beslissing van 4 juni 2004 riskeert te lijden; dat wat die beslissing betreft aan de eerste schorsingsvoorwaarde is voldaan;
- Overwegende, met betrekking tot de t weede schorsingsvoorwaarde, dat verzoeker uiteenzet dat een jongerencafé waar geen muziek wordt gedraaid niet rendabel kan werken en de facto gedwongen wordt om de deuren te sluiten, dat het muziekverbod zijn commerciële dood betekent, dat hij grote kredieten, onder meer wegens isolatiewerken, moet aflossen en sociale bijdragen, huur, enzovoort, moet betalen, dat het inkomen uit het café zijn enige inkomen is, dat hij zijn cliënteel dreigt te verliezen, en dat zijn reputatie en geloofwaardigheid in het gedrang komen; Overwegende dat in de nota wordt gerepliceerd, in essentie, dat verzoeker perfect verder kan exploiteren, dat hij niet de schorsing vorderde van het besluit van 23 april 2004 van de burgemeester “hoewel hierin de preciese voorwaar- XII-4177-6/11 den werden gesteld waaraan verzoeker diende te voldoen om een tijdelijke muziektoelating te bekomen”, dat het nadeel niet persoonlijk is, dat verzoeker in gebreke blijft zijn reële inkomsten te bewijzen; Overwegende dat het nadeel op dezelfde wijze wordt gemotiveerd en gestaafd als het nadeel dat verzoeker aanvoerde tegen het tijdelijk muziekverbod van 19 maart 2004 en dat de Raad van State in zijn arrest nr. 130.068 toereikend bevond om een schorsing van het verbod te verantwoorden; dat er des te minder reden is om het nu anders te zien waar toén het aangevochten muziekverbod tot twee maanden beperkt was, wijl het thans bestreden verbod verzoeker de resterende vijf maanden van de muziektoelating van 19 mei 2004 ontneemt; dat verzoeker aannemelijk maakt ten gevolge van de beslissing van 4 juni 2004 van de burgemeester een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden; dat het ter zake zonder belang is dat verzoeker niet de schorsing van de beslissing van 23 april 2004 heeft gevraagd, al was het maar omdat die beslissing, naar op het eerste gezicht blijkt, op 19 mei 2004 door een andere beslissing van de burgemeester is vervangen; Overwegende dat ook de tweede schorsingsvoorwaarde vervuld is; 8.
- Overwegende, met betrekking tot de derde schorsingsvoorwaarde, dat verzoeker in een tweede middel de schending van het proportionaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht aanvoert; dat hij betoogt dat het vanuit het oogpunt van de motiveringsplicht niet opgaat te verwijzen “naar vaststellingen van de politie die niet raadpleegbaar zijn en naar een verslag van de stadsecoloog dat niet werd meegedeeld”, dat het niet te verantwoorden is “dat een drastische beslissing tot het stopzetten van het spelen van muziek wordt genomen waar een verslag voorligt dat wel degelijk de voorwaarden weergeeft waarbij muziek kan gespeeld worden zonder hinder in het nabijgelegen hotel” en dat “men in die omstandigheden naar redelijkheid niet kan stellen dat het onderzoek de correcte naleving van het KB van 24 februari 1977 niet aantoont”; 8.
- Overwegende dat verwerende partijen in de nota antwoorden dat zeer duidelijk werd verwezen naar de bevindingen van het akoestisch onderzoek van 2 juni 2004 waaruit blijkt dat de vigerende normen niet worden gerespecteerd, dat de beslissing is genomen wegens het niet naleven van de toepasselijke wettelijke bepalingen en de geldende geluidsnormen, zoals vaststaand bewezen wordt door het XII-4177-7/11 akoestisch onderzoek, dat de voorwaarden voor het toekennen van de voorlopige muziektoelating van 23 april 2004 zeer duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar zijn, dat dit besluit kracht van gewijsde heeft; 8.3.
- Overwegende dat, mede gelet op de nota van 4 juni 2004 aan de burgemeester (stuk 7 van het administratief dossier), tenminste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat de bestreden beslissing in doorslaggevende mate steunt “op het feit dat het akoestisch onderzoek de correcte naleving van de bepalingen van het K.B. van 24 februari 1977 houdende vaststelling van de geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen niet aantoont, wat een overtreding van artikel 2 van het Besluit van de Burgemeester dd. 19 mei 2004 inhoudt”; 8.3.
- Overwegende dat die overtreding alleszins niet apert lijkt; dat immers bedoeld artikel 2 voorschrijft dat verzoeker een akoestisch onderzoek moet laten uitvoeren “waar de correcte naleving van de bepalingen van het K.B. van 24 februari 1977 houdende vaststelling van de geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen wordt aangetoond en de voorwaarden hiertoe worden bepaald”, wijl in het onderzoeksverslag op grond van diverse geluidsmetingen wordt besloten: “Het specifiek lawaai afkomstig van de Relax in kamer 010 in het hotel Navarra resulteert in een overschrijding van 6 dB(A) wanneer in het café 90 dB(A) gespeeld wordt. Men moet dus de muziek afregelen op 84 dB(A) in het café”; dat het onderzoek aldus op het eerste gezicht uitwijst, en slechts uitwijst, dat de bepalingen van het meer vernoemde koninklijk besluit van 24 februari 1977 correct worden nageleefd op voorwaarde dat de muziekinstallatie in café De Relax niet meer dan 84 dB(A) produceert; Overwegende dat, om niettemin tot de schending van artikel 2 van het besluit van 19 mei 2004 van de burgemeester te besluiten, de beslissing van 4 juni 2004 naar een evaluatie en een verslag van de stadsecoloog verwijst; dat die evaluatie en verslag evenwel niet aan verzoeker zijn meegedeeld, noch vóór, noch ten laatste samen mét de bestreden beslissing; dat in de gegeven omstandigheden verzoeker de beslissing tot opheffing van zijn muziektoelating terecht verwijt niet te voldoen vanuit het oogpunt van de motiveringsplicht; dat, aangezien de bestreden beslissing formeel gemotiveerd moet zijn, in principe alleen met die formeel uitgedrukte motieven rekening mag worden gehouden en de uitdrukkelijke motieven in het ongewisse laten XII-4177-8/11 hoe op grond van het akoestisch verslag tot een overtreding van artikel 2 van zijn besluit van 19 mei 2004 is kunnen besloten worden; 8.3.
- Overwegende, volledigheidshalve, dat ook nog na lectuur van het verslag van de stadsecoloog, in het administratief dossier opgenomen als stuk 6, de kritiek van verzoeker overeind lijkt te blijven “[d]at men [...] naar redelijkheid niet kan stellen dat het onderzoek de correcte naleving van het KB van 24 februari 1977 niet aantoont”; dat de stadsecoloog blijkbaar hiérin het bewijs vindt van de niet- naleving van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 : dat er geen begrenzing is van de geluidsniveaus tot de maximum toegelaten waarden, wat volgens de nota van de verwerende partijen “een manifeste inbreuk uitmaakt op artikel 2 van het K.B. van 24.02.1977”, en dat bij het spelen van muziek bij de wettelijk toegelaten maximum geluidsniveaus de normen in de buurt worden overschreden; Overwegende dat nochtans, op het eerste gezicht, artikel 2 van het koninklijk besluit alleen bepaalt dat in openbare inrichtingen het maximumgeluidsniveau dat door de muziek wordt geproduceerd, 90 dB(A) niet mag overschrijden; dat op het eerste gezicht het maximumgeluidsniveau “voortgebracht door de muziek” niet mag worden gelijkgesteld met het maximumgeluidsniveau “dat door de muziek kàn worden voortgebracht”; dat er geen schending van de norm in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 lijkt te zijn wanneer een muziekinstallatie in een openbare inrichting weliswaar 105 dB(A) kan bereiken, maar er feitelijk slechts 90 voortbrengt; dat genoemd artikel 2 niet de verplichting lijkt voor te schrijven dat de geluidsniveaus van de muziekinstallatie worden begrensd, dusdanig dat überhaupt geen hogere geluidsniveaus kunnen worden bereikt dan degene die reglementair zijn toegelaten; Overwegende dat het koninklijk besluit dan weer wel lijkt te vereisen dat cumulatief wordt voldaan én aan het artikel 2, dat wezenlijk de bezoekers van de openbare inrichting beoogt te beschermen tegen schadelijke muziekemissie, én aan de normen die de rust in de buurt willen verzekeren; dat in dit licht het verslag van het akoestisch onderzoek tot de slotsom komt dat de muziek in De Relax dient afgesteld, niet op het maximum van 90 dB(A) dat artikel 2 toelaat, maar op 84 dB(A); dat waar aldus, met het oog op de rust in de buurt, het wettelijk toelaatbare maximumgeluidsniveau hoe dan ook de 84 dB(A) niet te boven mag gaan, het in de huidige stand van de rechtspleging ongerijmd voorkomt te stellen dat XII-4177-9/11 “[b]ij het spelen van muziek bij de wettelijk toegelaten maximum geluidsniveaus [...] de normen in de buurt overschreden [worden]”; 8.3.
- Overwegende dat verzoeker aldus een ernstig middel doet gelden tegen een essentieel motief van het besluit van 4 juni 2004 van de burgemeester; dat ook aan de derde en laatste voorwaarde voor een schorsing van het muziekverbod van 4 juni 2004 bij uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan; dat de hierna uit te spreken schorsing van dat besluit tot gevolg zal hebben dat het niet voort ten uitvoer kan worden gelegd en dat de op 19 mei 2004 aan verzoeker verleende tijdelijke muziektoelating voort uitwerking heeft;
- Overwegende, met betrekking tot de gevorderde dwangsom, dat die dwangsom klaarblijkelijk de naleving dient te verzekeren, niet van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het burgemeestersbesluit van 4 juni 2004, maar van twee door de Raad van State op te leggen voorlopige maatregelen: de verzegeling van verzoekers muziekinstallatie bij een afstelling op 90 dB(A) en de uitreiking van een muziektoelating voor onbeperkte duur; dat deze voorlopige maatregelen, en de ermee samenhangende vordering om een dwangsom op te leggen, overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, behoorden te worden gevorderd bij een verzoekschrift dat onderscheiden is van de vordering tot schorsing; dat daar niet aan voldaan is; dat de vordering tot oplegging van een dwangsom niet ontvankelijk is en alleen daarom al verworpen moet worden, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 4 juni 2004 van de burgemeester van de stad Brugge tot opheffing van de tijdelijke muziektoelating van café De Relax. XII-4177-10/11 Artikel
- De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli 2004, door : De HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4177-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.478 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.